Geboren op een zondag zag ik mezelf lange tijd als een zondagskind. Uiteraard kende ik, zoals elke sterveling, moeilijke periodes, maar die volgden elkaar niet in snel tempo op, waren beperkt in duur en niet van die aard om van mij een Blue Monday Man te maken. Op de drempel naar de derde leeftijd kwam daar verandering in. Vanaf mijn zestigste ging mijn levenspad niet bepaald over rozen. Blijkbaar krijgt elkeen zijn portie levensleed voorgeschoteld. Karma moet vroeg of laat ingelost worden, geen ontsnappen aan. Wanneer ik mijn dagboeken erop nalees vind ik haast elke dag vermeldingen van lichamelijk ongerief of kwaaltjes. Niets levensbedreigends, maar toch op zijn minst vervelend en zeker een forse rem op mijn elan, mijn drive en sociaal leven. Geen twee opeenvolgende dagen zonder enig ongemak. Alsof er een pijnbeestje in mijn lichaam rondzwerft van schedeldak tot voetzolen en zich nu eens hier dan weer daar vastbijt. La vieillesse avec son cortège de maux. Hoe leer je hiermee leven? Hoe ga je ermee om als de blauwe hemel na overwegend zonnige decennia plots haar grijze gordijnen dichtschuift en de motregen overgaat in stortregens.
Van toen ik 10 jaar werd ging elke overgang naar een nieuw levensdecennium gepaard met opvallende gebeurtenissen, hetzij in mijn innerlijk leven, hetzij in de buitenwereld, of allebei. Het begon met een voorteken dat in deze krantenkop verwoord wordt: “Wolkbreuk boven Gent zet de straten blank”. Niet alleen de straten maar ook vele huizen in Gentbrugge en Ledeberg liepen die donderdagavond 15 mei 2008 onder. Bij ons thuis voltrok het onheil zich op zolder en op de tweede verdieping. Ik had net een klein ritueel gedaan om mijn wijding tot zenmonnik te herdenken, dag op dag veertien jaar eerder, toen de waterduivels het dak besprongen. In een mum van tijd stond het water op mijn werk- en meditatiekamer, die ik mijn Veilige der Veiligen noem, enkelhoog. Snel de zonen opgetrommeld om met man en macht water te hozen en te redden wat er te redden viel. Deel van het plafond losgekomen, behangpapier besmeurd, zompend tapijt. Een jaar eerder had mijn kamer een totale opfrisbeurt gekregen. Dagenlang de verwarming hoog om het tapijt te drogen. Twee weken later, op dinsdag 3 juni, toen vasttapijt, muren en plafond grotendeels waren gedroogd en alles min of meer opgekalefaterd of hersteld was, brak er weer een wolk boven dit deel van de stad. De dakgoot kon het water niet slikken dat via de zolder een tweede keer mijn werkkamer binnenstroomde. Gelukkig bleef mijn boekenschat ook dit keer gespaard. Bij plotse gebeurtenissen van dergelijke omvang vraag ik me altijd af wat dit zou kunnen betekenen. Wordt hier een boodschap gecommuniceerd? Is het een voorteken van wat komen zal? Werd ik niet neerslachtig van die neerslag, het was in elk geval een aanslag op mijn vluchtheuvel van schoonheid en stilte, mijn paradijsje twee hoog, opgetrokken uit boeken en vele objecten en snuisterijen waarvan er niet één zonder spirituele betekenis is. Mocht dit voorval een droom geweest zijn, dan had ik mijn ondergelopen “bovenkamer” geduid als mijn “hoofd” en “brein” die door noodweer getroffen werden. En zo geschiedde.

