Tweeënzeventig ben ik nu en ik koester dezelfde hoop als de Japanse kunstenaar Katsushika Hokusai, die ik citeer: “Niets van wat ik vóór mijn zeventigste heb gemaakt, is de moeite waard. Pas toen ik drieënzeventig was, begon ik iets te ontwaren van het wezen van dieren en grassen, bomen en vogels, vissen en insecten. Vandaar dat ik op mijn tachtigste meer vooruitgang zal geboekt hebben. Als ik negentig ben, hoop ik te zijn doorgedrongen in het mysterie der dingen. Op mijn honderdste zou ik echt groots moeten zijn. En wanneer ik honderdtien ben zal alles wat ik maak, uit elk punt en elke lijn, de levensadem spreken.”
Toen het zen-boeddhisme me eind jaren 1980 overrompelde, vertaalde de grote innerlijke ommekeer in mijn leven zich ook in de radicale herinrichting van mijn werkkamer. Alle oude spullen eruit. Ik gaf het interieur de kleuren van de Japanse vlag: muren, wandkasten en plafond witgeverfd en een knalrood vast tapijt. De nieuwe decoratie moest ‘zen’ én Japans zijn, want daar kwam zen vandaan. Aan de muur hing ik twee prenten van de berg Fuji en onder het glazen blad van mijn werktafel legde ik de “Grote Golf”. Drie kunstwerken van Hokusai (1760-1849), de Japanse prentkunstenaar, schilder en tekenaar die vooral houtsnedeprenten maakte. En zeer productief was : hij maakte 30.000 tekeningen. Zijn moto : Het gaat niet om schoonheid, maar om harmonie. Van Gogh en Degas ondergingen onmiskenbaar zijn invloed. In zijn jonge jaren was Hokusai ontevreden over zijn kunst; hij wou meer diepgang. Daarom ging hij 29 dagen mediteren in een tempel toegewijd aan Fukurokuju, de god van de Poolster. Op de terugweg naar huis werd hij – letterlijk – door de bliksem getroffen. Een wel erg drastische flits van inspiratie. Vanaf dat ogenblik veranderde zijn werk. Het beroemdst werd hij door zijn landschappen. Tot zijn bekendste werken behoren “De Grote Golf voor de kust van Kanagawa” en de “Zesendertig gezichten op de Fujiyama”.

Hokusai maakte op zijn zestigste een reeks prenten over de Fujiyama (yama = berg), gelegen op het eiland Honshu. Het is één van de drie heilige bergen van Japan én de hoogste van het land. Een nationaal symbool en bedevaartsoord. Fuji betekent : rijkdom of overvloed. Hij hoort thuis in de lange rij van mythische bergen, zoals de Kilimanjaro in Tanzania, de Uluru of Ayres Rock in Australië, de Mount Everest in de Himalaya, de Olympos waar de Griekse goden hun datsja hadden, de berg Sinaï waar Jahweh Mozes met twee Stenen Tafelen en Tien Geboden opzadelde, de berg Thabor waar Jezus’ transfiguratie plaatsvond, Golgotha waar Hij gekruisigd werd. Om nog maar te zwijgen van de Koppenberg en de Mont Ventoux waar de wielergoden thuis zijn. Bergen ontlenen hun mythische status aan het gegeven dat ze een stuk dichter bij de hemel en bij God zijn dan wij, platvloerse bewoners van het gelijkvloers. Geef toe, als je de aardlingen vandaag de dag bezig ziet zou je haast geloven dat de aarde plat is.

