‘When we all fall asleep, where do we go?’

Billie Eilish

William Shakespeare – Bill voor de vrienden – legt Prospero in The Tempest deze woorden in de mond: “We are such stuff as dreams are made on, and our life is rounded with a sleep”. Als was hij een boeddhist pur sang verwijst hij hiermee naar de vergankelijkheid van de illusoire werkelijkheid, onze onwetendheid en onze onbewustheid.  Zijn collega-bard Marco Borsato – #Borsie voor de vriendinnen – wist het ook al : “De meeste dromen zijn bedrog, maar als ik wakker word naast jou dan droom ik nog”. Dus : wéten dat we dromen en tóch nog verder dromen, dat zijn wij, humanoïden, ten voeten uit, toch? Biologen denken dat trekvogels slapen en dromen tijdens het vliegen en dat dolfijnen dit doen terwijl ze zwemmen. Wonderlijk, zeg je ?  En wat dan te zeggen van de homo sapiens die zijn leven bijna integraal verslaapt en verdroomt, bij dag ende nacht? Spreken we niet beter van “homo slapiens”? Een typisch droomfenomeen is dat van het zogenaamde “vals ontwaken”. Wellicht hebben we dit allemaal wel eens meegemaakt. Je denkt dat je wakker wordt en wakker bént, en je doet wat je gewoonlijk doet bij het opstaan, maar… je blijkt nog te slapen en te dromen ! Wat een erg vervreemdend effect veroorzaakt.  Is dit niet een treffende metafoor voor hoe we meestal door het leven gaan? Dénken dat we wakker zijn, terwijl we de meeste tijd semi-bewust slaapwandelen. Ik hoop in elk geval dat jullie wakker blijven voor de duur van dit artikel over hoe ik, o.m. door middel van mijn dromen, probeer te ontwaken uit de dagdroom van het leven.  

Toen ik ruim dertig jaar geleden het zen-boeddhisme ontdekte, bewandelde ik reeds vijftien jaar het pad van dromen. Boeddhistische lectuur leerde me al snel dat droomwerk en zenmeditatie niet echt matchen. Ook mijn zenleraars reageerden terughoudend  toen ik hen over mijn dagelijks droomwerk vertelde.  Laat me zeggen dat ze het niet aanmoedigden. Nochtans begon het boeddhisme ooit met de droom van Maya, de moeder van de Boeddha. Zij droomde dat een witte olifant via haar rechterzijde haar baarmoeder binnendrong. De brahmaanse droomduider wees haar erop dat ze zwanger zou worden van een zoon die een groot spiritueel meester zou zijn. En zo geschiedde. Mijn zenleraars wezen me op de fundamenteel verschillende uitgangspunten van beide disciplines. Om het heel kort samen te vatten : zenmeditatie is geen psychotherapie en droomwerk is dat in een bepaalde mate  wel. Zen is een transpersoonlijk spiritueel pad en droomwerk is dat niet. Zenmeditatie is immers geen methode voor persoonlijke groei, maar het realiseren van de aard van de werkelijkheid. Ze raadden me dan ook meer dan eens aan om met mijn droomwerk te stoppen en me volledig te focussen op het pad van meditatie. 

Ik begreep volkomen waar de, al dan niet vermeende, onverenigbaarheden tussen zen en droomwerk zich situeren, maar ik constateerde ook dat mijn leraars heel weinig over de droommaterie afwisten en al zeker geen jarenlange ervaring hadden met droomwerk. Hierbij gaat het immers niet noodzakelijk om het cureren van het ego;  transpersoonlijke elementen, die het beperkte ik ver te boven gaan, komen evenzeer in dromen aan bod, zoals verder zal blijken. Daarom heb ik hun goede raad nooit opgevolgd en ben ik mijn droompad blijven gaan. Eigenwijs jongetje? Beetje wel, maar dan vooral in de betekenis van “op mijn eigen wijze”. Was dat goed? Was dat fout? Quid sas. Ik vind dat het al bij al nog redelijk goed is gekomen met mij. En ik reken op een volgend leven om die verlichtings-klus voor eens en voor altijd te klaren, dan zijn we daar al vanaf. De beeldenweelde in dromen staat inderdaad in scherp contrast met de beeldloze armoede van geest tijdens de zenmeditatie. Ik laat beide disciplines naast elkaar bestaan, zoals een barokke kathedraal een sober Romaans kerkje niet in de weg hoeft te staan. Mijn meditatietijd reserveer ik voor beeldloos vertoeven in Zijn maar ik geef de droominstantie in mij freedom of speech. Net de zenmeditatie leerde me om me niet in droomanalyse te verliezen. Ik weet immers hoe verstrikt je kan raken in het kluwen van je persoonlijke zielenroerselen en hersenspinsels.  