Met ouder worden speelde mijn aangeboren hoogsensitiviteit me almaar meer parten. Een te dunne huid, waardoor prikkels uit de buitenwereld ongefilterd binnenvallen. Mijn scheppers zegenden me met overgevoelige zintuigen waarvan mijn gehoor het meeste problemen oplevert. Hyperacusis dicteerde steeds grotere beperkingen aan mijn doen en laten. Altijd een last en een opdracht, vaak een beproeving, ook vanwege de bijbehorende spanningshoofdpijn en periodische slapeloosheid. Lastig omdat het mijn spirituele engagementen en initiatieven danig hypothekeert. Het dwingt me tot een relatief groot kluizenaarschap. Vooral mijn sociale contacten lijden daar fel onder. In mijn jeugd en jonge jaren kon ik nog vlotjes in het rood en over mijn grenzen gaan, maar dat lukte niet meer. Hoewel ik in die wilde dagen toch ook al forfait moest geven voor optredens van mijn favoriete rockgroepen wegens teveel decibels en te grote drukte. En zeggen dat ik er ooit van droomde om rockjournalist te worden… Het heilig vuur brandt nog altijd hevig, maar er zitten barsten in mijn kacheltje. Noodgedwongen ontwikkelde ik vermijdingsgedrag. Ik schuwde drukke plekken en zelfs vrienden- en familiefeestjes werden problematisch wat, begrijpelijk, op onbegrip stuitte. Er werd mij verweten dat mijn zogezegde hooggevoeligheid eigenlijk passief dominant gedrag was, omdat iedereen zich naar mijn toestand moest plooien… En dat terwijl ik me in onmogelijke bochten dwong om aan wensen van mensen te voldoen. Zelfs mét oordoppen kwamen dergelijke opmerkingen toch wel binnen.
Er valt niet te ontkomen aan onze bulderende lawaaiwereld met zijn vele sociale verplichtingen. Gelukkig hou ik van alleen zijn. Ik zei het al eerder : stilteplekken zoals abdijen, musea, bibliotheken, archiefzalen en de natuur zijn sedert mijn jeugd niet voor niets mijn geprefereerde biotopen. Mijn aandoening dwong me a.h.w. het innerlijke pad van verstilling op te gaan en me te focussen op de spirituele dimensie van het leven. Een naam of etiket voor mijn “kwaal” bestond of kende ik niet. Dit was één van de redenen voor het onbegrip, zowel van de buitenwereld als van mezelf voor mezelf. Omdat het niet meteen een klassieke medische aandoening is, word je niet au sérieux genomen. Je bent een watje, een oorwatje in mijn geval. “Het zit tussen je oren”, zei men. Neen, niet tussen, maar in mijn oren! Op de duur zeg je tegen jezelf wat anderen zeggen: “Bijt eens op uw tanden, flauwerik !” Of nog beter: “Jij, als onverstoorbare zen-boeddhist zou daar toch tegen moeten kunnen.” In 2004 trof ik in Fnac Brussel het inmiddels klassieke boek aan van Elaine Aron: “Hoog Sensitieve Personen – Hoe blijf je overeind als de wereld je overweldigt.” De ondertitel bevat de vraag die ik me dagelijks stelde. Ter plekke las ik enkele willekeurige passages : een openbaring ! De herkenning was compleet. Eindelijk wist ik wat er met mij aan de hand was. Het lastig kind had een naam : ik was een HSP’er. Maar een diagnose is nog geen genezing. In maart 2009 resulteerde mijn zintuiglijke overgevoeligheid en overbelasting in een uitval van mijn geteisterd brein en zijn bedrading, een crash die me maanden thuis hield. Geen burn out, eerder een meltdown.

Heel lang kon ik dit min of meer hanteren, tot ik op ’t werk wegens de reorganisatieziekte mijn bureau, dat ik deelde met mijn collega en vriend R. met wie ik 35 jaar een duo vormde, moest verlaten. Het voelde aan als een uitdrijving uit onze Tuin van Eden die er met zijn 65 planten uitzag als een mini tropisch regenwoud. Voortaan zouden we onze werkdagen uitzweten in een landschapsbureau. Dat was omstreeks de millenniumwissel de nieuwe uit de VS overgewaaide trend waar de directeuren, die lekker een eigen bureau hadden, wild van waren. Welk een cynicus verzon dit woord: “landschapsbureau”? Weinig groen of glooiende velden te bespeuren in dat vermaledijde landschap van zoemende computers, ratelende faxen, kreunende fotokopieerapparaten en rinkelende telefoons. Daar zaten we met een twintigtal collega’s samen op een plek met vier radio’s die ieder op een andere zender waren afgestemd en waar je alle telefoon- en andere gesprekken willens nillens moest aanhoren. Bovendien werkten we op de personeelsdienst, wat een permanent komen en gaan van werknemers met zich meebracht die hun problemen voor iedereen hoorbaar kwamen bespreken. Het vergde uiterste concentratie om bij de zaak te blijven. Om de paar uur trok ik me even terug in het ruime toilet voor minder-validen dat toch nooit gebruikt werd om er op adem te komen, er wat lichaamswerk te doen of er enkele minuten te mediteren. De laatste twaalf jaar van mijn loopbaan werkte ik er de dag door met oordoppen om het eeuwige gebabbel en getater niet te moeten aanhoren. Overigens betreed ik sedert vele jaren nooit de openbare ruimte zonder beschermende oordopjes. Om niet helemaal kopje onder te gaan werkte ik uiteindelijk halftijds; een financiële aderlating, maar een noodzaak. Al mijn kunstgrepen en hulpmiddeltjes konden niet langer verhinderen dat ik finaal crashte. Die dag was ik niet meer in staat om nog de trein naar huis te nemen. Gelukkig toeval: mijn zoon was die namiddag in Brussel en kwam me oppikken.
