mi corazon vagabundo

Zo’n twee jaar zal ik geweest zijn – ik ging nog niet naar de kleuterklas – toen ik voor het eerst de spreekwoordelijke wijde wereld introk, alleen. Moeder en grootmoeder vertelden vaak over dit voorval, omdat ze erg ongerust waren geweest. Een paar jaar eerder was mijn neefje, die drie huizen verder woonde, immers als kleuter verdronken in de aalput terwijl zijn vader beer voor de moestuin uitvoerde. Ik speelde buiten op het erf achter ons huis en was plotseling onvindbaar. Een zoektocht in de koterijen leverde niets op. Ze riepen mijn naam, geen antwoord. Tante M, moeders zuster die schuin over mijn ouderlijk huis woonde, poetste de vensters van de kamers op de eerste verdieping. In de verte zag ze een witte krullenbol boven het hoge gras uitsteken. Zou dat Hermanneke kunnen zijn, zo ver van huis? Voor alle zekerheid verwittigde ze moeder. Ja, dat moest ‘m zijn, want ze zochten ‘m overal ! Plots stonden drie zeer verontruste vrouwen bij me. Alleen de wereld in trekken mocht blijkbaar niet; je deed er de thuisblijvers verdriet mee. In de greppels langs de rand van korenakkers en weiden was ik afgedwaald richting spoorweg, een kleine kilometer verder. Ik herinner me nog de drukkende hitte, de zanderige aarde, het koren dat groter was dat ikzelf, de klaprozen, de blauwe korenbloemen, de zoemende insecten. Mijn doel : ik wou de denderende goederentrein met zijn lange witte rookpluim eens van dichtbij zien passeren. Die “marchandise” die elke dag kort voor de middag een paar luide stoomfluitsignalen liet horen toen ze de onbewaakte overweg kruiste. Een geluid dat bij mij als kind al heimweemoed opriep, een gevoel waar ik toen nog geen woord voor had. Was het verlangen naar avontuur achter verre horizonten? Of was het afscheidspijn? Op die beide sporen rijdt een trein door onze ziel. Tweeënzestig jaar later reden mijn vrouw en ik op een lenteochtend naar het ziekenhuis waar ze de diagnose kanker kreeg waaraan ze zes maanden later zou overlijden. Op de autoradio werd een hitje uit 1962 gespeeld: het melancholische “J’entends siffler le train” van de Franse zanger Richard Anthony. Een betekenisvol moment want dit was altijd ons ultieme afscheidschanson geweest. Toen we het in de auto hoorden, zeiden we niets, keken voor ons uit, maar wisten allebei dat er straks een fataal verdict zou vallen. “Que c’est loin où tu t’ en vas; auras-tu jamais le temps de revenir? Mais je sens que maintenant tout est fini; j’ entendrai siffler ce train toute ma vie…” 

