“Stambewaarder van het geslacht Van Meirhaeghe”. Eretitel die me door de familievereniging gegeven werd en waar ik me kan in vinden. Vandaag de dag is genealogie een veel beoefende respectabele hobby, maar ooit was dat anders, althans in de perceptie van weleer. Toen ik halfweg de jaren 1970 startte met stamboomonderzoek, was dat voor een halve hippie en een linkse rakker absoluut not done. Stambomen was op zijn best een oubollige bezigheid voor gepensioneerde dorpsonderwijzers, rentenierende dorpsnotabelen en blauwbloedigen met teveel tijd. Ik was 26 toen ik ermee begon, sexy was het niet en leeftijdgenoten trof ik niet aan in de archiefzalen. “Stambomen” werd door mijn contesterende kompanen geassocieerd met de rassenleer van Nazi-Duitsland, waar “Ahnenkunde” aangewend werd om Arische raszuiverheid te bewijzen. Die dubieuze reputatie kon me er echter niet van weerhouden om mijn kinderdroom te realiseren. Als knaap al was ik heel nieuwsgierig naar mijn familiale voorgeschiedenis. Ik zeurde mijn vader de oren van de kop om onze stamboom te maken. Ik zocht me alvast een cahier waarin ik rudimentaire stamboomschema’s tekende die amper drie generaties terug reikten – ouders, grootouders, overgrootouders. De rouwprentjes die ik uit de missaals van mijn ouders en grootmoeders plukte, kleefde ik erbij als illustratiemateriaal. Waar kwam dit verlangen vandaan? Was het een uiting van mijn aangeboren voorliefde voor geschiedenis en voor alles wat “antiek” was? Of het gemis van een enig kind dat naar een grote familie verlangde? Was het de diepe behoefte aan bloedverwanten en een echte familienaam van de vondeling die ik was in een vorig leven dat zich eind 19de eeuw in Gent afspeelde en dat zich veel later tijdens een regressie-therapie aanbood? Hoe dan ook, in de hete zomer van 1976, een jaar na de geboorte van ons eerste zoontje, klom ik in onze stamboom. Na veertig jaar vorsen publiceerde ik de resultaten van mijn zoekwerk, waar ik bijna dagelijks mee bezig was geweest. Twee forse boekdelen, samen 870 pagina’s: “Genealogie Van Meirhaeghe 1200 – 2016, Acht Eeuwen Familiegeschiedenis”. Het uitzonderlijk succes van mijn onderneming schrijf ik deels toe aan de zegen van mijn voorouders, die ik via rituelen bij het onderzoek betrok. Het is immers voor een niet-adellijke familie heel zeldzaam om in een ononderbroken lijn terug te kunnen gaan tot bij de eerste naamdrager die omstreeks 1200 leefde, tijd waarin de allereerste familienamen werden aangenomen. Bij een aloude familie hoort een familiewapen. Dat blazoen – waarop een zeemeermin en een dolfijn prijkte – vond ik niet alleen op de wassen zegels waarmee mijn voorzaten officiële stukken waarmerkten, het liet zich ook in natuurlijke versteende vormen vinden. Deze bijdrage is een getuigenis over het leven dat vol wondertjes zit die zich voordoen wanneer de niet-alledaagse werkelijkheid en de doordeweekse realiteit elkaar ontmoeten op bijzondere momenten of plekken.