Daarna volgden drie maanden ziekteverlof met een sliert consultaties aan de huisarts, de neuroloog, de osteopaat en de acupuncturist, wat geen soelaas bracht, laat staan een oplossing. Stilte en rust waren en zijn het enig doeltreffend medicijn. Een blokje om wandelen lukte niet meer. Ik voelde me zo onzeker en overweldigd dat mijn vrouw me aan de arm moest vergezellen. Toen ik weer alleen de straat op kon, liep ik op de terugweg van de dokter naar huis verloren in de straten van de stad die ik als mijn broekzak kende… Ik vond gewoon de weg niet meer… “I’m not half the man I used to be”. Deze woorden uit Yesterday van Paul Mc Cartney schieten me sedertdien zeer regelmatig door het hoofd. Vanwege de beperkingen die mijn hooggevoelig “systeem” me oplegt, bots ik immers constant op mijn grenzen, wat frustrerend is. Uiteraard had ik het liever anders, maar als alles deel uitmaakt van de Ene Werkelijkheid of van G*d, dan ook alles wat ik als negatief ervaar. Met de woorden van mystica Catharina van Genua (1447-1510) : “We moeten niets anders willen dan wat zich van ogenblik tot ogenblik aandient”. Haar woorden verwerkte ik in een gebed dat ik dagelijks bid na mijn ochtendmeditatie : “Rabbi Jezus, Heer Boeddha, geef me vandaag de kracht om mijn lasten te dragen zonder een last te zijn voor de anderen en om de dingen te omarmen die mij van ogenblik tot ogenblik overkomen en vervul mij met liefdevolle vriendelijkheid jegens alles en iedereen”. Na mijn ziekteverlof ging ik terug aan ’t werk. Tot aan mijn pensionering zou ik het in dat schandlapbureau moeten uitzitten. Na die lange rustperiode was mijn eerste uitstapje een bezoek aan onze vertrouwde zen-dojo om er eindelijk weer met de vrienden te mediteren. Daar vond ik een flyer van ene Annemie Tollenaere die in Gent “Interreligieuze Meditatie” wou organiseren. We maakten een afspraak bij haar thuis – toevallig op haar verjaardag – en in september 2009 gingen we van start met maandelijkse bijeenkomsten waar mensen van zeer uiteenlopende religieuze achtergrond in stilte kwamen mediteren. Eindelijk kon ik mijn spirituele activiteiten en engagementen buitenshuis weer opnemen ! Enkele maanden later moest ik echter afhaken…
Sedert jaar ende dag ga ik fietsen in de groene Scheldevallei tussen Gent en Melle.Dit gebied noem ik in mijn persoonlijke mythologie “Falconia”, waar ik het al eerder over had op deze blog. Op dinsdagmiddag 16 maart 2010 maakte ik weer eens een fietstochtje door het vertrouwde landschap, altijd hetzelfde parcours maar telkens weer anders ingekleurd door de seizoenen. Ik pauzeerde even op een bank aan de Schelde in de buurt van Melle-brug. Toen ik de terugweg wou aanvatten, kreeg ik de pedalen nauwelijks nog rond. Beklemming op borst en in de kaakgewrichten, plus een algemene slaptitude. Een gsm had ik niet en ik kon dus mijn vrouw niet bellen om me met de auto op te halen. Op mijn kleinste versnelling