Ken je nog deze song uit 1986 van wijlen Chris Rea? Ongetwijfeld zal die ook dit jaar met Kerst op de playlist van radioprogramma’s staan. Een evergreen zoals hulst in wintertijd. De ruiten van zijn wagen aangeslagen van kerst-ge-mis en verlangen. In weerwil van mezelf word ik altijd week van zijn raspstem “It’s gonna take some time, but I’ll get there; top to toe in tailbacks; oh I got red lights all around; but soon there’ll be a freeway, yeah; get my feet on holy ground”. Zijn jullie in deze kersttijd ook onderweg naar “heilige grond”? Of beperkt het kerstgebeuren zich tot een warm, maar ontkerstend familiefeest? Stierf het Kind de kribbedood, bedolven onder de vele kerstcadeautjes en de kerstkaartjes? Is het Innerlijk Licht nog zichtbaar onder de overkill aan veelkleurige lichtjes in de feestelijke etalages en de winkelstraten van de stad? Is de Stille Nacht nog hoorbaar achter het gejingel van bellen all the way. Kerstkalkoen, kerststronk, kerstboom, kerstkrans, kerstfilms, kerstmarkt, kerstman die langs gevels klautert, roodneusrendier Rudolph (van de gloeiwijn misschien?) uit het Hoge Noorden die verloren loopt in betonland, ook dat is Kerstmis, maar voor mij mag het iets méér zijn. Of beter, iets minder.
Met enig heimwee denk ik terug aan mijn kindertijd in de jaren ’50. Aan het begin van de advent bouwde vader in een hoek van mijn speelkot, op een wankele tafel die twee wereldoorlogen had overleefd, een berglandschap: het decor waarin de kerstfiguranten werden uitgestald. Dat rotsgebergte maakte hij van de binnenzijde van grote papieren zakken waarin dierenvoer gezeten had. Met dit stevig bruin papier kon je makkelijk bergen en dalen boetseren. Her en der legden we plukken sneeuwwitte watten, plakken mos die we van het dak haalden en hulsttakjes van de grote struik die naast de toegangspoort stond van een boerderij in de buurt. In een rotsholte, die een grot moest voorstellen, plaatste ik dan het stenen mini kribbetje met Jezeke op knalgeel stro, vader Jozef, moeder Maria, de melkwitte os en de kiezelgrijze ezel. In de buurt van de grot hield een drietal in schapenvachten gehulde herdertjes – één goed herdertje droeg een lammetje in de nek – “vol trouwe de wacht”. Hogerop, in de verte, stonden Balthazar, Melchior en Gaspar geduldig te surplacen tot Dertiendag of Driekoningen. Vader maakte ook een staartster die hij aan een draad boven de grot ophing. Daaronder hing een blauwe engel met een witte banderol waarop in rode letters geschreven stond: “Gloria In Excelsis Deo”. Eer aan God in den Hoge. Daar bad ik mijn weesgegroetjes, liefst in de vrieskou. Dan voelde ik me immers dichter bij de Jezus uit het kerstliedje : “Hoe leit dit kindeke hier in de kou; Ziet eens hoe alle zijn ledekens beven”. Mijn bibberen was bidden. Het was me uiteraard verboden om er mijn gekleurde spiraalvormige kaarsjes aan te steken. Ik deed het toch, met als gevolg dat half Bethlehem in de fik stond. Brandende devotie? Die kleine postuurkes bezit ik nog altijd. Ik stal ze elk jaar met Kerstmis uit op mijn werkkamer.
Hebben jullie ook het kerststalletje met bijbehoren weer uit de kast gehaald? Ikke wel. Hoewel, een klassiek stalletje is het niet, gewoon vijf beeldjes in halfdoorschijnend melkglas. Die staan op een ronde spiegel op het dressoir. Het Kind centraal in de kribbe. In een cirkel er omheen: Maria, Jozef en de Drie Wijzen, die wat vroeger gearriveerd zijn dan voorzien. Hun geschenken symboliseren de levensopdracht van de boreling : goud voor innerlijk koningschap; wierook voor spiritueel leraarschap; mirre voor de genezer.

Ik had altijd al moeite om de verwachtingsvolle aanlooptijd naar Kerstmis dag na dag spiritueel te beleven. Tot ik twee jaar geleden plots een inval had om een en ander vorm te geven. Aan het kersttafereel voegde ik een atypisch element toe : een “gouden” beeldje van zo’n typisch Chinese, kale, taoïstische zwerver met lange baard en pelgrimsstaf. Of is het een woestijnheilige, een heremiet die zijn grot verliet – voorgesteld door een zandroos uit de mineralenverzameling van wijlen mijn vrouw – en onderweg is naar Kerstmis. Die “mens van de Weg” ben ik zelf, driving home for Christmas. Met ruim 30 groene keitjes – het lijken wel doopsuikerbonen voor de pasgeborene – legde ik een slingerpad aan, van aan zijn grot tot bij kribbe. In de Vastentijd maak ik een gelijkaardig pad naar Pasen met 40 van diezelfde groene keitjes. Tijdens de advent mediteer ik niet meer op mijn werkkamer, maar neem ik plaats in de living vóór het dressoir met deze installatie. Bij het begin van mijn ochtendmeditatie – het is dan nog donker in huis – steek ik een theelichtje aan dat doorheen de vijf figuren straalt, als worden ze van binnenuit verlicht. Elke dag schuif ik de pelgrim één keitje richting Kerstmis. “Adventus”, Latijn, betekent : “aankomst”, maar ook “nadering”. Dag na dag nadert hij zijn bestemming; op 25 december zal hij aankomen bij het Kind van Licht. Mijn geschenk? De lege, beschikbare kribbe van mijn hart.

Meditatie is een tijd van wachten. De mantra die we bij de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie gebruiken is “maranatha”. Dit Aramees bijbelwoord betekent: “Kom Heer Jezus” of “Onze Heer is gekomen”. AIs dit niet een advents- en wacht-woord bij uitstek is? Mediteren is nu een half uurtje op heilige grond zitten wachten, samen met die jonge vrouw, die ook in verwachting is. Beiden in blijde verwachting van de Blijde Boodschap.
Herman Meirhaeghe