Toch is er ook kruisbestuiving tussen droomwerkers en zenmeesters. Zo is er Marc Bregman, de grondlegger van Archetypal Dreamwork, die samenwerkt met zenleraar Henry Chukman. Van hen is een podcast te beluisteren onder de titel “Zen and Achetypal Dreamwork”waarin ze in dialoog gaan. Een citaat : “Droomwerk brengt onze weerstanden aan het licht; in zen worden die duidelijk via zazen (zitmeditatie). Beide praktijken beogen het loslaten van wat het kleine ik wil, om wat aanwezig is onder ogen te zien”. Zen en een bepaald soort droomwerk sluiten elkaar dus niet per definitie uit.  Zen-boeddhisten mediteren zich de pleuris om van dat ego af te geraken. Realiseren ze zich dan niet dat dit ego elke nacht, spontaan spoorloos verdwijnt wanneer ze in slaap vallen? Waar is het naartoe?  Wie ben ik – of beter wie is ik – tijdens de diepe slaap? Of ook nog : “Wie droomt mijn dromen?” of “Waar is de dromer gebleven wanneer ik wakker word?” Dit zouden even zovele zen-koans kunnen zijn – raadsels die je met je verstand niet kan oplossen. Vreemd dat zenleraars hier niet mee aan de slag gaan. Er bestaan echter andere boeddhistische tradities, zoals de Tibetaanse, die specifiek met, of beter, in dromen en in de slaap oefenen om tot Inzicht of Ontwaken te komen. Dat doen ze door middel van lucide dromen en wat “slaap- en droomyoga” genoemd wordt, een discipline die ik ook periodisch beoefende, maar waar ik in dit kort bestek niet dieper kan op ingaan. Hierna heb ik het over de vertrouwde ‘westerse’ benadering. Laat me twee dromen met jullie delen met een voor iedereen herkenbare boodschap. Twee dromen waarin uitgerekend twee zenleraars de hoofdrol vertolken. Overigens viel het niet mee om uit mijn grote droomverzameling een selectie te maken voor deze en volgende bijdragen. Ik beperk me tot enkele archetypische dromen waarin mijn persoonlijke biografie niet doorslaggevend is en die dus vanwege de universaliteit van de thema’s en de symboliek voor iedereen begrijpelijk zijn. Deze voorbeelden tonen aan dat dromen veel meer zijn dan simpele verwerking van dagresten en frustraties. Dat ze méér zijn dan een willekeurige, betekenisloze ontlading van onze hersenneuronen zoals sommige neuro-wetenschappers stellen. Bij zoveel onwetendheid vraagt een mens zich af of er soms iets mankeert aan de hersencellen van die hardcore wij-zijn-ons-breiners. Hersencellulitis misschien? 