fietste ik de 10 km huiswaarts, heel traag. Eenmaal thuis, liggend op de sofa, herstelde ik net genoeg om onze twee kleindochters naschools op te vangen én om diezelfde avond Annemie bij te staan bij de Interreligieuze Meditatie. ‘s Anderendaags ging ik werken. Was dit angina pectoris? Grote zorgen maakte ik me niet meteen omdat de dokter twee jaar eerder, na een grondige check up en een reeks tests, gezegd had dat ik als zestiger “het hart van een twintiger” had. Ik had beter moeten weten, want er waren tal van tekens dat er iets loos was. Zo werd ik in de weken daarvóór drie keer door een hevige duizeling overvallen, tweemaal tijdens de zenmeditatie in onze zen-dojo waarbij ik steun moest zoeken tegen de muur vóór mij om niet van mijn meditatiekussen te vallen. En hadden vader en zijn broers ook geen hartinfarct gehad. Er waren niet alleen lichamelijke aanwijzingen. In de voorafgaande dagen en weken had ik een tiental dromen over de dood van familieleden – mijn ouders, ooms en tantes. Tweemaal droomde ik over de begrafenis van mijn overleden vriend, collegeklasmakker en voornaamgenoot Herman V. S. én over kameraad Dirk V. die een jaar eerder aan een hartinfarct overleden was. Hoe blind kan je als gediplomeerd droomwichelaar zijn…
Precies een week na de fietstocht overvielen me dezelfde symptomen tijdens het stofzuigen van mijn werkkamer. Ik maakte meteen een afspraak met de huisarts en de volgende dag ging ik op consultatie. Toen ik mijn verhaal deed, mocht ik niet meer te voet naar huis, maar werd ik sofort naar “de spoed” gebracht. Daar werd vastgesteld dat ik twee hartinfarcten had gedaan. Ik was door het oog van de naald gekropen, zei de dokter. Eenmaal in het ziekenhuis ging ik meteen en de klok rond in meditatiemodus. Dat gaf me rust en gelijkmoedigheid midden de medische hectiek van artsen, verplegend personeel, infusen, snoeren, elektroden, monitoren, enz. Na een nacht op intensive care volgde de ingreep : het inbrengen van drie stents in de hartslagaders, wat bij bewustzijn gebeurde. De dokter praatte heel de tijd met mij over kalfjes en koetjes om mijn aandacht af te leiden. Goedbedoeld, maar vervelend omdat ik me volledig wou focussen op mijn meditatiemantra. Plots zweeg hij; ik zag hem rood aanlopen. Er deed zich een probleem voor. Hij slaagde er niet in doorheen de kalk te boren, waardoor wondjes werden gemaakt en ik een extra hartinfarct had, dat ze uiteindelijk konden managen. Spannend. Door die complicatie moest ik een extra dag blijven voor ik naar huis mocht. Tijdens de lange slapeloze nachten op de recovery bad en mediteerde ik. Ik verbond me met mijn aanwezige lotgenoten op de collectieve slaapzaal die allen een of andere vorm van lijden lagen te verwerken. “Licht, liefde en alle goeds”, zeker voor de bejaarde dementerende vrouw, vastgebonden in het bed naast me, die heel de nacht lag te roepen “Help mij ! Help mij ! Laat me los !”