Een kei is een bolleboos, een genie, een crack. De laatste jaren is het een keilelijk prefix geworden om de overtreffende trap van iets uit te drukken: keigoed, keilief, keileuk, enz. Maar een kei is in de eerste plaats een doodgewone steen. Over die laatste soort wil ik het hier hebben. Voor ik jullie het verhaal vertel over de “magische meerminkeien van Walem”, eerst iets over de intuïtieve aanpak die ik bij het stamboomonderzoek hanteerde. Noem het flair, paranormaal of wat dan ook, het resultaat was overweldigend. Genealogie vraagt uiteraard eindeloos veel rationeel gericht zoekwerk in de archiefbronnen, maar de mooiste vondsten deed ik zonder te zoeken. Bij toeval. Mijn levensmotto luidt trouwens: “Non quaerens, inveneris”, wat zoveel betekent als : “Ik zoek niet, maar ik vind”, “Ik vind zonder te zoeken” of “Niet-zoekend, vind ik”. Een duur woord voor “vinden zonder zoeken” is serendipiteit, d.i. het vinden van iets onverwachts en bruikbaars terwijl je op zoek bent naar iets anders. Het is de kunst een toevallige en onbedoelde vondst van iets nuttigs te doen, terwijl je er niet naar zocht of iets anders op het oog had. Aan de basis daarvan ligt affiniteit tussen de vinder en het gevondene. Deze capaciteit om op een intelligente manier, maar op basis van toeval, iets te ontdekken waar ik op dat moment niet bewust naar op zoek was, heeft zich tijdens mijn stamboomonderzoek menig keer voorgedaan. In wat volgt, wil ik met jullie enkele spirituele, zeg maar magische ervaringen delen i.v.m. dergelijke verrassende vondsten en “ontmoetingen” met de totems uit ons familiewapen: meermin en dolfijn. Sommigen zullen dit afdoen als blind of stom toeval. Voor mij zijn het uitgesproken voorbeelden van serendipiteit of van haar zusje “synchroniciteit”, een begrip dat door de grote dieptepsycholoog Carl Gustav Jung werd uitgewerkt. Via gesprekken met Albert Einstein (Nobelprijs fysica 1921) en Wolfgang Pauli (Nobelprijs fysica 1945), geloofde Jung dat er parallellen waren tussen synchroniciteit en aspecten van de relativiteitstheorie en de kwantummechanica. We speken van synchroniciteit wanneer een innerlijke beleving een plotse overeenkomst vindt in de buitenwereld, zonder dat er sprake is van een causaal verband, zonder dat het éne het àndere veroorzaakt. “We spreken van den duvel en we zien zijne staart” is daar een simpel voorbeeld van. Tussen de innerlijke wereld en de gebeurtenis in de buitenwereld bestaat dan een niet-oorzakelijk verband, of toch niet een aanwijsbare, rationele, meetbare relatie zoals we die in de realiteit kunnen leggen. Synchroniciteit veronderstelt een onderliggend patroon waarin geest en materie een eenheid vormen (unus mundus : één wereld). Dat patroon werd door de oude wijzen de “anima mundi” of “wereldziel” genoemd. We kunnen synchroniciteit kortweg omschrijven als “betekenisvol toeval”. Wanneer zoiets zich voordoet, heb je het onbetwistbare gevoel dat je in aanraking komt met het boven-natuurlijke, het numineuze, of in ieder geval met iets dat de rede en de redelijkheid te boven gaat. Synchroniciteit is het universum dat “ja” zegt. Jung zei dat synchroniciteit een altijd aanwezige realiteit is voor zij die er oog voor hebben. Ik had er oog voor. (Hieronder : zegel van Meester Symoen V M, 1475-1519, pastoor van Wortegem)

Een tijdlang maakte ik jaarlijks minstens één keer een solitaire voettocht doorheen de voormalige heerlijkheid van Walem te Wortegem, het gebied waar onze stamboom begin 13de eeuw wortel schoot en er zich gedurende vele eeuwen verder ontwikkelde. Dan stapte ik door de Meirhaegstraat, waarvan de naam teruggaat op het 10de– eeuwse Frankische toponiem en domein “merahaga” (moerassig gebied omzoomd met laagstammig hout) en waaraan mijn voorouders de plaatsnaam als familienaam ontleenden. Dat landelijk straatje start vlakbij het Hof van Walem, waar ik het al over had in “Welkom in Falconia” (zie elders op deze blog). Soms deed ik die medicijnwandeling omstreeks Allerheiligen en Allerzielen, jaartijd waarin de grens tussen deze en de Andere Wereld vervaagt en contact maken met de overledenen makkelijker is. Altijd deed ik het om me te verbinden met voorouders en naamgenoten die mij waren voorgegaan en die zich hier – en elders – een weg door het leven hadden geploegd. In 