Listen to the butterfly,
Whose days but number three
Listen to the butterfly
Don’t listen to me
(Leonard Cohen, Listen to the Hummingbird)
Zes dagen na Allerzielen 2014 overleed mijn vrouw Gerda, met wie ik 48 jaar samen was. Ze was net 65 geworden toen ze de diagnose “keelkanker” kreeg. Vier maanden later voer ze naar de Andere Oever, waar ze hoopte eindelijk haar vader te ontmoeten die tien dagen vóór haar geboorte uit het leven stapte en een hoogzwangere vrouw met twee kleuters achterliet. Gerda was geen boreling in geschenkverpakking, maar een extra zorg voor haar moeder, die zich danig verraden voelde. Haar hele verdere leven zou ze haar man nooit meer ter sprake brengen. Pas op haar veertiende vernam Gerda, via een buurman die zijn mond voorbij praatte, dat haar vader zelfmoord had gepleegd. Zijn dood liet bij haar een niet te vullen leegte achter, een niet te genezen gemis, een niet te stelpen wonde. Om nog te zwijgen over de stigmatisering binnen de familie en de dorpsgemeenschap. En dan haar eeuwige vraag: of zij de oorzaak was van vaders wanhoopsdaad? Was haar geboorte – en het mondje teveel dat gevoed moest worden nu “de zaken” zo slecht gingen – een verantwoordelijkheid die hij niet langer kon dragen? Ik wil hier geen hommage brengen aan mijn echtgenote, eerder een schets van haar finale levensjaren en van haar dood. Die zijn immers een treffend voorbeeld van een spontane spirituele transformatie via een compleet onverwachte ontmoeting met de/het Ene. Zoals alle verhalen toont ook dat van haar aan hoe onvoorspelbaar het leven is en alle richtingen kan uitgaan. Toevallige ontmoetingen, onvermoede gebeurtenissen kunnen het begin zijn van een belangrijke ontwikkeling. Wanneer we de kansen grijpen die zich aandienen, gebeurt er altijd iets waardevols. Verder deel ik met jullie enkele zinvolle toevalligheden in verband met haar die mijn alleweekse doordedaagse leven een haast magische glans geven, die zelfs voorbij de grens van leven en dood blijft glimmeren.
Gerda koos er meteen voor geen behandeling te ondergaan en haar aandoening thuis bij mij uit te zieken om, wanneer de pijn en de beperkingen ondraaglijk en de situatie onleefbaar werden, via “de goede dood” over te gaan. Vele jaren vóór ze het fatale verdict kreeg, zegde ze al dat ze geen ziekenhuisparcours wou afleggen, mocht ze ooit een dodelijke ziekte krijgen. Dat nam ik nooit echt au sérieux. In betere tijden is het immers makkelijk en vrijblijvend om zoiets te stellen. Maar toen ze ziek werd, hield ze voet bij stuk. Ze weigerde resoluut elke therapie en koos voor euthanasie. Ik kon haar alleen maar steunen. De vier laatste maanden bracht ze in volmaakt evenwicht en diepe rust door. Ze overleed thuis, zoals ze het gewenst had. Gerda was helemaal verzoend en tevreden met wat haar relatief korte levenstijd haar geboden had. Die houding lag niet voor de hand na een leven in soms wankel evenwicht als gevolg van een erg traumatiserende kindertijd en jeugd. De innerlijke kracht, de onverstoorbare gemoedsrust, de waardigheid, het onwankelbaar evenwicht waarmee ze de diagnose aanhoorde, haar weigering om behandeld te worden en haar onwrikbare keuze voor zelfbeschikking, de gelijkmoedigheid waarmee ze de gestage aftakeling onderging, haar laatste dag, uur, seconde die ze heel bewust en omringd door haar geliefden beleefde, dit alles kan ik alleen maar zien als de vrucht van haar laattijdig spiritueel leven.

Weet dat Gerda de nuchterheid zelf was, totaal niet geïnteresseerd in religie of spiritualiteit. Dat was mijn winkel, zei ze altijd. Het katholiek geloof uit haar jeugd was allang voltooid verleden tijd en in een kerk kwam ze nooit meer, tenzij voor “grote momenten” zoals begrafenisdiensten of het doopsel en de plechtige communies van onze kinderen. Ze bood een luisterend oor wanneer ik over mijn zen-pad en andere spirituele ondernemingen vertelde, liet me mijn dingen doen, maar ook niet meer dan dat. Ons gezin vormde overigens een bont allegaartje aan overtuigingen. Vader zen-boeddhist, oudste zoon overtuigd atheïst strekking Richard Dawkins en Tjenne Vermeersch; jongste zoon werd op zijn 14de, in toen nog onverdachte tijden, moslim en moeder was, euh…, zelfs niet agnostisch, maar gewoon onverschillig.