Tijdens heel dit proces maakte ik me geen zorgen, voelde ik geen angst. Eenmaal je je volledig moet overgeven aan de medische procedures heb je ook niets meer zelf in handen. Ik ergerde me niet aan de moeilijke omstandigheden en mijn overgevoeligheden speelden niet teveel op. Rustig en verzoend met de situatie. Ik voelde ook geen opstandigheid omdat dit me was overkomen, ik die toen al twintig jaar oplettend en gezond leefde, geen risicogedrag vertoonde, en toch hierdoor getroffen werd, terwijl anderen in mijn omgeving dansten en schransten en daar lustig en probleemloos konden mee doorgaan. De “waarom mij-vraag” stelde ik me niet. Dit was blijkbaar mijn lot. ’s Nachts lag ik, tussen het bidden en mediteren door, urenlang te kijken naar het fascinerend spektakel achter mijn gesloten oogleden. Naar de nooit eindigende kaleidoscoop van duizenden vormen en figuren, mensen en dieren, die voortdurend evolueerden en van vorm veranderden en naar de vele tientallen gezichten en tronies van onbekenden. Een panoramisch mozaïek waarin alles tegelijkertijd gebeurde. Het leek wel een psychedelische trip. De revalidatie verliep de eerste maanden redelijk goed maar niet rimpelloos. Collega’s die een identieke ingreep hadden ondergaan pochten dat ze al na een paar dagen “weer over de tafel konden springen”. Ik dus niet, zelfs niet over het bijzettafeltje. De huisarts noemde mijn klachten ”atypische pijn”, waarmee hij wou zeggen dat hij het ook niet wist. Het zou wel overgaan, wat het ook deed. Mooie momenten toen ik weer thuiskwam en mijn geliefden terugzag. Heerlijk ademen ook in mijn stadstuintje tussen het lentegroen, met de Negen Symfonieën van Ludwig van B die ik van een vriend cadeau had gekregen in de walkman, lezend in “De Smaak van Stilte”, het schitterende boekje van Bieke Vandekerckhove die op jonge leeftijd overleed aan de dodelijke spierziekte A.L.S. en die ik kende van op de Maha Karuna Zen-retraites. Uiteindelijk kwam alles goed en spring ik weer vlotjes over de uitschuiffeesttafel. In ”Hartvinder” (zie elders op deze blog) schreef ik hoe ik na mijn hartfalen op straat hartjes begon te vinden en dat daaruit een soort Heilig-Hart-mystiek ontstond. Ik ontwikkelde ook een hartvisualisatie. Ik stelde me een brok ruwe smaragd voor die fysieke en spirituele helende kracht uitstraalde naar mijn hart. Naderhand bewerkte ik het denkbeeldige hart tot een groen hart dat ik op de plaats van mijn geteisterde hart transplanteerde. Ik wist niet hoeveel leef-tijd me nog toegemeten was, maar ik nam me voor de blessuretijd te gebruiken om de smaragd verder te polijsten tot een juweel van liefde en mededogen. En om me nog meer focussen op mijn innerlijk leven, op mijn toewijding aan mijn meditatiepraktijk en aan Rabbi Jezus.
Op zaterdag 3 november 2012 maakte ik mijn dagelijkse middagwandeling in de stad. Ik gloeide nog na van de intense week meditatie in de abdij van Waasmunster met de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie. De lage zon achter mij wierp plots drie schaduwen over mij en het weggetje waar ik stapte. Een paar minuten eerder hadden drie jonge mannen mijn pad gekruist waarbij ik een slecht gevoel had en daarom de blik had afgewend om geen reacties uit te lokken. Dit drietal met sjaals en hoodie-kappen gemaskerde musketiers had rechtsomkeert gemaakt en viel me in de rug aan. Met een zware stok knuppelden ze me op het achterhoofd neer, waarna ik in elkaar geschopt en geslagen werd. Zomaar. Ik werd het lijdend voorwerp van zinloos, of beter, rede- en redenloos geweld. De overval duurde amper een paar minuten waarna ze het op een lopen zetten. Ik raakte net nog op eigen kracht thuis – een kwartier stappen – waar mijn vrouw zich een ongeval schrok toen ze haar bebloede echtgenoot zag binnenstrompelen. Ze belde meteen de dokter en de politie. Ik werd naar de spoedafdeling gevoerd waar ik twee jaar eerder was binnengebracht voor hartfalen. Diagnose : vingers, ribben, armen en benen gebroken of gekneusd en een vervaarlijk opgezwollen hoofd als dat van de Elephant Man uit de gelijknamige film van David Lynch. Gelukkig droeg ik het mutsje met extra dikke rand dat ik een paar weken eerder toevallig had gevonden en dat de klappen van knuppel en vuisten en de schoppen met zware legerboots op mijn schedel opving en op die manier veel erger voorkwam. In de spiegel zag ik wat “bont en blauw geslagen” betekende. Buiten vertoonde ik me niet meer, om mensen niet aan het schrikken te maken en om niet nóg eens heel mijn verhaal te moeten doen. Binnenskamers bewoog ik me krukkemikkig met een wandelstok voort. ’s Avonds voetje voor voetje de trap op naar boven waar het een hele onderneming was om in bed een min of meer draaglijke positie te zoeken voor mijn geradbraakte knoken. Dan volgde weer een nacht met weinig slaap en veel meditatie. En met bidden voor mijn overvallers die blijkbaar met mij nog een karmische rekening te vereffenen hadden. Ik geloof immers niet in “wrong time, wrong place”. Altijd zijn we op de juiste plaats. Gebeurtenissen komen niet, zij zijn er en wij ontmoeten ze op onze weg. Aan mij om ze op de juiste wijze tegemoet te treden. Dat is vrijheid.

