I’ve lost my heart again, just how, I don’t recall,
You found my heart and then, it wasn’t mine at all.
Frank Sinatra
“Proficiat ! Je hebt het hart van een twintigjarige”, zei de dokter me toen hij de resultaten van een uitgebreid en grondig routineonderzoek bekeek. Ik was toen 57 jaar en sprong als een jonge hengst een gat in de ozonlaag. Niet dat onsterfelijkheid binnen handbereik lag, maar dit liet op zijn minst een redelijk gezonde levensavond verhopen. Geen drie jaar later faalde datzelfde hart in één week tijd tot tweemaal toe. De jonge hengst werd een kameel die zich door het oog van de naald wurmde en voortaan zou leven met een uitnodiging voor een rijstpapbanket in het Koninkrijk Gods op zak. Na een vlotte revalidatie ging ik weer werken, in Brussel. De eerste dag vergezelde ik tijdens de middagpauze een collega naar de Innovation in de Nieuwstraat. Bij de afdeling juwelen en parfums vond ik op de grond een hartje, in rode zijde. Mijn oog had er duidelijk oog voor vanwege mijn recente hartinfarcten. Van kindsbeen af ben ik alert voor synchronistische voorvallen, serendipiteit of “gelukkig toeval” zoals dat toen heette en dit was er zo eentje. Bovendien leken de namen “Innovation” en “Nieuwstraat,” een belofte van vernieuwing in zich te dragen. Een nieuwe richting van mijn levenspad na de confrontatie met mijn eindigheid?
Jaren eerder had ik al eens een betekenisvol hartje gevonden, tijdens mijn vision quest. In de jaren 1990 exploreerde ik immers, naast het zen-pad, ook het pad van natuurreligie en sjamanisme, via de lectuur van onnoemelijk veel boeken, maar ook in de praktijk : zweethutten, natuurrituelen, medicijnwandelingen, zielenreizen, werken met krachtdieren en spirituele gidsen, ayahuasca, enz. Bij de oorspronkelijke Amerikanen ontdekte ik een waarachtige natuurspiritualiteit, die een direct contact nastreefde met de immanente Grote Geest – Wakan Tanka – die alles omvat en doordringt. Want daar gaat het me altijd om: een rechtstreekse lijn met G*d of met de Geest of met “The Force”, zonder bemiddelaars, makelaars, voorsprekers of go betweens. In die context ondernam ik in de zomer van 1996 een vision quest. Tijdens zo’n queeste trek je je gedurende vier dagen en nachten uit de wereld terug op een plek in de natuur, alleen, in stilte, met enkel een paar essentiële spullen, een kruikje water, maar zonder mondvoorraad. Vier dagen van vasten, bidden, mediteren en wachten op een “visioen”. Dat kan een Grote Droom zijn, een visionaire ervaring of een verrassende, veelbetekenende ontmoeting met een dier, een plant, een steen of een natuurverschijnsel. Je “visioen” inspireert je tot nieuwe inzichten, een nieuwe zielsbestemming. Je onderneemt een vision quest wanneer je op een levenskruispunt bent aanbeland. Toen en daar was het mijn afspraak met Grote Geest om mijn spiritueel leven een nieuwe wending te geven na een niet pijnloos adieu aan de zenschool waar ik ooit debuteerde.
Bij de start van de vierdaagse werd ik door de begeleiders naar een plekje in een woud op de flank van een heuvel gebracht dat ik gedurende vier dagen niet mocht verlaten. Ik zou er alleen maar wachten op een boodschap, op een teken. Meteen al deed zich iets opvallends voor. De paar vierkante meter waar ik zou vertoeven had de volmaakte vorm van een hart. Niet zomaar de vage contouren van iets wat op een hart lijkt, maar zo eentje die kinderen op voetpaden en muren tekenen of verliefden in bomen kerven. Die hartvorm was niet door mensenhanden in die vorm aangeplant of gesnoeid, maar op natuurlijke wijze ontstaan door de bomen en struiken die het plekje omzoomden. Dit was op zich al een “visioen” ! Ik noemde het mijn “Hartplekje”. Ik zou dus mijn vision quest doorbrengen, geborgen in het hart van dit woud.