Sinksenkermis in het dorp 1960. Ik ben tien jaar oud en mag 20 frank zakgeld opdoen. Vier stukken van 5 frank in mijn broekzakje. Met één ervan kocht ik een voorraad klappertjes voor mijn cowboypistool en een schep zuurtjes in pastelkleurig hostiebrood. Daarna stapte ik resoluut de krantenwinkel binnen. Ik telde de drie resterende geldstukken op de toonbank en vroeg naar het nieuwste album van mijn meest geliefde stripauteur, Marc Sleen : “De zoon van Nero”. Ik liet de kermis haar rondjes draaien en fietste snel naar huis om in de zetel naast de platte buiskachel het album te verslinden.  “Adhemar”, zo heette de geniale zoon van Nero. Niet Marc of Luc of Paul, zoals mijn klasgenootjes, maar Adhemar, naam die hij overigens zelf meteen koos. Een ouwelijke naam, vond ik, een uit de jaren 1800, uit de tijd van mijn grootvaders en grootooms. Net zoals ik, was Adhemar een enige zoon, maar een genie zoals hij was ik niet.  Van bij de geboorte was duidelijk dat Adhemar een geleerde professor zou worden, wat zeg ik, hij was het reeds! Zijn bovenmaats hoofd op zijn babylijfje alleen al wees erop dat hij een Breinstein was. Wanneer vader Nero zich over het wiegje buigt en zijn één dag oude baby toespreekt in het typische brabbeltaaltje – “a dada mijn klein boeleboeleke” – stijgt uit het wiegje dit praatballonnetje op : “Kom, doe niet zo kinderachtig, spreek beschaafd”. De boreling prefereert de pijp boven de fopspeen, bier boven moedermelk. Vier dagen oud en Adhemarke, die duidelijk een groeistoornis heeft – hij werd nooit groter dan een kleuter – trekt de wereld in. Hij wordt door Sleen afgebeeld als de typische zwerver of pelgrim : stok over de schouder met daaraan het doek geknoopt met zijn nooddruft. Madam Nero huilt dikke tranen. Vader Nero vraagt: “Waar is Adhemar?”  Ze snikt : “Weg ! Hij wou de wereld zien, zei hij”. “Hij heeft een paar boterhammen in een rode zakdoek met witte bollekens geknoopt en is op weg getogen”.  “Kom kom !  Hij is pas vier dagen oud !” En daar loopt Adhemar op zijn blote voetjes over de kasseien. De stok met de knapzak over zijn schouder.  Veiligheidsspeld in zijn luier.  Slabbetje om de nek. Aan een kleerkast van een vent vraagt hij : “De weg naar China meneer?”  “Zorg dat ge vlug aan moeders rokken hangt, mormel, of ik zet uw kop tussen twee oren”.  Adhemar laat de beteuterde kolos achter met een blauw oog.  Hij zucht tegen het rioolrooster: “Ik wist niet dat de wereld zo groot was! En ik ben nog maar twee straten ver !” Hij loopt Petoetje tegen het lijf. “Adhemarke ! Naar waar gaat ge?”  “Zeg maar Adhemar. Uw mond zal niet scheuren. Ik trek de wereld in maat. Zien wat er te zien is. Bombay, Sumatra, een stukske van Brazilië en Kaap de Goede Hoop”. 

De pelgrim neemt alleen het allernoodzakelijkste mee. Traveling light, lijkt de boodschap wil hij vooruit geraken. Is een slak zo traag omdat ze haar huis op de rug meedraagt? Gaat schildpad een slakkengangetje vanwege dat zware pantserschild waarin ze woont en dat ze overal met zich meesleept?  Jezus en Boeddha waren straatlopers van het soort dat huis, hebben en houden achterliet. De Boeddha liet vrouw en kind, zijn prinsenstatus, zijn luxueus leventje en zijn paleis achter. Jezus zei aan zijn leerlingen, die al hun gezin en hun job hadden verlaten  : “Neem niets mee voor onderweg. Geen stok, geen reistas, geen brood, geen geld en geen extra kleren, geen sandalen”. Gemakshalve lezen wij, honkvaste huisdieren, deze opdracht van Jezus in overdrachtelijke zin, maar Hij bedoelde het wel letterlijk. Beide wijze avatars kregen massa’s supportersachter zich aan die binnen de kortste keren van de eenvoudige Goede Boodschapeen loodzware filosofische of theologische rugzakfabriceerden en een megaconstructie bouwden waarin het moeilijk is zich nog echt thuis te voelen.   Ook Sint-Franciscus leefde een tijdlang als vagabundus. Als een vagebond, van het Latijn “vagari” of rondzwerven, iemand die geen vaste woonplaats heeft. Een ander soort zwervers waren de vaganten, die van de ene universiteit naar de andere, van het ene dorp naar het andere trokken en in hun liederen maatschappijkritiek leverden en liefde, wijn en spel bezongen.  Hoe dan ook, om op weg te gaan, moet je twee dingen doen: je huis – je gewoonten, je verleden, je zekerheden – achterlaten, en met je zware harnas ook je onkwetsbaarheid afleggen. 