Maar het ondergaan van een vergeldingsdaad op zich volstaat niet om karma te vereffenen, het gaat om de wijze waarop je erop reageert. Ondanks hun laakbare daad, kon ik mijn belagers meteen zien als slachtoffers van hun verblinding. Ik voelde ook compassie omdat ik dacht : hoeveel liefde kwamen jullie tekort om tot zo’n gratuite gewelddadige actie over te gaan? Compassie omdat ze niet alleen mij, maar vooral zichzelf geweld aandeden en omdat ze wellicht niet over de middelen beschikten om zich te transformeren. Ik voel me triest als ik eraan terugdenk, niet om wat mij, maar om wat hen is overkomen. Maar er is altijd hoop. Als ik zie dat de grote inspirator uit mijn jeugd, John Lennon, zich als jongvolwassen pre-Beatle in Hamburg aan hetzelfde gewelddadig gedrag te buiten ging en tien jaar later één van de grootste vredesactivisten van mijn generatie werd – Give Peace a Chance, War is over, Bed-ins for Peace, Imagine – komt het misschien ook met mijn overvallers weer goed. Ik zag dat trio ook als leraars. Ongevraagd stelden ze me de vraag: “Hoe reageer je hierop?”, “Wat doe je hiermee?”, “Kan je hiermee aan de slag?” Ik vond het goed dat het mij en niet iemand anders overkomen was, omdat ik wist dat ik dit aankon en iemand anders misschien veel minder of helemaal niet, met alle traumatische gevolgen van dien. Blijvende trauma’s hield ik er niet aan over, geen angsten, geen paranoia, geen wrok, wraakgevoelens of bitterheid. Heel opmerkelijk was het dat vrienden niet konden of wilden geloven dat ik dat allemaal zonder bad feelings kon plaatsen. Ze suggereerden dat ik mijn mededogen voor dat “trio infernal” veinsde omdat ik dit aan mijn zogenaamde “spirituele status” van zen-boeddhist of jarenlange meditator verplicht was… Daar keek ik toch wel even van op. Tot ik me realiseerde dat hun twijfel enkel getuigde van hun onwetendheid over de transformerende kracht van meditatie. Want in wezen had ik hier geen verdienste aan; het was doodgewoon het bijna automatisch resultaat van een jarenlange meditatiepraktijk. Er bleek “niemand thuis” te zijn om de psychologische klappen te incasseren of een boekhouding van negatieve gevoelens bij te houden. Het leek ook niet “mijn” ontploft brein, “mijn” geteisterd hart, “mijn” gekneusd lichaam, “mijn” verwerpelijke overval, “mijn” pijn te zijn. En dit moet niet verward worden met dissociatie, het mechanisme waarbij lichaam en bewustzijn gesplitst worden om aan de confrontatie met een trauma te ontkomen. Het was eerder alsof er geen “mijn” bestond en alleen maar “brein”, “hart”, “lichaam”, “overval”, ” pijn”, even zovele verschijnselen die per definitie ook verdwijnselen zijn.
Wegens de beperkte ruimte kan ik het hier niet uitgebreid hebben over een ander soort leed. Zielenleed. De laatste acht jaar moest ik immers afscheid nemen van twee hartsvriendinnen met wie ik een half mensenleven heel close was, van vriend M met wie ik begin jaren ’70 de eerste stappen zette op vele esoterische en spirituele paden en van collega en spirituele vriend R. met wie ik heel mijn beroepsloopbaan had samengewerkt. Over de dood van mijn vrouw Gerda schreef ik reeds in “Tekens van Leven en Liefde” (zie elders op deze blog). We huilen wanneer iemand van deze naar de Andere Wereld geroepen wordt. Zou er ook in de Andere Wereld – waar bewustzijn vrij van vorm is – gehuild worden wanneer een ziel naar déze wereld vertrekt om in de stugge materie te incarneren en met de moeilijk draaglijke zwaarte van het bestaan aan de slag te gaan? Ik vind het leven een razend interessant experiment, maar ook vermoeiend en beperkend. Zeker op mijn leeftijd maken beproevingen het makkelijker om mijn stoffelijk lastpak uit te trekken. Het zal een opluchting zijn om dit knellende keurslijf af te leggen, dit te krap kostuum in de kistkast te leggen om gewichtloos hemelwaarts te vliegen. Als Gods engelenkoren maar niet permanent van katoen geven en de cherubijnen niet te luid trompetteren voor mijn fijnstoffelijke oren!