Het was hoogzomer, maar de weergoden en de donderwezens hadden het anders begrepen : het regende onafgebroken oude wijvenstelen en pijpenventen. Daardoor kon ik geen kant uit en was ik verplicht om eindeloze uren onder mijn zeiltje te blijven liggen of zitten. Ik moest er goed op letten dat mijn kleren en mijn slaapzak niet doorweekt raakten of anders zat mijn quest er voortijdig op… Even de benen strekken zat er vanwege de zondvloed nauwelijks in. De klok rond mediteren – zazen – was al wat ik kon doen. Deze omstandigheden beperkten sterk de kansen om significante ontmoetingen te hebben met wouddieren of vogels. Ik begon al te wanhopen, dit avontuur zou op niets uitdraaien… Op de laatste dag van mijn queeste zat ik, om toch iets om handen te hebben, met een takje doelloos te pulken in een modderplasje net buiten mijn beschuttend zeiltje. Ik duwde het takje almaar dieper in de zompige bosgrond tot ik, zo’n 10 centimeter diep, op iets hards stootte. Nieuwsgierig wroette ik met mijn vingers in de aarde tot ik de steen of de kei voelde. Ik haalde ‘m boven en spoelde ‘m af in de gietende regen. Er kwam een donkerrood hartvormig steentje (4 x 2 cm) te voorschijn (zie foto). In het hart van mijn Hartplekje vond ik een hartje ! Miljoenen jaren geleden ciseleerde Moeder Aarde steen tot een hartje en nu kreeg ik het hier op het einde van de 20ste eeuw cadeau. Tranen van verrukking mengden zich met de regen. Meteen wist ik : dit is het ! De synchroniciteit tussen hartplekje en hartsteentje maakte duidelijk dat dit het “visioen” was dat me werd geschonken. Gedurende jaren droeg ik het hartje in een lederen buideltje, gevuld met de heilige kruiden salie en tabak, om de nek, op mijn hart. Naderhand kreeg het een voorname plaats op mijn altaartje in mijn meditatiekamer. Bij speciale ondernemingen, zoals retraites, vergezelt het me. Dat hartsteentje staat natuurlijk voor Lliefde met een grote en kleine L, voor de Weg van het Hart die ik zou blijven gaan, voor Groot Mededogen en Compassie, voor het Heilig Hart van Jezus ook, zo bleek later. Zoals de Yaqui sjamaan Don Juan Matus aan Castaneda zei, moet men zich bij het zoeken of vinden van een pad maar één vraag stellen : “Heeft dit pad een hart?” Niet toevallig heette de nieuwe zen-school waar ik een paar maanden later bij aansloot Maha Karuna of Groot Mededogen.

Zomer 2009 kruiste Annemie Tollenaere mijn levenspad. In onze zen-dojo vond ik een flyer waarin ze haar plan aankondigde om in Gent “Interreligieuze Stille Meditatie” te organiseren. Zij realiseerde de droom die ik zelf al jaren koesterde. Diezelfde dag nog zocht ik contact met haar. Zij had om een medewerker gebeden en blijkbaar was ik de gezondene. We sloegen de handen in elkaar, zij vanuit de christelijke mantra-meditatie in de geest en de stijl van Fr John Main en Fr Laurence Freeman, ik als zen-boeddhistisch monnik. Vanaf september kwamen we maandelijks bijeen in het Augustijnenklooster op een boogscheut van La Verna. Door mijn hartproblemen moest ik echter in maart 2010 afhaken, maar na mijn herstel kon ik Annemie in het najaar weer bijstaan bij de begeleiding van de bijeenkomsten waar mensen van allerlei religieuze strekkingen in stilte kwamen mediteren. Eén van hen was Monica; elke keer deelde ze zelfgemaakte hartjes in plastic uit aan de aanwezigen. Dat leek haar missie te zijn : haar hart uitdelen of delen vanuit haar hart. Die hartjes waren de eerste exemplaren van mijn almaar groeiende collectie. Monica’s voorbeeld volgend brak ik kort daarna tijdens een meditatie-retraite bij het afscheidsmoment een aan de krea-tafel geboetseerd hart van klei in stukjes en deelde die communiegewijs uit aan de deelnemers.
Tussen Annemie en mezelf groeide al snel een diepe spirituele vriendschap. Toen ik haar een keer vertelde over mijn vision quest-hartje, zei ze dat ze in diezelfde zomer van ‘96 een gelijkaardig stenen hart gevonden had, in Spanje. Wandelend op de met ontelbare keien bezaaide stranden van San Juan de Los Terreros (Sint-Jan van de Gronden?), op de grens van Murcia en Andalousië, zag ze hoe een straal van de ochtendzon een natte glanzende steen trof die hem van de andere onderscheidde. Hij bleek de vorm van een hart te hebben. (zie illustratie) Ook zij was een hartvinder. Hààr hart was van hetzelfde soort gesteente en had dezelfde kleur als dat van mij. Een ongepolijst, geteisterd hartje uit de schoot van Moeder Aarde en een gladgeschuurd hartje dat door de zee werd gebaard. Aarde en Water verenigd. Merkwaardig: in hààr hartsteen zit een deuk, een holte, waarin mijn hartje precies past. Alsof ze ooit één waren geweest en mekaar nu teruggevonden hadden.