De pelgrim met staf en knapzak duikt ook op in een ander beroemd beeldverhaal :  “De Tien Plaatjes van de Ossenhoeder” (zie illustratie). De tien van tekst voorziene tekeningen stellen de tien stadia van het spirituele pad van Ontwaken voor. Ze werden in de 12de eeuw door een Chinese zen-boeddhistische meester ontworpen en worden vooral in het Japanse zen-boeddhisme gebruikt. De onrustige menselijke geest – onze monkey mind – is als een aap die van tak naar tak door de jungle van ons bewustzijn springt en constant verleid wordt om ergens anders te zijn dan nu en hier. Die ongedurige geest wordt ook gezien als een moeilijk te temmen tijger, een wild paard of, in dit geval, een os.  De reeks van tien afbeeldingen wijst de weg vanaf het moment waarop we ons bewust worden dat er zoiets als een dieper of hoger inzicht bestaat, tot aan de toepassing van dit inzicht in het dagelijks leven. Dat parcours van tien etappes of stadia verloopt als volgt : 1. het zoeken van de os; 2. het ontdekken van zijn pootafdukken; 3. het zien van de os; 4. het vangen van de os;  5. het temmen van de os; 6. de rit naar huis op de rug van de os; 7. het vergeten van de os; 8. de os en de mens zijn allebei vergeten; 9. de terugkeer naar de oorsprong; 10. onderweg naar de marktplaats van het dadelijks leven. De tekst bij het tiende en laatste plaatje met de goedlachse, rondbuikige zwerver luidt als volgt :  “Blootvoets en mijn borst ontbloot begeef ik mij onder de mensen in de wereld.  Mijn kleren zijn gescheurd en zitten onder het stof en ik ben altijd gelukkig. Ik wend geen toverkunst aan om mijn leven te rekken. Nu komen voor mijn ogen de dode bomen tot leven”. De zwerver staat hier dus niet aan het begin van zijn weg, maar helemaal aan het einde, dat een nieuw begin inhoudt. Als een nieuwe, ontwaakte Mens van de Weg trekt hij de wereld in. Altijd onderweg naar hier en nu, als een soort mobiel surplacen.

Nog zo’n zwerver met stok en knapzak is de Dwaas of de Zot uit het Rider-Waite tarot kaartspel. Hij is wel een stuk beweeglijker dan zijn halfbroertje, “The Fool on the Hill”, die The Beatles  bezongen op hun “Magical Mystery Tour”: “Day after day, alone on a hill, the man with the foolish grin is keeping perfectly still, but nobody wants to know him, they can see that he’s just a fool, and he never gives an answer, but the fool on the hill, sees the sun going down, and the eyes in his head, see the world spinning ‘round; well on the way, head in a cloud, the man of a thousand voices, talking perfectly loud, but nobody ever hears him, or the sound he appears to make”. Ook de Tarot-Dwaas lijkt onderweg op een Magical Mystery Tour. Hij is de wijze die door de verdwaasde wereld als een dwaas wordt gezien. De Zot is niet de losgeslagen gek, maar de reine dwaas, zoals Parsifal, altijd onderweg, op queeste naar de Heilige Graal. In 1973 maakte ik kennis met het tarot-orakel via mijn ‘esoterische’ vriend Marc S. Toen hij de 22 kaarten van de Grote Arcana op de tafel uitspreidde, was ik meteen onder de indruk van die met symboliek beladen voorstellingen die archetypen of archetypische situaties uitbeelden. Mijn Latijn was nog paraat genoeg om te weten dat arcanum “geheim” betekent en dat ademen de kaarten ook uit.  Wat betekenden ze in godsnaam? Elke kaart van de Grote Arcana heeft een naam en een nummer van 0 tot 21 en toont één of meerdere menselijke figuren, omgeven door symbolen uit de astrologie en/of de Hermetische kabbala. De Dwaas draagt het cijfer “nul” en kan zowel aan het begin of aan het einde van de serie geplaatst worden. Hij is dus overal en nergens thuis; het begin en einde van alles. Vandaag de dag plaatst men de Dwaas meestal aan het begin van de reeks. Vroeger was dit de laatste kaart van de Grote Arcana en ik denk dat dit, naar analogie met het laatste Ossenhoedersplaatje, de juiste plaats is. 