En dan, zeven jaar vóór haar dood, overviel haar een authentieke verlichtingservaring. Ze wist niet goed wat haar was overkomen. Nooit had ze daar iets over gelezen en ze had geen idee wat dit moest voorstellen. Nadat ze hiermee enkele dagen had rondgelopen, sprak ze me aan. Ik zie het nog vóór me : ik, zittend aan de keukentafel, zij, bij het aanrecht staand. “Herman, ik moet je iets vertellen”. Oei, dit klonk ernstig. Ik wist niet wat ik hoorde ! Ze beschreef een eenheidservaring van de puurste soort, zo één uit de mystieke boeken die ze nooit gelezen had. Ik herkende onmiddellijk de waarachtigheid van de piekervaring die haar te beurt was gevallen. Daarna ontwikkelde ze, in alle stilte en volledig buiten mij en mijn aanbevelingen als ervaringsdeskundige om, eigenzinnig een spirituele praktijk. Dagelijks trof ik haar aan, voorovergebogen leunend op de diepvriezer in de garage, waar ze haar sigaretjes rookte. Toen ik haar vroeg wat ze daar toch altijd in die rare houding stond te doen, antwoordde ze : “bidden”. Jij? Bidden? Weesgegroetjes? Neen, dat niet. Ze vertelde dat ze in een verloren hoekje van – godbetert ! – het advertentieblad “De Streekkrant” van tussen de koopjes, de reclame en de immo een gebed had uitgeknipt: “Geloofd en geprezen zij het Heilig Hart van Jezus”. Ze vond “het” dus niet in mijn bibliotheek met die paar duizend “spirituele boeken”, maar in een ordinaire shoppingkrant ! Ook voor haar meditatie zocht ze geen inspiratie in mijn boekenkasten. Ze zou het trouwens nooit “meditatie” genoemd hebben, maar ze herhaalde wél dit kort gebed als een mantra, hoewel ze, net zomin als over verlichtingservaringen, iets van mantrameditatie afwist. Gerda ontwikkelde puur intuïtief een eigen meditatiepraktijk. Je hebt niet noodzakelijk een leraar of een traditie nodig om op Weg te gaan. Spirituele lectuur is geen must, soms volstaat een koopjeskrant. Gods wegen zijn… jawel. Gerda vertelde heel weinig over haar “oefeningen” zoals ze die noemde, maar dat hoefde ook niet. Ik zag immers hoe grote helende veranderingen zich zienderogen in haar voltrokken. In een mum van tijd vond ze een rustige vastheid en een zielenrust die ze nooit eerder gekend had. Was het geen wedergeboorte, dan toch een grondige reset of herstart. Mijn enige bijdrage bestond erin haar een afbeelding van Jezus te bezorgen die ze na haar oefeningen weer opborg onder het kleedje bovenop de diepvriezer. Aan haar bidplekje – die vierkante meter tussen onze geparkeerde auto en de ijskast – ontbrak elke sacraliteit. Typisch mijn no nonsense vrouw.