1996 maakte ik mijn vooroudertocht echter niet in het najaar, maar op de mooie lenteochtend van zaterdag 1 juni. Dit keer deed ik mijn “medicijnwandeling”, zoals de oorspronkelijke Amerikanen dat noemen, om aan de Spirits van de Voorouders kracht en inspiratie te vragen voor de Vision Quest die ik een maand later zou ondernemen (zie ook “Hartvinder” elders op deze blog). Ik citeer uit mijn dagboek. “Opstaan om 4 uur, back to the roots! Mijn vijf uur durende voettocht begint om 5 u 30 aan het kerkje van Ooike. Ik stap richting Wortegem en Walem. In het glooiende landschap liggen de hoeven waar de voorouders ooit woonden nog te slapen. Niemand op pad, alleen deze wakkere stambewaarder.” Het is mijn gewoonte om van mijn wandelingen een souvenir mee naar huis te nemen. Soms is dat een handvol aarde uit de Meirhaegstraat of de Walemse kouters, een andere keer een verloren muntstuk, een potscherf, een buizerd- of valkenveer. Dit keer viel mijn oog op een kei ter grootte van een kippenei die, vlakbij de inrijpoort van het Hof van Walem, in de wand van de verhoogde berm van de holle weg stak. Ik vond ‘m dus op het plekje van mijn eerste ontmoeting met mijn zielengids Falco een paar jaar eerder (zie elders op deze blog: “Welkom in Falconia”). Ik peuterde de kei los uit de klei en stopte ‘m in mijn rugzak. Bij elke stap hoorde ik ‘m omineus tegen mijn veldfles tok-tok-tokken. Als een klopgeest die me nadrukkelijk iets wou vertellen. Thuiskomen, de laatste restjes gele klei van de kei afspoelen, hem wegen in mijn hand en hem vanuit alle mogelijke hoeken bekijken. Een pokdalige, donkerbruine, bijna zwarte steen waarin een lichter egaal bruin-grijs gesteente zich aftekent… Met een schok herkende ik in dit lichtbruine gedeelte de contouren van een zeemeermin!(zie schets illustratie). De meermin op de kei toont zich in vooraanzicht : een rond gezicht met ogen, neus en mond; lange haren; haar lijf met de naar rechts gewende en opgekrulde vissenstaart; haar rechterhand uitdagend op de heup geplaatst; in haar linkerhand de klassieke ronde spiegel ter hoogte van haar hoofd. Precies zoals ze op ons familiewapen is afgebeeld ! Ik geloofde mijn ogen niet en riep er mijn huisgenoten bij. Zonder veel moeite herkenden ze in de lichtbruine omtrekken de afbeelding van de zeemeermin die er miljoenen jaren geleden bij toeval door Moeder Aarde werd op aangebracht!

Wanneer ik deze kei aan vrienden toon, wordt wel eens opgemerkt dat iemand anders daar wellicht iets heel anders in projecteert of ziet. Dat is best mogelijk, maar waar het om gaat is dat ik, in mijn hoedanigheid van stambewaarder, op deze plek die het eigenste hart van onze bakermat is, een kei vindt waarop ons familiewapen te herkennen is. Dit is méér dan blind toeval, toch? This is magic ! In de loop van mijn stamboomonderzoek deed ik talloze verrassende, interessante, schitterende ontdekkingen in de archiefbronnen. De vondst van deze meermin-kei is niet alleen één van de allermooiste, maar voor mij persoonlijk is ze ook van een grote spirituele betekenis. Ik bedoel, het lijkt wel of “de Spirits van de Voorouders” zélf deze steen op mijn pad hebben gelegd, bij wijze van zegen en bevestiging van mijn jarenlang doorgedreven onderzoek. Zou het een blijk zijn van hun dankbaarheid omdat ik hen van de naamloosheid en de vergetelheid heb gered? Ik wist meteen ook dat mijn voorouders me zouden beschermen tijdens mijn Vision Quest. Deze meermin-kei kreeg uiteraard een speciale plaats op mijn huisaltaartje en ik zorg ervoor dat hij binnen de familie bewaard blijft en doorgegeven wordt aan mijn nageslacht. Ik vind dus niet alleen hartjes en centjes – pennies from heaven – maar ook betekenisvolle stenen. Altijd al had ik een goede band met het “stenenvolk” zoals de oorspronkelijke Amerikanen dat zeggen. Als kind verzamelde ik niet alleen fossielen, maar ook doodgewone stenen waar iets speciaals mee was naar vorm of kleur. Toen ik huwde sleepte ik heel mijn collectie mee naar Gent en nu liggen ze rond de totem op mijn werkkamer en bij het beeldje van de deva in mijn stadstuintje. Daar ligt ook onze onvergetelijke hond Chico begraven met bovenop zijn grafje een steen die ik kort na zijn dood in ons tuintje vond en wonderlijk sterk lijkt op het profiel van zijn hondenkop!