In de zomer van 1998, net na een zenretraite in de abdij van Drongen, had ik een droom waarin mijn toenmalige zenleraar Ton Lathouwers van de Maha Karuna-zenschool figureert. De droom is opgebouwd uit drie taferelen. In de eerste scene – bioscoop – wordt het thema van de droom geschetst. In het tweede en derde luik – tentoonstelling met spiegel en Ton met vlinderpop –  volgt de concrete uitbeelding ervan en wordt de droomboodschap gepresenteerd. De droom gaat als volgt: “Ik bevind me in de bioscoop, waar een natuurdocumentaire wordt geprojecteerd over het metamorfoseproces van een vlinder : eitje, rups, pop, vlinder.  Het slotbeeld van de film: een schermvullende vlinder met vleugels van kantwerk die net de cocon verlaten heeft. Dan bevind ik me op een soortement openluchttentoonstelling. Ik sta voor een kunstinstallatie : een grote ronde spiegel die op de donkere aarde ligt en die de waterspiegel van een vijver moet voorstellen. De toeschouwers mogen op of dwars doorheen de water-spiegel springen.  Ik doe dat dan ook: één sprong, met beide voeten samen, op de spiegel, waardoor een grillig patroon van barsten ontstaat. Wat verderop zie ik mijn zenleraar Ton Lathouwers.  Ik stap naar hem toe om beter te zien wat hij aan het doen is.  Ton zit op de knieën, de armen voor zich uitgestrekt, de beide handen gevouwen tot een beschuttend kommetje waarin een erg grote goudbruine vlinderpop ligt.  “Een chrysalide”, denk ik in mijn droom (zie illustratie).  Op die wijze verwarmt Ton de cocon die reeds grotendeels de vorm heeft aangenomen van de vlinder die er straks uit tevoorschijn zal komen.  Ik buig me voorover om Ton te helpen bij de opwarming, door de chrysalide te beademen.  Op die manier wil ik haar extra warmte geven om het geboorteproces te versnellen.  Ton belet me dit te doen. Hij zegt dat het transformatieproces niet geforceerd mag worden.  Het moet zijn natuurlijke gang gaan.”  

Je hebt geen droomwoordenboek nodig om deze droom te begrijpen. ‘Chrys(alide)’ betekent ‘goudkleurig’ in ’t Oudgrieks; vlinder – ‘psyche’ in het Oudgrieks – staat symbool voor transformatie; de ‘ronde spiegel’ als mandala en symbool van het Zelf of ook nog van toegang tot andere spirituele werelden; ‘donkere aarde’ wat de letterlijke vertaling is van het woord ‘al-chemie’; de gedaanteverwisseling; ‘springen in de vijver’ verwijzend naar de bekende zen-metafoor : ‘de grote sprong wagen’; ‘doorheen de spiegel springen’ zoals Alice die “Trough the looking-glass” in Wonderland terechtkomt, enz.  Deze droom schetste een beeld van hoe het in die periode stond met mijn zenbeoefening. De droomboodschap – spirituele groei kan niet kunstmatig versneld worden – werd een paar dagen later bevestigd door een treffende synchroniciteit. Lezend in het prachtige boek van  theravada- en vipassanaleraar Jack Kornfield, “Een licht voor jezelf”, botste ik op een identieke scene : het met de handen en de adem opwarmen van een cocon, waarna uit het geforceerde broedproces een misvormde vlinder geboren wordt… 

In de lente van 2018 ontving ik een droom die opvallende gelijkenissen vertoont met die van twintig jaar eerder. Hij snijdt hetzelfde thema aan van een geforceerd transformatieproces, er is opnieuw een kunstinstallatie aanwezig en weer speelt een zenleraar de hoofdrol: Frank De Waele, van de Zen Sangha Gent.  Een paar dagen eerder was Frank bij me thuis op bezoek geweest en ik had hem mijn omvangrijke zen- en dharma-bibliotheek getoond die ik aan zijn centrum wou schenken. Droom: “Ik ben met Frank in mijn meditatiekamer twee hoog en sta voor mijn bibliotheek.  Uit de rij haal ik een boek over zen-koans en reik het hem aan. Ik waarschuw hem: “Mispak je niet, laat het niet vallen, want het weegt zwaar !” Hoewel het een paperback in pocketformaat is, weegt het boekje opmerkelijk zwaar. Ook Frank haalt een boek uit mijn zen-bibliotheek, eentje met zen-tekeningen, bladert erin en wijst me op een notitie in potlood die ik er ooit in maakte. Wat ik schreef is moeilijk leesbaar omdat het niet klaar genoeg is in de kamer… Ik wil de felle halogeenlamp aansteken, maar vind de draaiknop niet meteen. Na verschillende pogingen ‘op de tast’, neemt Frank mijn hand vast en leidt die naar de knop.  Ik draai de knop om en meteen baadt de kamer in een haast bovennatuurlijk licht ! Op het zwartgelakte kastje, naast de staande lamp, staat een soort “spirituele kunstinstallatie” – die daar ook in realiteit staat –  die het Ontwaken of de Verlichting moet voorstellen.  Die installatie ziet er als volgt uit. Een goudgekleurde  kaarsenhouder, waarin  een goudgeverfde gloeilamp staat i.p.v. een kaars. Bovenop die lamp zit een gouden Boeddha.  Aan de basis, rondom de voet van de kandelaar gedraaid, ligt een stoffen hagedis, paars met gouden spikkels. De installatie staat, zoals een heiligenbeeld, onder een glazen stolp. Frank en ikzelf zien hoe die installatie plots vanzelf tot leven komt en als een soort stoommachine in werking treedt ! Ook de hagedis wordt levend en slingert zich spiraalsgewijs rond de kandelaar naar boven. In de stolp ontstaat een werveling van grijszwarte, kolkende rook die bijna vloeibaar is. Ik zeg opgewonden tegen Frank : “Kijk ! Dat is de kundalini-energie die zich ontrolt !!” “Inderdaad!”, zegt Frank. Plots schieten de vier poten van de hagedis van onder de stolp vandaan. “Opgepast !”, zegt Frank, “de hagedis is oververhit en vat vuur; het is veel te heet onder de stolp !” En inderdaad, ik zie hoe één poot van de hagedis reeds verkoold en verminkt is.  Ik moet snel ingrijpen !  Ik hef de stolp op en haal de hagedis eronder vandaan.  “Verbrand je vingers niet !”, zegt Frank. De hagedis is inderdaad heel heet, mijn vingers verschroeien haast. Ik zoek snel een plekje om haar op de grond neer te zetten.  Meteen verandert ze in een lichtblauwe poes die op typische wijze begint te krabben om een plasje of een poepje te doen.  Niet op mijn Japans-rode zen-tapijt !  Ik pak snel de poes op, ren met Frank de trappen af en zet poes in de tuin waar ze naar behoren haar gevoeg kan doen.”  