Het duurde tot 1988 tot ik zelf een tarotspel bezat. Ik kreeg het cadeau van collega en vriend René L., met  wie ik mijn passie voor de kosmische Fantasy & Horror-auteur H.P. Lovecraft deelde. Nooit begrepen waarom hij me dat zomaar gaf, er was immers geen speciale gelegenheid of aanleiding daartoe. Vanaf dat moment begon ik er af en toe mee te werken. Dit orakelspel leek me veel beter te liggen dan de I Tjing, het Chinese orakel. Ik raadpleeg de kaarten enkel wanneer ik écht belangrijke beslissingen moet nemen of bij speciale gebeurtenissen, nooit bij wijze van tijdverdrijf of om futiele of banale redenen. Dan vraag ik niet zozeer een concreet antwoord op mijn vragen, als wel een second opinion. “Wat denk jij hierover? Wat betekent dit voor jou? Hoe zou ik dat kunnen aanpakken?”. Heel soms leg ik de kaarten op vraag van vrienden of familieleden, op voorwaarde dat het om een ernstige kwestie gaat. Je kan een wijze niet lastig vallen met trivia. Ook bij de jaarovergang raadpleeg ik de tarot: op Oudejaarsavond iets vóór middernacht of op de ochtend van 1 januari. Dan trek ik één jaarkaart plus twaalf maandkaarten. Die twaalf kaarten doen me denken aan de tien plaatjes van de Ossenhoeder : ze vormen ook een pad, een traject, met een aantal tussenstations.  De Dwaas is altijd mijn favoriete kaart geweest. Een kopie van de kaart staat ingekaderd op mijn schrijftafel en er zit er eentje in mijn portefeuille. Ooit maakte ik er ook een waterverfje van. 

Aardse beperkingen lijken slechts geringe macht te hebben over de androgyne jongeman die met lichte tred door het hooggebergte met de besneeuwde pieken naar de rand van een afgrond stapt. Is dit de berg Thabor? Plaats van Jezus’ verheerlijking waar Zijn gezicht begon te stralen en Zijn kleren wit werden als licht en waar de Stem uit de wolken deze woorden sprak: “Dit is mijn enige zoon”. Opent zich, voorbij de rand, het Dal van Hinnom, waar de gebleekte botten en de gebarsten schedels van Zijn profetische voorgangers op Hem wachten voor een knekeldans? De limborock.  Achter de Fool schittert de zon die de hemel goudgeel kleurt. Schiet ze hem in de rug, sneller dan zijn schaduw die reeds diep in het ravijn is gevallen?Boven een wit onderhemd draagt hij een groen kleed dat rood gevoerd is. Laurierkrans in het goudblonde haar, wuivende rode pluim op een zwart keppeltje. Laurier als symbool van overwinning.  Laurier dat door het orakel van Delphi werd gebruikt om voorspellingen te doen. Goudgekleurde legging en dito laarsjes. In de ene hand houdt hij een witte roos. Gaat zijn weg over rozen?In zijn rechterhand de reisstaf die op zijn rechterschouder rust. Daaraan hangt zijn rood reistasje dat slechts het allernoodzakelijkste kan bergen. Het gezicht van de Dwaas spreekt van extase.  Ziet hij de dieperik niet die één stap verder gaapt.  Zijn metgezel, een vrolijk hondje met witte vacht, springt tegen hem op. Wil het zijn baasje duidelijk maken dat hij te pletter zal storten? Is Dwazemans doof voor het geblaf? Heeft dit blindemannetje wel een geleidehond vandoen? Of kan hij op lucht wandelen, zoals de Mensenzoon op water?  Vertrouwt hij erop dat engelen hem zullen dragen, zoals Mattheus 4 vertelt: “Vervolgens nam de duivel hem – na zijn veertigdaagse vastentijd in de woestijn – mee naar de heilige stad en zette hem op het hoogste punt van de tempel. Hij zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: Zijn engelen zal hij opdracht geven om u op hun handen te dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen’. Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: Stel de Heer, uw God, niet op de proef’”.  Stelt de Dwaas God op de proef?