Een kleine tien jaar later – op 11 juni 2005 – maakte ik nog eens een Walemse rootswandeling met als doel de Spirits van de Voorouders te vragen om de finale publicatie van de stamboom te helpen realiseren. Ik citeer uit mijn dagboek : “Ik doe deze medicijnwandeling om het rootsproject – de genealogie Van Meirhaeghe – volledig te kunnen afwerken, nog in dit leven!” Om zoveel mogelijk de stilte te ervaren en zo weinig mogelijk mensen te ontmoeten, deed ik ook deze wandeling op een vroege zaterdagochtend van 5 u tot 8 u. Onderweg raapte ik willekeurig een zestal keien en natuurstenen uit de bermen of van de akkers. Op de Walem-kouter vond ik een grote eivormige steen, minstens tweemaal zo groot als de voornoemde meerminkei. Aanvankelijk merkte ik niet meteen iets speciaals op. Pas tien dagen later, bij een hernieuwd nazicht, zag ik dat er alweer magic in the air was. Op de voor- en achterzijde van de steen stonden respectievelijk een meermin én een dolfijn afgebeeld! Niet zo geprononceerd en gedetailleerd als op de eerste kei, maar duidelijk genoeg (zie bovenstaande illustratie/schets voorzijde) : een blauwgrijze meermin die zich aftekent tegen een witgrijze achtergrond. Geschubd lichaam en staart met vinachtige uitsteeksels. Op de borststreek tekent zich een wit hartje af. Eén (afgebroken) arm in de lucht, de andere op de heup. De meermin staat in de klassieke heraldische houding: rechtop, op haar staart. Op de keerzijde tekent zich een zwarte dolfijn af, met kleine staart en twee vinnen. Ook oog en snuit zijn herkenbaar. Onze twee familiewapens op één enkele steen verenigd, willekeurig opgeraapt in het hartje van onze bakermat : alweer een synchroniciteit die kon tellen, toch? Terwijl ik de bovenstaande schets van de meermin zat te maken – op 21 juni 2005, omstreeks 15 u 35 – stond Radio Klara op. Ik luisterde met een half oor naar “De Vuurproef” met Karel Nijs. Hij liet de luisteraar kennismaken met een nieuwe cd met pianomuziek : het adagio assai en vivace uit het Concerto voor klarinet en orkest door het Helsinki Philharmonic Orchestra o.l.v. Leif Segerstam. Driemaal had Nijs het over… “dit Ondine-album”. ‘Ondine’ blijkt een platenlabel uit Helsinki te zijn dat vooral klassieke muziek van Finse componisten uitgeeft. Hoorde ik dat goed? Ondine ? Een ondine is immers een waternimf of meermin ! Dit was een synchroniciteit bovenop een synchroniciteit en dit dubbel betekenisvol toeval kon alleen maar mijn magische vondst bevestigen. De kei bevestigde ook de intentie waarom ik deze wandeling had gemaakt, want, out of the blue, kreeg ik een telefoontje van de voorzitter van de geschiedkundige kring Oudenaarde die me spontaan het voorstel deed om (een deel van) mijn genealogie in vijf afleveringen te publiceren in hun gerenommeerde jaarboek ! Dit opende deuren en vanaf dat moment publiceerde ik jaarlijks gedurende een periode van 15 jaar ook historiografische artikels over zeer uiteenlopende onderwerpen in diverse geschiedkundige jaarboeken.