Zonder in details te treden, enige duiding. De droom speelt zich af in een spirituele setting: op mijn meditatiekamer tussen de boeddhistische boeken. Het zen-boek weegt zwaar en mijn notitie is  onleesbaar wegens niet klaar genoeg op/in mijn ‘boven-kamer’. Met de hulp van de zenleraar, wordt de knop omgedraaid en is er plots ‘Verlichting’ ! Kundalini – de scheppende energie van het universum  – die als een opgerolde slang aan de basis van de ruggengraat ligt en die op haar weg naar boven de psychische centra (chakra’s) opent en activeert – is hier een hagedis die zich rond de voet van de kandelaar heeft gedraaid. De vuur- of slangenkracht ontwaakt en slingert zich opwaarts, niet op correct getemperde wijze evenwel, want de installatie raakt oververhit. Ik verbrand er letterlijk mijn vingers aan. Afkoeling door aarding is de oplossing. Daarom verandert het reptiel – dat de instinctieve oerkracht en basisinstincten voorstelt maar ook de kleuren van transformatie draagt (paars en goud) – in een poes, dit grotendeels gedomesticeerd aaibaar huisdier dat dus wél beter hanteerbaar is. De poes verenigt in zich het spirituele – haar hemelsblauwe pels –  en het basale aardse : zich ontlasten, in de tuinaarde. Ook Frank en ik dalen af van mijn meditatiekamer op de tweede verdieping naar het aardse par-terre van de tuin. De droom maakt duidelijk dat er nog een weg is te gaan op het pad van Ontwaken en dat de kunst van het omgaan met de spirituele energie nog niet volledig beheerst wordt. Immers, wanneer de alchemist het vuur in zijn athanor-oven (zie illustratie) niet op de juiste wijze tempert, mislukt de transmutatie van lood in goud en ontploft zijn laboratorium. Er moet een beter evenwicht gevonden worden tussen het spirituele en het aardse, tussen verlichting en ontlasting.   