Met haar spirituele praktijk bemoeide ik me niet, maar ze stond er wél op dat ik bij ons dagelijks koffietafelmoment met mijn woorden navertelde wat ik die dag in Het Urantia Boek gelezen had. In juni 2012 botste ik immers in “De Slegte” op dit merkwaardig boek waar ik nog nooit van had gehoord. Een klepper van 2100 bladzijden, dun papier, waarin de schepping en de evolutie van het heelal en zijn universa, van de planeet aarde – Urantia – én van de mens uiteengezet wordt. Informatie die via channeling verkregen werd. Ik kocht het boek omwille van het omvangrijke vierde deel dat een biografie van Jezus bevat : “Het Leven en Onderricht van Jezus” (774 pagina’s !). Daarin wordt de verhaallijn gevolgd van Jezus’ leven zoals we die kennen uit de vier canonieke evangeliën, maar met invulling van de vele hiaten en leemtes, zoals o.m. zijn “verloren jaren” tussen zijn 12de en 30ste levensjaar. In het boek wordt het leven van Jezus van vóór zijn conceptie tot na zijn hemelvaart, tot in de kleinste details en bij momenten van dag tot dag en uur na uur beschreven, wat een extreme hoeveelheid fascinerende informatie oplevert. Dit Urantia Evangelie is overigens één van de drie boeken die ik zou meenemen naar mijn onbewoond eiland. (De andere twee zijn : “Herinneringen, Dromen en Gedachten” van C.G. Jung en “De Dagboeken van Etty Hillesum). Het Urantia Boek bevat niets dat in flagrante tegenspraak is met de bekende Blijde Boodschap of dat willekeurig van de fantasiepot gerukt leek te zijn. Op bijna elke bladzijde maakte ik de bedenking : “Maar ja, natùùrlijk, zó moet dat toen gegaan zijn! Logisch !!”. Dat het boek via channeling tot stand kwam maakte me niets uit. Ik was zo gegrepen door de figuur van Jezus dat ik gewoon “àlles” over Hem wou weten. Of die kennis nu bijbelwetenschappelijk verantwoord of esoterisch was vond ik onbelangrijk. Mijn enige criteria : klinkt het waarachtig en inspireert het mij. Iets kan waar zijn – wetenschappelijk, historisch – en iets kan waarachtig zijn. De toon van dit boek klonk waarachtig. Maandenlang las ik elke dag een fragment bij wijze lectio divina vóór ik mijn dagelijkse meditaties deed. De “evangelische koffiepauzemomenten” met mijn vrouw behoren tot de mooiste herinneringen. Die laatste zeven jaar van ons huwelijk waren misschien wel de beste van de halve eeuw die we samen waren en haar heengaan, in alle rust en dicht bij mij, was de sluitsteen daarvan. Dit was een grote troost, wat niet wegnam dat er een verscheurende rouwperiode volgde. De eerste twee à drie jaar waren heel zwaar. Daarna leek mijn leven weer in een stroomversnelling te komen. Tal van onverhoopte groeimogelijkheden boden zich aan. Ik sta er zelf van te kijken hoe er zich, op mijn leeftijd, nog nieuwe ontwikkelingen aandienen. En het vele alleen zijn biedt ook de kans om een redelijk contemplatief leven te leiden in mijn huis dat mijn kluis is, iets wat ik altijd al heb betracht.

Die laatste namiddag van 8 november 2014. Samen in de living waar ik een eenpersoonsbedje had geïnstalleerd waar ze zich voor eeuwig te rusten zou leggen. De kinderen en de kleinkinderen hadden afscheid genomen en nu waren we onder ons tweetjes, wachtend op de dokters die het verlossende infuus zouden aanleggen waar ze zo naar verlangde. Na al die jaren restte ons nog één uur samen. Uitgebreid praten lukte niet meer, want sedert weken kon ze alleen nog moeizaam fluisteren. Ik vroeg hoe ze zich voelde, zo dicht bij het einde. Ze wees naar haar rechterschouder en zei dat ze niet bang was omdat haar broertje Ivan sedert een paar dagen niet meer van haar zijde week. Dat broertje had ze nooit gekend, wat niet wegnam dat ze het in de loop der jaren regelmatig over hem had. Ivantje was als baby overleden anderhalf jaar voor Gerda’s geboorte. “Hij komt me halen en zal me de weg tonen”, zei ze. Dit sterfbedvisioen – ontmoetingen met overleden dierbaren die de stervende verwelkomen zijn kenmerkend daarvoor – rapporteerde ze met de haar zo eigen nuchterheid. Had ik geen vragen gesteld, dan had ze dit nooit verteld.
Dan belden de dokters aan. We namen afscheid met deze woorden : “Bedankt voor al het mooie, sorry voor al het andere, ik zie u graag”. Zelfverzekerd ging Gerda, die die ochtend haar mooiste kleren had aangetrokken en zich had opgemaakt, op het bedje liggen dat vlakbij de uitstalkast met haar verzameling mineralen stond. De naald werd in haar rechterarm ingebracht, wat niet zo vlot verliep. Ze onderging het allemaal stoïcijns. Ik nam plaats bij haar op bed en hield haar linkerhand vast. We wisselden nog enkele lieve woorden uit en toen brak haar blik in mijn ogen. Het was kwart vóór zes. Ik fluisterde in haar oor : “Ik zie u graag en goede reis”. Dan sloot ik haar ogen, bracht een opgerold doekje onder haar kin aan opdat haar mond waardig gesloten zou blijven en kuste haar op haar voorhoofd. Haar gezicht was ontspannen, verlost. Enkele uren later werd haar lichaam opgehaald. Het spijt me dat ik haar niet nog één keer thuis liet overnachten, zodat haar ziel zachtjes afscheid kon nemen van haar zo geliefde huis.