De keuze van mijn voorouders voor de meermin als wapenfiguur mag dan al van enige originaliteit getuigen, ze was niet zo evident. Al sedert een paar millennia was de mythische sirene en/of zeemeermin een op zijn minst dubbelzinnig fabelwezen. Ze had de kwade roep dat ze met haar onweerstaanbaar gezang zeelui en ander mansvolk lokte, verleidde en de dood insleurde… De positieve, goddelijke en spirituele eigenschappen die ze in de oudheid toch nog volop bezat – de Feniciërs vereerden de liefdesgodin Atergatis die half vrouw, half vis was – werden met de grove christelijke bezem de biechtstoel en de kerk uit geveegd. Zo werd Maria Kleophas, die volgens de overlevering enkele jaren na de dood van Jezus samen met Maria Salomé en Maria Magdalena het Heilig Land verliet, de Middellandse Zee overstak en in Saintes Maries de la Mer in de Provence aan wal ging, vaak afgebeeld met een vissenstaart en vereerd als heilige hoer.Voor de Roomse kerk was de langharige en fraai gewelfde maerminne of meerminne de belichaming van één van de zeven hoofdzonden, luxuria, beter gekend als wellust in al haar vormen. De kam en de spiegel waar ze steevast mee wordt afgebeeld, en die ze geërfd had van de Griekse liefdesgodin Aphrodite (Venus) die uit het schuim van de zeegolven werd geboren, werden beschouwd als de attributen van de prostituee, de lichtekooi… De zeemeermin werd dus een femme fatale die voor het godvrezende volk werd afgeschilderd als de vleesgeworden ontucht die mannen in het verderf stortte. In dit licht lijkt de keuze voor een meermin als wapenfiguur inderdaad niet zo vanzelfsprekend en het is minstens merkwaardig te noemen dat een priester als Meester Symoen Van Meerhaghe, die omstreeks 1520 pastoor van Wortegem was, met een zeemeermin zegelde en niet met een zedige geslachtloze dolfijn zoals zijn broers het deden. De beslissing om een welbepaald familiewapen aan te nemen werd immers nooit lichtzinnig genomen, wel integendeel, een familieblazoen had altijd een specifieke symbolische betekenis. Wat dreef die Van Meirhaeghes ertoe om, ondanks haar dubieuze reputatie, tóch voor een meermin te kiezen? Vissers waren ze immers niet en in vogelvlucht woonden ze ruim 50 kilometer van de Vlaamse kust vandaan, waar van aloude tijden verhalen over meerminnen de ronde deden. In gebieden met een Keltische bevolking zijn sagen over waterfeeën en meerminnen wijd verbreid. In Wales, Schotland en Ierland worden ze ook met bepaalde families in verband gebracht. John Rhys, kenner van Keltische folklore, tekende verschillende sagen op waarbij bepaalde personen of families hun afkomst op zo’n waterfee terugvoeren en daar trots op zijn. Zou binnen de clan Van Meirhaeghe ooit het verhaal de ronde gedaan hebben dat ook zij van een meermin afstamden? Ik vond nochtans nog nooit na het baden schubben in mijn badkuip.
Prehistorische rotstekeningen suggereren dat een groep van buitenaardse “vis-mensen” van achter de sterren naar de aarde kwamen. (Zie hoger illustratie: prehistorische meermannen en dolfijnen in elkaars gezelschap). Deze kosmische meermannen waren volgens hun verhalen extreem intelligent en spiritueel. Ze zouden geholpen hebben bij de evolutie van onze soort en de primitieve mens de beschaving bijgebracht hebben. Dolfijnen zouden de directe afstammelingen zijn van deze alien meermannen en meerminnen. Het Dogon-volk uit Mali, West-Afrika, en sommige Australische aboriginals beweren dat ze afstammen van dolfijnen en dat verklaart de dolfijn in hun rituelen. In het antieke Soemerië, Mesopotamië, bakermat van onze beschaving, wordt melding gemaakt van wezens half-mens half-vis die de beschaving brachten. Zo was er de Babylonische god Oannes die elke dag als een meerman uit de oceaan opdook om zijn wijsheid te delen met de volkeren aan de Perzische Golf. Overdag onderwees hij hen in de geschreven taal, de kunsten en de wetenschappen, ’s nachts keerde hij terug naar de zee (zie lager: illustratie).