Mijn vroegste droomherinneringen reiken terug tot in mijn kleutertijd (een andere keer meer hierover). Tijdens mijn adolescentie bleef de aandacht voor mijn droomleven aanhouden en noteerde ik ze sporadisch. ‘Dromen’ (en interesse in parapsychologie) waren de reden waarom ik in 1968 psychologie ging studeren en niet taal of archeologie die ook op mijn verlanglijstje stonden. Fout geïnformeerd en foute keuze, bleek al snel omdat droom- en psychoanalyse er nauwelijks aan bod kwamen en parapsychologie al helemaal niet. Naderhand verdiepte ik me via zelfstudie vele jaren in het oeuvre van Freud en zijn leerlingen, o.a. Alfred Adler, Otto Rank, Wilhelm Reich en vooral van C.G. Jung, die mijn eerste echte spirituele leraar werd en tot op vandaag één van de grote inspiratoren van mijn leven is. Voor mijn droomwerk koos ik dan ook grotendeels voor de Jungiaanse aanpak die me het beste ligt, waarmee ik het meest resonantie voel. Bij Adler – de man van het minder- en meerderwaardigheidscomplex – las ik een beslissende passage waarin hij het wetenschappelijk belang onderstreept mocht een persoon gedurende heel zijn leven zijn dromen noteren. Toen ik dat gelezen had ging ik meteen tot de actie over en begon op 13 april 1973 met het bijhouden van een droomlogboek waarin ik dagelijks mijn dromen noteer. Vijftig jaar later doe ik dat nog steeds. Hier startte het eerste spirituele pad dat ik bewust ging: het pad van droomwerk. Ik noem een spiritueel pad elke discipline die je elke dag weer beoefent, met grote overgave en met zuivere intenties. Een pad dat diepe zelfkennis oplevert en meehelpt aan de deconstructie van neurotische ego en al zijn “ismen”. Wanneer via onze dromen het Onbewuste in beeld komt en in actie treedt, worden we geconfronteerd met het onverwachte, het Onbekende. Door deze shift naar het gebied van het symbolische en de verbeelding, bewegen we ons voorbij ons kleine ik en raken we de spirituele mysterieuze dimensie van de psyche. In oude tijden zei men dat dromen van God kwamen, nu spreken we van het Onbewuste of het Zelf, alsof we daarmee iets anders of wezenlijkers zeggen. Zijn dat geen synoniemen voor het mysterie dat we nooit ten volle kunnen begrijpen?

Inmiddels ving ik om en bij de 25.000 dromen waarvan ik verslag deed. Dat lijkt veel, maar het is slechts 20 % van wat we in een mensenleven dromen. Elke nacht maakt ons brein immers vijf REM- of droomperiodes door, maar ook in de diepe slaap wordt gedroomd. Dat maakt zo’n 1825 dromen per jaar of om en bij de 128.000 dromen in een mensenleven van 70 jaar ! Nooit kon ik me neerleggen bij het feit dat we één derde van ons leven verslapen, bewusteloos, in een toestand van totale black out. Ik wilde weten wat er in die wonderlijke nachtelijke wereld gebeurt. Het onbewuste herbergt immers een enorme massa informatie waar we overdag maar zeer beperkt toegang toe hebben en opent perspectieven op transpersoonlijke dimensies. Nog elke ochtend ben ik verbaasd over de ongebreidelde verbeeldingskracht van de droominstantie.  Wegens hun tijdloosheid zijn dromen vaak prospectief, voorspellend zelfs.  Ze leren me dat ruimte en tijd mentale constructies zijn; in elke droom worden die dimensies immers door ons, of beter, in ons geschapen en als echt ervaren. Dromen maken ook duidelijk dat we maar een fractie van onze creatieve mogelijkheden gebruiken. Elke gemiste of vergeten droom zie ik als een ongeopende brief van die intieme inboorling die me zoveel te vertellen heeft. Nooit ga ik met tegenzin slapen. Elke avond verlang ik echt om naar bed te gaan, en heus niet alleen om daar een aangenaam gezelschapsspel te spelen met de geliefde, maar omdat ik verwachtingsvol uitkijk naar de dromen die me genereus geschonken zullen worden. Toen we indertijd samen met de kinderen aan de ontbijttafel zaten was de eerste vraag van de dag: “Wat heb je vannacht gedroomd?”  En dan vertelden ze hun dromen, waarvan ik de meest beklijvende noteerde.  Ook mijn vrouw hield een tijdlang een droomdagboek bij. Een gedroomd gezinnetje dus… 