Gerda was erg bezorgd of ik het, praktisch gezien, wel alleen zou redden. Een handige Herman ben ik niet, laat staan de spreekwoordelijke Harry. Tijdens haar laatste maanden gaf ze me nog een spoedcursus huishoudkunde : wassen, plassen en koken. Vanuit haar bekommernis, belde Gerda tijdens haar ziekte – buiten mijn weten om en met de uitdrukkelijke vraag om er mij niets over te vertellen – niet onze beste vrienden, maar een spirituele vriendin van mij die ze zelf maar oppervlakkig kende en met wie ze ooit slechts één gesprek voerde. Ze verraste die persoon totaal met het verzoek “om na haar dood goed voor mij te zorgen”. De perfecte keuze, zo bleek. Zelf hield ze de eerste weken na haar dood ook mijn zeiltje in het oog. Haar aanwezigheid liet ze opvallend blijken via haar mobieltje. Je moet weten dat haar “obsessie” met telefoons bij ons thuis legendarisch was. Ik ben de tel verloren van het aantal vaste toestellen dat elkaar in snel tempo opvolgde, telkens met een of andere nieuwe functie. Vast toestel beneden, eentje boven en dan heb ik nog niet over het drietal draadloze telefoons. We hadden hierover wel ‘s een echtelijke aanvaring. Uiteraard was ze bij de eersten om zich een gsm aan te schaffen en een smartphone zou ze geweldig gevonden hebben.
Jaren porde ze me aan om me ook een gsm aan te schaffen, maar dat interesseerde me niet. Na haar dood drongen mijn kinderen eropaan haar toestel te gebruiken. Nu ik alleen leefde was het voor hen een geruststelling voor mocht me iets overkomen. En zo had ik in 2014 uiteindelijk toch nog mijn eerste mobieltje. Een smartphone hoef ik niet wat ik ben smart van nature. Door middel van haar/mijn gsm communiceerde Gerda met mij vanop de Overzijde. Wanneer ik ’s avonds tv zat te kijken, lag het mobieltje naast mij op de salontafel. Regelmatig lichtte het schermpje spontaan op, zonder dat de beltoon overging. Soms rinkelde het, maar er was niemand aan de lijn. Dan weer floepte het zoeklampje spontaan aan en slaagde ik er niet meteen in het te doven. Af en toe vergrendelde het toestelletje zichzelf zonder mijn tussenkomst. “Kom je me weer plagen en een goeienavond wensen?” vroeg ik dan. Dat ging zo enkele maanden door. En op een avond gaf het mobieltje de geest, zomaar, kapot, defect.
Dat spontaan telefoongerinkel bij een overlijden was ons overigens al eens eerder overkomen, op de ochtend dat haar moeder overleed. We lagen nog in bed en hoorden omstreeks 5 u de telefoon, beneden in de living. Dat zou het ziekenhuis zijn met slecht nieuws. Ik stormde de trappen af en nam de hoorn op : niemand. Bij Gerda’s broer deed zich op datzelfde moment precies hetzelfde voor. Pas rond 8 u belde het ziekenhuis dat mijn lieve schoonmoeder overleden was. Als ultiem teken van overleven had ze een telefoontje gepleegd. Pas op haar begrafenis – 30 jaar na de dood van jaar man – ontdekten we, puur bij toeval, het kruis-, zerk- en naamloos graf van Gerda’s vader. Nooit had ze geweten waar hij begraven was. In extremis legden we nog bloemen op de rechthoek van aarde, want een paar weken later al werd die sector van het kerkhof geruimd. Je kan het nooit zo verzinnen, maar het Toeval schikte het zo dat pal naast de laatste rustplaats van schoonmoeder iemand in een eveneens naam- en zerkloos graf begraven werd… Alsof zij in de dood vooralsnog met haar echtgenoot werd verenigd.