Afgezien van het negatieve imago waarmee het christendom haar in het Westen opzadelde, bleef de meermin op andere continenten een positief wezen. Zo zijn meerminnen en dolfijnen alom present in het sjamanistisch universum. In hun door plantaardige, bewustzijnsverruimende middelen (ayahuasca, ibogaïne, psylocibine paddenstoelen, mescaline, peyote cactus) of via andere methodes opgewekte trances en visioenen, ontmoeten de sjamanen heel frequent meerminnen en dolfijnen. Intelligenties of entiteiten uit andere (bewustzijns)werelden manifesteren zich vaak door middel van dieren en theriantropen, dit zijn wezens die half dier half mens zijn. Deze hybriden zijn dan vaak het vruchtbaar resultaat van seks tussen een mens en een entiteit uit die andere wereld. Een kind, geboren uit een meerminmoeder en een menselijke vader, blijft achter in de onderwaterwereld waar het een machtig sjamaan wordt. Hedendaagse Zuid-Amerikaanse sjamanen aanroepen, wanneer ze ayahuasca innemen en genezingen uitvoeren, de “vegetalistas” (genezers, sjamanen) die onder water leven en van wie de moeders meerminnen zijn. Ook 21ste- eeuwse, Westerse gebruikers van ayahuasca signaleren regelmatig ontmoetingen met meerminnen in hun visioenen. Daarvan getuigt onderstaande illustratie: een detail uit het ayahuasca-visioen van Peruviaanse sjamaan-schilder Pablo Amaringo.

Zou het kunnen dat de Van Meirhaeghes hun familiewapenfiguren niet aan de alledaagse werkelijkheid ontleend hebben, maar aan dergelijke psychedelische ervaringen of visionaire zielenreizen? Had de meid van de pastoor van Ooike – buurdorp van Wortegem- in 1660 immers in een rechtszaak niet verklaard “dat het geweten was dat de Van Meirhaeghes van geslachte tot geslachte toveraers en toveressen waren ?” Dat was geen loze bewering, want dertig jaar eerder werd te Nokere de “heks” Clara De Vos verbrand – over wie ik elders uitgebreid publiceerde – wegens deelname aan heskensabbats op de Steenakker vlakbij Walem, waaraan ook Cornelia Windels deelnam, de echtgenote Paesschier Claerbaut, schepen van Ooike. Cornelia was de schoonmoeder van Willem Van Meirhaeghe, schepen en griffier van Ooike en zoon van Jan Van Meerhaeghe, baljuw van Ooike. Daarmee is het alom aanvaarde en wijd verbreide cliché uit de wereld geruimd dat heksen altijd arme ongeletterde vrouwen waren die aan de zelfkant van de maatschappij leefden. Heksen en tovenaars hadden blijkbaar een internationaal netwerk, want in datzelfde 1660 werd ene Catharina van Merhagen in Grossengottern, Thüringen, Duitsland, van hekserij werd beschuldigd.

“The Magical Mystery Tour is going to take you away”. In 1967 maakten mijn tijdloze idolen The Beatles hun gelijknamige, niet zo tijdloze film The Magical Mystery Tour. Genealogie was voor mij een mystery tour, een reis in de tijd, met magische momenten die mijn onderzoek richting gaven, en me zelfs in vervoering brachten. Stambomen was nooit alleen maar een interessante hobby of een rationele hulpwetenschap van de geschiedschrijving die werkt met exacte namen en data en plaatselijke historische feiten. Genealogie was ook méér dan alleen maar de bevrediging van mijn nieuwsgierigheid naar mijn voorouderlijk verleden. Dat ik sedert de ontdekking van ons familiewapen in september 1980 een zilveren meerminnetje om de hals draag, getuigt van méér dan alleen maar van de band met het blazoen dat mijn voorouders vanaf de 14de eeuw gebruikten om er akten mee te zegelen. (Zie bovenstaande illustratie: zegel van mijn voorvader Lodewijck VM, 1460-1520, schepen van Walem). Evenmin bevat genealogie voor mij louter emotionele componenten – familietrots, familiegevoel, de voelbare bloedband – maar heeft ze ook een spirituele dimensie. Uiteraard wou ik op de eerste plaats een degelijke, historisch verantwoorde familiegeschiedenis schrijven, maar er speelden ook dingen mee die buiten het doordeweekse kader, ja, zelfs buiten de alledaagse werkelijkheid vielen. Er waren plotse ingevingen, intuïties en dromen die mij de juiste zoekrichting aanwezen en er was serendipiteit en synchroniciteit die het heilige vuur aanwakkerden.