De klassieke duiding van deze kaart gaat als volgt. De Dwaas is het kind in ons, verwonderd, ontvankelijk, naïef, levenslustig. Hij staat voor de chaos waaruit het nieuwe ontstaat en voor zorgeloze openheid, vrij van vooroordelen. De Dwaas is de kommerloze, vol onschuld en nog helemaal blanco, een onbeschreven ziel. Wanneer Dwaas zich aanmeldt in je kaarten, betreed je met verbazing en zonder verwachtingen een nieuw levensterrein. Hij kan ook wijzen op idiote, wonderlijke en bijzondere gebeurtenissen of onverantwoordelijk gedrag. De Dwaas wijst op vernieuwende ervaringen die vaak chaotische trekjes hebben maar die niet echt gevaar inhouden. De kracht van de Dwaas ligt in het vertrouwen op je instincten – het hondje dat tegen hem opspringt –  die je voor de grootste gevaren beschermen. Gedreven door nieuwsgierigheid kan je weg dan leiden naar hogere doelen die nog onzichtbaar zijn. De Dwaas zegt dat je aan het begin staat van een nieuwe opdracht of dat je een nieuw werkterrein betreedt. Je doet dit zonder voorkennis maar wel met grote nieuwsgierigheid. Je bent bereid om je overal voor open te stellen en je zonder voorbehoud vertrouwd te maken met nieuwe taken. Op het niveau van bewustzijn staat deze kaart voor het wonderlijke en het verbazingwekkende. Hij is de geest die op zoek is naar ervaring. Verleden jaar, 2021, was El Loco mijn jaarkaart en de “voorspelling” kwam uit, helemaal op ’t einde van ’t jaar.  Daar heb ik het een andere keer over. In deze tarotkaart zie ik ook een parallel met zen-koan 46 uit de Mumonkan (Mu betekent ‘niets’, neen; mon : ‘poort’; kan : ‘barrière’) of de Poortloze Poort : “Meester Shisuang zei : “Je zit de op de top van een honderd meter hoge paal. Wat is je volgende stap?” Een andere meester zei: “Wie bovenop een honderd voet hoge bamboepaal zit, is er nog steeds niet. Laat de top los en je lichaam zal zich vrijelijk in de tien richtingen bewegen”. Zo zal ook de tarot Dwaas de volgende stap zetten. Een stap in het ijle, in het eeuwige, in het Niets. Wat gebeurt er als je grond onder de voeten verliest? 

De joker uit het gewone kaartspel wordt ook de “wild card’ genoemd. Hij representeert elke andere kaart in het spel en kan overal ingezet worden, zoals de Dwaas in elk van de tarotkaarten aanwezig is. Dat kan alleen maar omdat hij leeg is van zichzelf. En leeg zijn van zichzelf is vol zijn van Alles. Uit de pakjes met nieuwe speelkaarten mocht ik als kind de joker halen. De kaarters in het grootouderlijk café hadden dit tweelingbroertje van de Dwaas immers niet nodig. Hij mocht niet meespelen in het spel van bieden en troeven. Dat begreep ik niet want ik vond de joker veruit de mooiste kaart. Of speelt hij bewust het spel niet mee? Ik verzamelde de overscharige jokers in een plakboekje.  De buitelende nar, met zijn zotskap, zwaaiend met zijn zotskolf, rinkelende belletjes aan zijn zotskap en aan zijn stervormige kraag en zijn stervormig rokje.  “Bien sonné” of “goed gek”. Hij is Momus, de spottende zoon van de nacht die god noch mens spaart, dansend bovenop de wereldbol die hij aan zijn puntige laarsjes lapt. Hij zaait handenvol speelkaarten.  De kaarten die het lot ons toebedeelt en waarmee we het moeten doen. 

Pelgrims zijn zwervers met een spiritueel doel. In vroegere tijden werden misdadigers veroordeeld tot een pelgrimstocht: naar Rome, Compostela of zelfs naar Jeruzalem. De afstand varieerde naar gelang van de ernst van hun misdaad. Die boetetochten naar verre bestemmingen waren een verkapte terdoodveroordeling. In die dagen was zo’n onderneming immers erg onzeker en risicovol en weinigen keerden behouden terug. Vandaag is dat wel anders. Prototype van de hedendaagse pelgrim is de Compostela-ganger. In een veel jongere versie van mezelf had ik dat misschien aangedurfd, als ik het al had aangekund. In de herfst van 2017 botste ik bij toeval op dit thema. Het leverde één van mijn mooiste vondsten ooit op Tijdens een tussenstop op een solitaire fietswandeling langs een smal groen wegeltje viel mijn blik op een pin die vastgeprikt zat in een houten weidepaal.  Hij stelde een Camino-pelgrim voor : kromstaf met kruikje, mantel en typische hoed (zie illustratie). Wie had die daar, in het midden van nergens, achtergelaten? En waarom? Om door mij gevonden te worden, blijkbaar. 