“Om de kwaliteit van ons spiritueel leven in te schatten, hoeven we alleen maar te kijken naar de rust, de tederheid en de kracht waarmee we reageren op de omstandigheden van ons dagelijks leven”, zegt mystica Evelyn Underhill, mysticus Jan van het Kruis citerend. Mijn gezondheids- en andere problemen zie ik als even zovele tests voor mijn spirituele praktijk. De snelle opeenvolging ervan zoals hiervoor beschreven, zorgt ook voor een versnelde inlossing van karma. Ik denkdat ik die tests tot nu toe met redelijk goed gevolg en met gelijkmoedigheid doorstond. Gelijkmoedigheid komt me nu overigens goed van pas bij de voor mij lastigste beproeving van allemaal. Het aanpalende huis links én rechts van mij werd/wordt immers van boven tot onder gestript en gerenoveerd, revalidaties die al vijf jaar aanslepen en bij momenten uitermate veel eisen van mijn hoogsensitief ‘nerveus systeem’. Een mens wordt altijd beproefd op de plekken waar hij het meest kwetsbaar is. Kloppen, breken, boren, zagen, tijdens de werkdagen én op zaterdag. Ook op dit eigenste ogenblik terwijl ik dit schrijf. Soms werkdagen van 6 u 30 tot 18 u. En boven al die geluidsoverlast uit : de ghettoblaster die zijn decibels braakt. Heel de dag met dubbele oordoppen in mijn twee beste luisteraars, waardoor ik me opgesloten voel in mijn zoemend hoofd. En dan zwijg ik nog over het stof, het afval en de zeventien barsten in het pleisterwerk van mijn muren en het lek in mijn plafond die door de verbouwingen veroorzaakt werden. Uitputtend. Het is elke dag weer afwegen op welke verdieping en in welke kamers van mijn huis het enigszins uit te houden zal zijn. Mijn leefkwaliteit wordt er danig door aantast. Simpelweg gezegd: ik voel me niet meer thuis in mijn eigen huis. En vaak zie ik er tegenop om naar huis te komen. De onvoorspelbaarheid ook. Komen ze vandaag? Hoe lang zullen ze werken? Hoeveel overlast zullen ze veroorzaken? Zal ik moeten uitwijken naar een vluchtadres? Improviseren en dus flexibiliteit zijn een must. Dit alles heeft eveneens een grote impact op mijn spirituele praktijk. Het vast stramien en het dagritme waarop ik mijn meditaties en spirituele oefeningen doe is er niet meer. Op mijn vaste meditatieplek boven op mijn kamer zit ik nog zelden. Ik moet het doen op een tijdstip waarop het even relatief stil is. Elke situatie is een leermeester, maar dit is er toch wel een van de veeleisende strenge soort. Een grote oefening in aanpassingsvermogen en in acceptatie van de dingen zoals ze zijn. Ik weet het wel, er zijn veel ergere dingen in het leven en in de wereld, maar dit is nu eenmaal mijn situatie. Ik ben me ervan bewust dat ik sowieso nog onderdak heb in een prachtig huis, wat onnoemelijk velen missen. Hoe dan ook, Het is een grote oefening om in deze omstandigheden gelijkmoedig en vriendelijk te blijven tegenover mijn nieuwe buren, waar ik in slaag. Ik zie deze ingrijpende sloop- en verbouwingswerken ook als parallelle gebeurtenissen in de uiterlijke wereld van de transformaties die ook binnenin mezelf gebeuren.