Toen ik na mijn herstel weer naar buiten kon voor mijn dagelijkse 10.000 stappen – altijd op het ritme van een mantra – viel het me op dat ik op straat regelmatig “hartjes” zag liggen. Dit kon niet zonder betekenis zijn. G*d spreekt immers door middel van dergelijke betekenisvolle toevalligheden. Ik nam me voor ze op te rapen en thuis in een grote hartvormige doos te bewaren die ik bij mijn meditatieplekje plaatste. De voorbije twaalf jaar vond ik er inmiddels enkele honderden. En dan laat ik de ontelbare hartjes nog buiten beschouwing die kinderen op stoepen tekenen, de graffiti en de bloedrode harten met bijbehorende positieve boodschap die een onbekende Gentenaar een tiental jaar geleden her en der in de stad op muren aanbracht. Er zijn periodes van hoog- en laagconjunctuur. Soms vind ik er verschillende op één dag, dan weer wekelijks een paar, maar toch altijd enkele per maand. Zoveel mensen die hun hart verloren… Al die dakloze harten help ik van de straat en bied ze een geborgen thuis. Mocht een lezer op zoek zijn naar zijn/haar verloren hart, dan mag die altijd contact opnemen met mijn verlorenhartenasiel. Ik tref ze aan in alle maten en gewichten, in alle kleuren en vormen en gemaakt van veelsoortig materiaal. Hartjes in zilver, brons, koper, blik, plastic, papier, karton, hout, cellofaan, katoen, wol, zelfs van suiker en verdroogd brood. Gescheurde, gebroken en gebarsten hartjes. Verregende en half vergane hartjes. Drie springen eruit qua formaat : drie exemplaren van een halve meter doorsnede! Eén daarvan is een hart in piepschuim dat aan de vóór- en keerzijde volledig beplakt is met witte pluimpjes en veertjes (zie illustratie). Duidelijk het hart van een engel. Een goddelijke wind blies het tot op de drempel van mijn voordeur ! Zou er een spoedbesteldienst bestaan die ook harten aan huis levert?

Die hartjes zie ik als knipoogjes van Jezus of van G*d. Mijn hart springt altijd even op als ik er weer eentje zie liggen. Bij elke vondst doe ik twee dingen : ik maak bewust verbinding vanuit mijn hart met het Heilig Hart van Jezus én ik wens de persoon die het verloor of dumpte “licht, liefde en alle goeds” toe. Mijn vondsten noteer ik ook in mijn dagboek met een heilswens voor de verliezer. Ik stel me voor dat elk gevonden hartje een gekwetst hart is; een hart zonder verwondingen bestaat immers niet. Een hartje oprapen is ook telkens een diepe buiging maken voor het nietige, het verworpene, en er zorg voor dragen. Dit alles werd dus een soort van spirituele praktijk. Zo verplicht ik me ertoe om hartjes altijd en in àlle omstandigheden op te rapen. Niet zelden is dat redelijk genant, zoals wanneer ik er eentje vlak voor de voeten van iemand opraap of uit de smurrie opvis. En met zo’n buitenmaats, spuuglelijk plastic hart onder de arm langs de straat lopen ondersteunt niet meteen mijn credibility. Dit is een oefening in onvoorwaardelijkheid. G*d kan zich immers op elk gepast of ongepast moment aandienen en dan wil ik zonder aarzelen aan Zijn suggesties of Zijn roep gevolg kunnen geven.
Een ouwe zonderling die op straat hartjes raapt en verzamelt… Zou dit ziektebeeld opgenomen zijn in de fameuze DSM, dat omstreden Amerikaans classificatiesysteem voor psychische aandoeningen?Zoiets als het “Gevonden Hart Syndroom”? Of zou het gewoon een ongeneeslijk geval van heartfulness zijn? Voor de nuchtere medemens mag dat zorgwekkend lijken, maar zie het als iets kinderlijks. Zei Rabbi Jezus niet dat we moeten worden als kinderen : onbevangen, niet geremd door menselijk opzicht of vooropgezette ideeën. Cynische commentaar op zoveel kinderlijkheid is begrijpelijk, maar helpt dat jezelf of de wereld een stap vooruit? Het viel me trouwens op dat ik zelden of nooit hartjes vind in kerken, kloosters en kapellen, maar op straat en meestal in de goot, tussen het zwerfvuil. Jezus, G*d, laat zich dus niet per se op gewijde plaatsen vinden, maar ook op straat, in de afvoergoot. “Welke weg je ook kiest, kies er altijd een met een hart”. Welnu, mijn hartjes liggen letterlijk op de weg en zo heiligen ze alle straten van de stad tot “wegen van het hart”.