Bij het gaan van een spiritueel pad gaat het erom dit niet te beperken tot het meditatiekussen, maar alle aspecten van je leven erbij te betrekken, ook je hobby’s. Zoals de andere dagelijkse bezigheden, probeerde ik ook die stamboomhobby van mij, waar ik onfatsoenlijk veel uren mee bezig was, te sacraliseren. Daartoe installeerde ik op mijn werkkamer een huisaltaartje voor de voorouders. Daarop plaatste ik enkele foto’s en afbeeldingen van ons familiewapen. Er staan ook enkele flesjes met voorouderlijke grond van de plekken waar mijn voorzaten de voorbije acht eeuwen gewoond hebben. De magische keien van Walem hebben er de ereplaats, dat spreekt. Elke weekdag voer ik daar een kort en op zondagochtend een uitgebreid ritueel op voor de voorouders, waarbij ik wierook en water – element van de meermin – offer. Luidop reciteer ik de stamreeks van 25 generaties, van bij mezelf tot bij onze stamvader en -moeder uit de 13de eeuw. Vervolgens zing ik, op een simpele melodie, het “Krachtlied voor de Voorouders” dat ik maakte, waarvan het keervers luidt : “Connecting with the Spirits of my ancestors”. Die connectie met de voorouders leverde, zoals gezegd, een onwaarschijnlijk resultaat op. Ik schreef ook een “Gebed voor de Voorouders” : “Spirits van de Voorouders, dank voor de zegeningen van de voorbije dagen, weken, maanden en jaren; geef me inzicht, inspiratie, liefde en kracht om het project waaraan ik werk tot een goed einde te brengen en stuur mensen op mijn pad die me daarbij kunnen helpen”. Die zegeningen zijn alle prachtige vondsten die ik ooit deed en het onbetaalbare genoegen dat ik eraan beleefde. Het project waarvan sprake is uiteraard de genealogie Van Meirhaeghe. Dat me overvloedig inzicht, inspiratie, liefde en kracht werd geschonken, bewijst ons zeer succesvol onderzoek. Ik mag dan al een begenadigd genealoog zijn en enig schrijftalent bezitten, het technisch realiseren van dit werk in boekvorm en het organiseren van een familiefeest waarop het boek op de buitenwereld werd losgelaten, is niet bepaald mijn ding. Daar ontbreekt me het talent voor. Naarmate de jaren verstreken begon mijn hart soms onrustig te kloppen en brak het zweet me uit bij de gedachte dat mijn magnum opus nog altijd ongepubliceerd in de lade lag of begraven op de harddisk van mijn computer. Mocht ik plots naar de Overkant geroepen worden – ik stond al een paar keer met één voet in de oversteekboot van de veerman – zou veertig jaar onderzoek tevergeefs geweest zijn… Ik had dus dringend handige helpers nodig om de publicatie in boekvorm voor mekaar te krijgen. Vandaar mijn verzoek: “Stuur mensen op mijn pad die me daarbij kunnen helpen”. Ook dit gebed werd verhoord, en hoe ! Niet één, maar vijf naam- en stamgenoten boden zich spontaan aan om mij te helpen bij de realisatie van wat ik toch wel mijn levenswerk mag noemen. Wat ik wil zeggen is : open je innerlijk oog voor de magie van het dagelijks leven. Het vrolijkt je niet alleen op, het geeft je ook het gevoel deel uit te maken van een groter geheel. Leg je kritische functie af en toe het zwijgen op en durf een beroep te doen op krachten die buiten jou om bestaan en die je al bij al beperkte mogelijkheden en inzichten ver overtreffen.
Mijn wens wanneer mijn levensliedje hier is uitgezongen is dat aan de Overzijde een ontvangstcomité van de familie me verwelkomt en dat mijn vader Jan me voorstelt aan zijn vader Auguste Meirhaeghe, die kort voor mijn geboorte overleed, en aan diens vader Desiré, diens vader Karel Lodewijk, diens vader Pieter Frans, diens vader Pieter Joseph, diens vader Jan Frans, diens vader Augustijn, diens vader Pieter, diens vader Jan, diens vader Jan van Meirhaeghe, diens vader Roegier, diens vader Franchoys, diens vader Roegier, diens vader Lodewijck, diens vader Lodewijck, diens vader Joos, diens vader Willem, diens vader Fransois, diens vader Gillis, diens vader Jan, diens vader Wouter, diens moeder Gertrudis en aan haar vader Willem van Meerhage, de allereerste bekende naamdrager. En aan al hun echtgenotes, mijn voormoeders. Bien heureux de se retrouver ensemble ! Dan kunnen ze me eindelijk eens uitleggen waarom ze ooit kozen voor een zeemeermin en een dolfijn als familietotems.
Herman Meirhaeghe