De “Grote Golf van Kanagawa” spreekt me bijzonder aan. Wat zie ik? Een reusachtige schuimbekkende golf die als een zeemonster met klauwen drie nietige vissersbootjes met nog weerlozer vissers aan boord die slechts witte stipjes zijn, bespringt. De klauwen van de golven doen me denken aan die enge scene uit de tekenfilm “Sneeuwwitje” waarin ze bij nacht en ontij door het griezelbos rent terwijl takken naar haar grauwen en grijpen. Een scene die me als kleuter doodsbang maakte. (Haalde Disney bij Hokusai de mosterd vandaan?) Ik zie drie bootjes met mensjes als speelballetjes van de tsunami. We herkennen onszelf, wij loze vissertjes die ons bootje door de stormen van het leven proberen te loodsen naar een veilige, misschien heilige haven. Onze korte of lange levensomvaart kent onvermijdelijk periodes van zwaar weer, van pompen of verzuipen. Radbraakt de maalstroom ons tot wrakhout of slagen we erin de golven te berijden tot we stranden op het strand? Want controle over de storm zelf hebben we niet.
Die had Jezus wél. Herinner je deze passage uit de evangelies. Jezus voer met zijn leerlingen, waarvan enkelen ervaren vissers waren, het meer van Galilea over toen een storm opstak, wat daar wel vaker gebeurde vanwege plotse hevige ruk- en valwinden. De golven sloegen over de boot, die water maakte en dreigde te zinken. In paniek wekten de apostelen Jezus die onverstoorbaar lag te slapen. Ze wezen Hem op de kritieke situatie. Waarop de rabbi hen vroeg waarom ze zo bang waren? Dan beval Jezus wind en water: “Zwijg en wees stil”. Daarmee bracht hij niet alleen de elementen tot rust, maar ook zijn angstige kleingelovige leerlingen. Als kind was dit één van Jezus’ wonderen waarvan ik het meest onder de indruk was. Uit jeugdboeken en stripverhalen wist ik dat indiaanse medicijnmannen en sjamanen regen konden maken, maar dit vond ik ook een heel straffe toer. Ik begreep de angst van zijn apostelen helemaal. En hoe kon Jezus in deze omstandigheden rustig blijven doorslapen? Het was duidelijk dat ook ik een kleingelovige was. Pas dertig jaar later ontdekte ik de kracht van meditatie die ook stormen kan stillen, mentale stormen in mijn hoofd – breinstormen – en emotionele stormen in mijn hart – hartstochten. Met de mantra die gebruikelijk is bij de Wereldbeweging voor Christelijke Meditatie – “ma-ra-na-tha” d.w.z. “Kom heer Jezus”- wekken we Hem opdat hij met Zijn bezwerend bevel “Zwijg en wees stil” ons innerlijk meditateren zou bedaren.

Bij het bekijken van de Grote Golf wordt onze blik initieel getrokken naar het dramatisch tafereel op de voorgrond. Pas in tweede instantie zien we, centraal in de achtergrond, de besneeuwde piek van de Fujiyama, die als een piramide op de horizonlijn staat. Deze berg, die in Japan als een godheid wordt vereerd, ziet er met zijn kegelvorm uit als een boeddha in meditatiehouding, onberoerd door de tempeestende zee. Hij aanschouwt het dramatisch tafereel op de voorgrond. Is de Fuji alleen maar de observerende buitenstaander? Neen. Net zoals de golven en de vissers in hun bootjes maakt hij deel uit van het geheel. Alleen, hij blijft overeind middenin de storm, onaangedaan. ‘Onaangedaan’ is niet het juiste woord; beter is ‘stabiel’, niet uit zijn evenwicht te brengen door de grijpgrage Grote Golf. Soms, in turbulente tijden, visualiseer ik deze prent en focus me op deze onverstoorbare Fuji-Boeddha. Dit is wat meditatie ons leert : overeind blijven, ook als stormen van echte of ingebeelde rampspoed ons dreigen te overweldigen. Golven van vreugde, van blijdschap, van enthousiasme, maar ook golven van verdriet, van woede, van geweld. Coronagolven. We kennen ze allemaal. Soms slagen we erin om met een zekere gratie als “would beach boys” op die golven te surfen zonder ons evenwicht te verliezen en kopje onder te gaan. Vaak ook niet.

Evenmin uit hun evenwicht te brengen zijn ook de traditionele Japanse Daruma popjes. Daruma is de Japanse naam voor Bodhidharma, de legendarische excentrieke Indiase monnik die in de 5de/6de eeuw nChr de Boeddha-dharma naar China bracht en zo de grondlegger werd van de zen-variant van het boeddhisme. Die popjes hebben armen noch benen en bestaan alleen uit hoofd en romp. Dit verwijst naar Bodhidharma die gedurende 9 jaar ononderbroken met zijn gezicht naar de wand van een grot in lotushouding mediteerde tot zijn ledematen atrofieerden en eraf vielen. (Dat waren nog eens tijden, nietwaar). De popjes heb een bolle basis waarin een gewicht zit, zodat ze niet kunnen omvallen. Als je er tegenaan duwt schommelen ze even, maar vinden snel weer hun evenwicht terug. De bijbehorende leuze luidt: “Zeven keer vallen en acht keer weer opstaan”.

Ik eindig zoals ik begon : met de inmiddels bejaarde Hokusai. In zijn ouwe dag bleef hij niet van tegenspoed gespaard. Toen hij 79 jaar was brandde zijn huis af waarbij al zijn notities en schetsen in vlammen opgingen. Bovenstaand zelfportret als 83-jarige toont hoe de tsunami van vuur hem niet finaal naar de haaienkelder joeg, wel integendeel ! Zie hem hier met gekruiste benen zitten, als een ontwapende samoerai, luid lachend. Misschien wijst hij met zijn rechter wijsvinger naar de Fuji-Boeddha in de verte? Hij lijkt wel bevrijd. En klaar om de ultieme tekening te maken.
Herman Meirhaeghe
Een fijn stuk om te lezen. En het beste moet blijkbaar nog komen…
LikeLike