Ja, ik had me bij een rustige oude dag wel iets anders voorgesteld. Het leven mag dan al niet altijd mild zijn, je kan het met mildheid tegemoet treden. Pijn en lijden kunnen deel uitmaken van een proces van diepe zuivering. Spirituele levenskwaliteit kan op velerlei manieren gerealiseerd worden en ieder gaat zijn eigenste pad. Ieder bekje zingt immers zoals het gevogeld is. Zelf schrijf ik het toe aan mijn meditatiepraktijk. Mensen kunnen het amper geloven dat een simpele oefening als stille meditatie – “alleen maar zitten” bij zen-meditatie of toegewijd je mantra herhalen bij christelijke meditatie – ingrijpende veranderingen teweeg kan brengen. Enige vereiste is om niet halfslachtig wat te liefhebberen, maar jezelf écht te engageren om één of tweemaal daags te oefenen. Zelden geef ik mensen goede raad – goede raad is immers vaak goedkope raad – maar als ik van één ding zéker ben, dan is het wel van de transformerende kracht van meditatie en van haar vruchten: een zachtgekookt hart, innerlijke vrede, helderheid, verbondenheid met alles en iedereen. “The Pursuit of Happiness” wordt in de Amerikaanse grondwet gewaarborgd als een mensenrecht. Achteruitkijkspiegelend zie ik dat ik nooit bewust persoonlijk geluk heb nagestreefd, wél zin en betekenis. Maar misschien is een zinrijk betekenisvol leven net dàt wat mijn geluk uitmaakt, ook wanneer het levenspad niet over rozen gaat.

Neen, onbewogen bleef ik er niet onder. Alleen de stenen Boeddha in mijn tuintje geeft geen krimp bij hittegolven, wolkbreuken, vrieskou, stormen. Maar bewogen zijn brengt ook dingen in beweging. Het was niet allemaal kommer ende kwel, wel integendeel. Deze in al zijn takken krakende oude notelaar kende zowaar nog een onverhoopte late bloei, op velerlei vlak. Klopt de zegswijze uit mijn kindertijd dan toch, dat je flink met een stok in de takken moet rammelen om de noten eraf slaan, want dan brengt de boom het jaar daarop meer vruchten voort. Wat ik nooit had verwacht: die moeilijke jaren waren ook zeer productief. Zo publiceerde ik jaarlijks in verschillende geschiedkundige jaarboeken en tijdschriften. De “Genealogie Van Meirhaeghe” waaraan ik 40 jaar gewerkt had, verscheen eindelijk in boekvorm, net zoals de biografie en het Liedboek van mijn overgrootvader-marktzanger waar ik ook 40 jaar onderzoek naar deed. Er kwam een website van de Familievereniging Van Meirhaeghe waarvoor ik een hele reeks artikels schreef. Ook spirituele tijdschriften namen mijn teksten op en er kwam een heus boekje met de titel “Mens van de Weg, Het pad van meditatie als levensweg”. Ik werd geïnterviewd over mijn pad en gevraagd voor een aantal lezingen daarover. In 2012 sloot ik aan bij de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie en een jaar later startte ik een meditatiegroep van die strekking die wekelijks bijeenkomt. Ook mijn zen-beoefening vond een nieuw elan. Na mijn 70ste ontwikkelde ik, vanuit een grote liefde voor Rabbi Jezus en bij wijze van “spiritueel testament”, een nieuwe meditatievorm en plaatste die via een blog in de wereld: Rabbi Jezus Yoga. Evenzeer belangrijk : ik kreeg een vierde kleinkind cadeau – zijn tweede doopnaam is Rumi – en nieuwe grote vriendschappen ontvouwden zich. Ik wil hier niet uitpakken met mijn palmares, alleen maar zeggen dat, ook al gaat de weg niet altijd over rozen, er nog zoveel positieve ontwikkelingen waren, tot welbevinden van mezelf en van ’t algemeen. Ik voel een grote dankbaarheid, niet alleen omdat ik nog extra time kreeg – wat betekenen verlengingen immers als er niet meer gescoord wordt ? – maar omdat die tijd gekenmerkt wordt door een almaar intenser, rijker innerlijk leven. Nooit gedacht dat ik in mijn ouwe dag nog spirituele groeischeuten zou krijgen. Dat mijn wortels zich almaar dieper in de Ongrond zouden boren en mijn takken steeds hoger zouden reiken in het Eeuwige Blauw van de hemel. Waar zal dat eindigen met dit klein Pierke? Bij G*d, in G*d, ongetwijfeld. Ik zit dus op rozen. En de doornen die in mijn derrière prikken neem ik erbij.
Herman Meirhaeghe