Als hartvinder leek het onvermijdelijk dat ik uit zou komen bij het Heilig Hart van Jezus. En inderdaad, ik begon zowaar, schoorvoetend, een eigen soort Heilig Hart mystiek te ontwikkelen. Jezus, met wie ik sedert mijn adolescentie geen levende band meer had, maakte immers een verrassende comeback. Na dertig jaar engagement in het zen-boeddhisme lag dat niet voor de hand. Hij werd incontournable toen Hij zich, totaal onverwacht, manifesteerde tijdens een sjamanistische vierdaagse waar toen de alhier nog vrij onbekende toverdrank ayahuasca in een spirituele setting geschonken ende gedronken werd. Uiteraard had ik eerder verwacht de Boeddha of een bodhisattva te zien verschijnen. Wegens te intiem wil ik over dit visioen niet in detail te treden, maar ik kan wel zeggen dat het de belangrijkste ervaring en ontmoeting van mijn leven was. Desondanks verbaasde ik mezelf met die Heilig Hart-mystiek. Aanvankelijk vond ik dit maar een bedenkelijke evolutie. Het deed me denken aan het plaasteren borstbeeld van het “‘t Heilig Herte” dat bij mijn vooroorlogse grootmoeder op de schoorsteenmantel stond of met gelijksoortige, zoeterige prenten die in Bokrijk, het Museum van Folklore of op een rommelmarkt thuishoren. Was dat soort devotionele kitsch niet beneden mijn spirituele non-dualistische stand? Ik wou hier liever niets mee te maken hebben, laat staan ermee naar buiten komen. En zie, toch schrijf ik er hier over en staat er nu zo’n buste van het Heilig Hart van Jezus op mijn werkkamer. De Nazoreeër met het ontblote hart op de schoorsteenmantel kijkt de gouden Boeddha aan de overzijde van de kamer bovenop mijn boekenkast recht in het gezicht. Zo zitten ze van aangezicht tot aangezicht, de ene wijzend op zijn hart als getuige van zijn Liefde, de ander met de rechterhand de aarde aanrakend als getuige van zijn Ontwaken. Uiteraard zie ik de rode draad tussen mijn vision quest-hartje, mijn hartfalen, de straathartjes en het Heilig Hart van Jezus. Soms denk ik: “Zou er geen opwaardering of aggiornamento mogelijk zijn van de H.- Hart mystiek?” Kan het uit het volksdevotiehoekje gehaald worden om er een hedendaagse invulling aan te geven? Als men het over “De Weg van het Hart” heeft, vindt men dat vanzelfsprekend; waarom zou Heilig Hart-devotie daarvan geen uitdrukking kunnen zijn? Jezus als belichaming van die Weg van het Hart. “Ge zijt niet mee met uw tijd”, zegt men me soms. “Inderdaad”, antwoord ik dan, “maar wel met de eeuwigheid”.
Is er een orgaan dat meer bezongen werd dan het hart ? Er zijn spreekwoordelijke bibliotheken volgeschreven met spirituele, religieuze en filosofische teksten over “leven vanuit je hart”, “de weg van het hart”, enz. Ik ga daar niets aan toevoegen. Om het simpel te houden : iedereen weet wat “harteloosheid” is. Leven vanuit het hart is het tegendeel daarvan. Voor mij betekent het eenvoudigweg leven naar de universele Gulden Regel : “Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden” of “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook de ander niet”. Deze negatief of positief geformuleerde uitspraken treft men vanaf de Oudheid aan in het Verre Oosten (China, India) en het Nabije Oosten (Perzië, het Oude Egypte), in het antieke Griekenland en in de Bijbelse tradities. Leven vanuit het hart is niet zozeer handelen vanuit het denken, het voelen of het waarnemen, maar ook vanuit je intuitie of je innerlijke wijsheid, die in je hart woont. “Le coeur a ses raisons – of beter ‘ses intuitions’ – que la raison ne connaît point.” Intuïtie stemt niet per se overeen met het vandaag de dag veelgehoorde “het voelt goed voor mij”. Aan dat individualistisch cliché ontbreekt vaak voeling met en inzicht in het grotere geheel. De vraag is : voelt het ook goed voor je ziel, voor de ander, voor de planeet en al haar schepselen? Leven vanuit het hart is ook leven vanuit actieve acceptatie (“alles mag er zijn”) van alles wat zich nu/hier aandient. Liefde en mededogen als motivatie, als doel én als de weg erheen. De paden die ik tot nu volgde – dat van zen, sjamanisme en de christelijke mystiek – zijn onbetwistbaar paden van het hart. Dat wordt mij bij elke vondst van een hartje langs de straten van deze Harteveldestad weer bevestigd. Dat maakt van deze hartvinder ook een pad-vinder.
“And a good heart, these days, is hard to find,
So please be gentle with this heart of mine”
(Maria Mc Kee / Feargal Sharkey)
Herman Meirhaeghe