De Dwaas mag dat al mijn lievelingskaart en mijn dharma-naam “mens van de weg” zijn, een Wandervogel, zwerver of wereldreiziger ben ik niet.  Ik heb niet meer die onbevangenheid van de peuter die zorgeloos op stap ging. Eerder herken ik me in Adhemarke die, amper twee straten ver, al zucht dat de wereld te groot is voor hem. Mijn hoogsensitieve bedrading belet mij om continenten te bereizen. Mijn dagelijkse zwerftochten beperken zich noodgedwongen tot altijd weer dezelfde de straten van de stad. Maar dat levert bijna dagelijks wondertjes op: het vinden van talloze hartjes en per maand gemiddeld 11 euro-muntstukjes die ik “pennies from heaven” noem. Knipoogjes van God. Straatlopen is ook een uitstekende gelegenheid om innerlijk mantra’s te reciteren of te zingen op het ritme van mijn stappen. Neen, ik ben niet de Sagittarius die het reizen in het bloed zou hebben. Tenzij het gaat om spirituele wegen. Mijn beperking dwong me ertoe onvermoeibaar innerlijke werelden en andere en werkelijkheden te exploreren.  

Op een middag, voorjaar 1968, was ik als laatstejaarsstudent in de recreatiezaal van het college aan ‘t “tafelvoetballen”. Boven de ambiance uit klonk de nieuwste hit van The Beatles: “Lady Madonna”. Meteen daarna werd het nummer van de B-kant gedraaid : “The Inner Light”. Niet Paul of John maar George nam de zangpartij voor zich. Dat hij het nummer had aangebracht was meteen duidelijk aan de Indiase instrumentatie. George Harrison was immers in de ban van Indiase muziek en spiritualiteit. De tekst was totaal atypisch voor een popsong. Ik hoorde “de stille Beatle” deze mysterieuze woorden zingen. “Without going out of my door; I can know all things on Earth; without looking out of my window; I could know the ways of Heaven; the farther one travels; the less one knows; arrive without traveling, see all without looking; do all without doing”.   Zonder de deur uit te gaan kan je alle dingen op de wereld kennen? Zonder uit je venster te kijken, kan je de hemelse wegen doorgronden? Hoe verder je reist, hoe minder je weet? Reizen zonder aankomen? Zien zonder kijken? Doen zonder doen? Wat was me dat allemaal? Wat moest ik hiervan denken? De diepe mystieke, non-dualistische boodschap ontging me volledig. Door mijn linker hersenhelft raasde immers de revolutionaire geest van Mei ’68 en ik had net nog een grote “Leuven Vlaams” betoging georganiseerd voor alle scholieren van Tielt. ‘In een rapke’ moest ik nog de oude wereld slopen en een nieuwe opbouwen, en hier werd gezegd dat we rustig in ons kot mochten blijven? Wat voor kleinburgerlijke reactionaire praat was dat!? Wat bezielde mijn idolen die toch de vaandeldragers waren van mijn tegen alles en iedereen contesterende generatie? Toch bleven die geheimzinnige woorden nazinderen. Ze beroerden subtielere snaren dan die van een elektrische gitaar.  Later kwam ik erachter dat de woorden niet van George waren.  Hij citeerde uit de  Tao Te Ching van de Chinese wijze Lao Tse.  Vijfentwintig jaar later herkende ik me volledig in wat de Beatles toen zongen en Lao Tse tweeduizendvijfhonderd jaar eerder schreef. 

De boodschap sloot ook aan bij mijn inmiddels beperktere fysieke mogelijkheden en de innerlijke paden die ik ging. Wijsheid kon ook aan huis geleverd worden zonder de halve wereld af te reizen, op zoek naar een goeroe. De tegenpool van de uithuizige pelgrim is de heremiet die zijn leven op de paar vierkante meter van zijn kluis doorbrengt. Ik durf mezelf geen kluizenaar te noemen. Een huizenaar misschien? Hoe vaak zei mijn zorgelijke moeder niet vermanend: “Denkt ge dat alles in ’t leven op uw schoot gebracht gaat worden?” Niet alles, mama, maar zeventig jaar later moet ik toch concluderen dat zeker de meest wezenlijke dingen me als kostbare geschenken in de schoot werden gegooid. Daarvoor moest ik enkel doorheen de deuren van waarneming mijn veilige heilige huisjes verlaten om de gewijde wereld in te stappen.

Toen ik het finale punt van bovenstaande tekst had getypt maakte ik een wandeling. Mijmerend over wat ik schreef over de joker, vond ik op het voetpad een speelkaart: harten zeven ! Of hoe amper twee straten ver de banale alledaagse werkelijkheid met een magisch momentje gezegend werd, toch voor een dwaas die er oog voor heeft.

Herman Meirhaeghe

Plaats een reactie