De nieuwe gsm die ik me kocht – een elementair Nokiaatje – gebruikte ze niet meer om “tekens van leven” te geven. Voortaan deed ze dat door middel van vlinders. Niet toevallig, want “vlinder” was a.h.w. haar totem. Ze hield van “flieflotters”, zoals vlinders in ons West-Vlaams dialect genoemd werden. Prachtige onomatopee in vergelijking met het nietszeggende, Engelse “botervlieg”. Her en der in het huis had ze prachtige papieren en zijden vlinders op de muren geprikt. Op onze slaapkamer alleen al hing er een zevental op en rond ons bed. Met vlinders bedrukte bloesjes en T-shirts, juweeltjes. Na een vakantie in Turkije raakte ze maar niet uitgepraat over een blauwe reuzenvlinder die tijdens een boottocht langdurig op haar hand kwam zitten. Na haar dood begon ik plots op straat – neen, geen hartjes dit keer – vlinders te vinden, in alle maten en gewichten en van allerlei materiaal en kleur. Bijna altijd vind ik die onderweg naar of op het kerkhof zelf, waar ik wekelijks haar graf bezoek. De hierbij gevoegde foto’s van de haarspeld en de diadeem, die ik aantrof bij de poort van het kerkhof, zijn er twee uit mijn verzameling.

Ontmoetingen met levende vlinders waren er ook, maar minder opvallend. Behalve die keer toen er een zeldzame koninginnepage op haar grafsteen zat. Sedert mijn kindertijd in de jaren ’50 had ik er niet één meer gezien, uitgezonderd die keer in augustus 2003. Die dag deed ik zoekwerk in het Stadsarchief Oudenaarde, waar ik de voorbije 30 jaar ontelbare uren met vader had doorgebracht, zoekend naar onze voorouders. Tijdens de middagpauze maakte ik een wandelingetje rond de abdij van Maagdendale, waar het archief is ondergebracht; een koninginnepage kwam naar me toe gevlogen en cirkelde rond mijn hoofd. Ik wist meteen dat vader, die toen gehospitaliseerd en erg ziek was, spoedig zou sterven. Drie dagen later overleed hij. Ook die keer had vlinder met dood te maken. Dat hoeft niet te verbazen; “psyche” betekent in klassiek Grieks immers “vlinder”. Vlinder stond voor levensadem, briesje. Onder Romeinse invloed evolueerde de betekenis en symboliseerde “vlinder” de ziel. Men stelde zich voor dat de ziel bij overlijden, zoals het Egyptische levensbeginsel “Ka”, het lichaam verliet als een zuchtje lucht dat de vorm aannam van een vlinder.
Ook via dromen communiceerde Gerda postuum, met mij, met haar jongste zoon met wie ze heel close was, en met zijn zoontje. De eerste maanden na haar dood droomde ik tientallen keren van haar. De meeste dromen kaderden duidelijk in het rouwverwerkingsproces. Enkele echter sprongen eruit door hun grote helderheid en levendigheid en het ontbreken van een typisch droomverhaal. Hun realiteitsgehalte was bovendien zeer hoog. In deze dromen zag ze er weer uit als in haar dertiger jaren. “In de fleur van haar leven” : een typisch kenmerk van overledenen dat ook bij nabij-de-dood-ervaringen gemeld wordt. Onmogelijk om er hier in dit kort bestek dieper op in te gaan. Toch wil ik één droom vermelden die onze geliefde schoondochter had, vijf dagen na Gerda’s dood. Ik verwerkte deze droom in de rouwrede tijdens de begrafenisdienst. “Moeke ligt op haar sterfbed in de living. We zijn allemaal aanwezig. Ze is echter niet dood, ze slaapt. Dan wordt ze wakker, staat op en stapt tussen de planten door naar de tv-kast. Daar ligt een voorwerp dat ze per se bij wil hebben voor de grote reis die ze zal maken: een gouden staf, bezet met diamanten en robijnen. Het dressoir ligt afgeladen vol met cadeautjes, juwelen en andere kostbaarheden. “Die zijn allemaal voor jullie”, zegt ze. Dan maakt ze zich klaar en zegt dat het nu tijd is om voor de Grote Waarheid te verschijnen”.

In de alledaagse werkelijkheid liet Gerda eveneens boodschappen achter die me nog dierbaarder zijn danal die “magische” voorvallen. In onze keuken hangt een maandkalender. Ze overleed begin november en toen ik eindelijk dat heilloze ‘maand-blad’ kon omslaan, werd ik verrast door deze woorden die in het datumvierkantje van mijn verjaardag in december geschreven waren : “Ik zie je graag xxxx”. Ik had het niet meteen gezien, maar ook op de bijbehorende illustratie voor december stond in haar handschrift: “Goede morgen lieve jongen xxxx”. Toen ik vier weken later het ‘maand-blad’ voor januari 2015 opsloeg, had ze op het hart dat erop stond afgebeeld geschreven: “Ik zie je nog altijd graag xxxxxxxxx”. Tekens van leven en liefde, voorbij de Poort van Herinnering, uit het Land van de Grote Waarheid.
Herman Meirhaeghe