Ik stel me de innerlijke droominstantie voor als een Wijze Vrouw. Ik personaliseerde de droomweefster om er beter mee te kunnen converseren, om er een intieme relatie mee aan te gaan. Ik noem haar “Oniria, Koningin van Onderland” (“oneiros”, droom in het Grieks). Ik visualiseer haar in een klaprozenrood kleed met zwarte cape daar overheen. Als koningin regeert ze soeverein.  Haar dwingen  of bevelen kan ik niet niet.  Her servant am I. Hoogstens kan ik haar nederig een vraag stellen, suggesties doen.  Dat doe ik dan ook elke avond, net voor het inslapen, terwijl ik wegzak in het hypnagogische schemergebied tussen wakker zijn en slapen. Ik vraag dan dat zij me betekenisvolle dromen zou schenken die mijn leven kunnen inspireren of richting geven. Wanneer ik ’s nachts of ’s ochtends ontwaak, ben ik meteen nieuwsgierig naar de boodschappen in de fles die uit de nachtelijke diepzee in mijn bed aanspoelden. Die dromen memoriseer ik meteen door het droomverhaal een aantal keren op te roepen voor mijn geestesoog. Soms heb ik een droomloze nacht of herinner me enkele dagen geen dromen.  Dan ben ik ontgoocheld, beetje triest en verweesd. Met ouder worden gebeurt dit helaas meer en meer, vanwege een falend droomgeheugen. Ik dank Oniria ook op rituele wijze met kaarsjes en wierook terwijl ik een gebedje reciteer dat ik voor haar maakte.  Aan de ontbijttafel schrijf ik mijn dromen met een vulpen en paarse inkt  in mijn droomdagboek. In dit digitaal tijdperk is dit trouwens ongeveer het enige dat ik nog met de hand schrijf, wat ook meegenomen is. Zoals bij elke spirituele discipline moet je dagelijks tijd reserveren om ze te noteren, soms veel tijd wanneer het er drie, vier of meer zijn. Zo had ik er ooit acht in één nacht, mijn persoonlijk record. Van bij de start nam ik me voor om àlle dromen op te schrijven, zonder onderscheid. Niet alleen de speciale, maar ook de meest banale. Zo verlies ik me niet in hetongegrondeijle. Dat leverde een bonte waaier op van huis- tuin- en keukendromen die dagresten verwerken, wens- en compensatiedromen, erotische dromen, angstdromen en nachtmerries, Grote Dromen, archetypische dromen, visionaire dromen, lucide en helderziende dromen, uittredingsdromen, enz. 

Naderhand schrijf ik in mijn droomdagboek welke ideeën of emoties de droom in mij opriep. Bij de belangrijkste droomelementen pas ik “amplificatie” toe. Amplificatieis een gerichte Jungiaanse associatietechniek met als doel de symbolische betekenis en de archetypische oorsprong van de droombeelden te achterhalen. Daarbij worden parallellen genoteerd tussen de droomsymboliek en thema’s uit de mythologieën en sprookjes, de wereldreligies, de  literatuur, de kunst, etc. Droomwoordenboeken gebruik ik alleen in laatste instantie. Ik hoed me ervoor me te verliezen in oeverloze analyses, want uiteindelijk kan je alles met alles associëren. Ik wil het droomraadsel niet krampachtig kapot analyseren. Extreme analyse doodt, synthese schenkt leven. Dromen raadpleeg ik eveneens als orakels zoals tarot of I Tjing, als middel tot zelfkennis of als second opinion. Belangrijke dromen draag ik heel de dag – soms dagen – met me mee, als een baby in een draagzak. Ik laat de droom rustig op mij inwerken en roep hem af en toe weer voor de geest. Ik probeer te vertoeven in de sfeer van de droom en in te haken op de onderliggende energie. Op die manier laat ik de droom zichzelf verklaren, wat lang niet altijd lukt. Bijna altijd onttrekken elementen zich aan elke interpretatie en rest er iets onverklaarbaars. Dit is misschien wel de grootste boodschap : dat je uiteindelijk altijd bij het On(be)grijpbare Mysterie uitkomt. Ja, Billie, waar gaan we naartoe, wanneer we in slaap vallen? Goeie vraag. En, beste lezer, is dit geen geschikt spiritueel pad voor jou? Urenlang met je benen in een pijnlijke knoop te zitten is geen vereiste, integendeel, je hoeft er niet eens voor uit je bed te komen.

Herman Meirhaeghe

Plaats een reactie