Sedert anderhalf decennium ga ik niet alleen het pad van de Boeddha en Zen, maar ook dat van de Christelijke Meditatie en Rabbi Jezus Yoga. Het woord “christelijk” roept vandaag de dag in seculier Vlaanderen veel weerstand op. Transcendente Meditatie, zen, tantra, mindfulness, dat vindt de medemens, in het beste geval, nog oké of sexy, maar christelijke meditatie beoefenen… Durfde ik daarmee naar buiten te komen en mijn cool zen-imago op het spel te zetten? “Zen” isinmiddels een modewoord geworden waar in de reclamewereld overvloedig oneigenlijk gebruik van wordt gemaakt en dat te pas en vooral te onpas wordt gedropt in interviews met BV’s van allerlei pluimage. Ook in de wellness business wordt “zen” gebruikt om zaken aan te prijzen die je in een handomdraai en zonder al teveel inspanningen gemoedsrust en geluk zouden brengen. Af en toe een lekker relaxt weekendje chillen, zonder de discipline om tweemaal daags op een meditatiekussen of -bankje te gaan zitten en in een oncomfortabele houding een halfuur naar de muur te staren, meer moet dat niet zijn voor de geluksconsument. Boeddha- en Kwan Yin-beelden hebben in veel Vlaamse huiskamers de kruis- en heiligenbeelden van weleer vervangen. Zeggen, zoals ik doe, dat je niet alleen zen- maar ook christelijke meditatie beoefent en dat je plots into Jesus bent, stuit dan ook vaak op onbegrip of levert op zijn minst kritische reacties en een schampere scheve grimlach op, ook in spirituele kringetjes. Millennials lijken daar weinig tot geen last van te hebben, omdat ze bevrijd zijn of zelfs geen weet hebben van de beladen “katholieke erfenis”, waar mijn generatie en die van mijn kinderen nog altijd mee worstelen. Hoe dan ook, de vraag was of ik me openlijk zou bekennen tot die zienderogen imploderende christelijke traditie? Want willens nillens word je geklasseerd bij het “Instituut Kerk” dat de laatste jaren ook nog eens in opspraak kwam door het onethisch gedrag van haar bedienaars. De roep van Jezus was echter sterker dan mijn vrees of gêne om op één hoop gegooid te worden met een kerk waar ik zelf grote moeite mee had en waarvan ik toen al sedert decennia afstand had genomen. Als ik mezelf onder dwang een etiket moet opplakken, zou ik me een zenboeddhist en een “jezuïst” noemen. Neen, geen “katholiek”, maar een “jezuïst”, een zelf verzonnen woord voor iemand die zich door de geleefde boodschap van de Nazoreeër laat inspireren. Immers, net zomin als Boeddha een boeddhist was, was Jezus een katholiek of een christen.

Maar hoe kwam deze zen-boeddhist er dan toe om christelijke meditatie te beoefenen en de Rabbi Jezus Yoga praktijk te ontwikkelen? Dat kwam niet als een paasei met een roze strik uit de hemel op mijn schedeldak vallen. Het voltrok zich via ontmoetingen met Jezus van allerlei aard. Zoals zen en de Boeddha me overkwamen tijdens mijn midlifecrisis, zo meldde Jezus zich aan nadat ik me volledig klem had gereden in de studie van de gortdroge Advaita Vedanta. Advaita is een filosofisch-religieuze school binnen de Indiase Vedanta en vertegenwoordigt het pure non-dualisme. Heel kort : advaita betekent “niet-twee”: “a”, negatie, betekent “niet” en “dvai” (dua/duo) staat voor “twee”. Hiermee wordt bedoeld dat de Uiteindelijke Werkelijkheid (die sommigen God noemen) één en ongedeeld is. Dit impliceert het einde van alle kennis en weten. Dat is ook de betekenis van “vedanta” : diep intuïtief Weten dat alles één is. Dit Weten maakt een einde aan alle beperkt weten. Alles verschijnt en verdwijnt in (het) Bewustzijn dat geen tweede kent en eeuwig is. In wezen zijn wij dat eeuwige Ene. Non-dualiteit is niet-verdeeldheid of eenheid. Het omarmt de menselijke en goddelijke natuur. De tweeledigheid – goed/kwaad, rijk/arm, licht/donker, enz – wordt omarmd in Al-eenheid. Het is de acceptatie van en het fundamenteel “JA” op dat wat is. Samen met Zen en Dzogchen (Tibetaans Boeddhistische variant) is Advaita de meest uitgepuurde oosterse school inzake non-dualiteit en kent geen rituelen, geen beelden, geen oefeningen, geen gebeden, geen spirituele praktijk zoals meditatie. Blijkbaar vond ik Zen toen nog niet sober, streng, ascetisch en puur genoeg… Ik nam niet alleen gretig kennis van wat briljante Indiase advaita-leraars zoals Ramana Maharshi (zie hoger foto), Nisargadatta, Ramesh Balsekar, Krishna Menon, Krishnamurti, e.a., te zeggen hadden over het onzegbare, maar ik racete ook door een stapel tijdschriften en boeken van westerse advaita-leraars: Amerikaanse, Franse en vooral Nederlandse leraars zoals Wolter Keers, Jan Van Delden, Douwe Tiemersma, Alexander Smit en vele anderen. En van het zich toen volop ontplooiende Internet downloadde ik ook massa’s informatie en soms heelder boeken. Ik vrat me boulimisch een non-duale indigestie. Ik had het gevoel dat advaita zich vooral in mijn hoofd afspeelde en dat mijn hart niet geraakt werd. Wél bleef ik al die tijd mijn zen-praktijk trouw. Al ruim tien jaar ging ik toen het pad van zen en ben dat altijd blijven doen. Welke spirituele avonturen ik ook ondernam, zazen (zit-meditatie) bleef de rode draad die me veilig doorheen doolhoven leidde, mijn sextant op woelige zeeën, mijn kompas in niet bewegwijzerde gebieden van de geest, tot op vandaag.
Hoe klaar, helder en vlijmscherp advaita ook was, het voerde me naar een impasse. Dit situeerde zich in de beginjaren van het nieuwe millennium. Ik was toen begin 50 en op velerlei vlak verliep mijn leven vrij plots en net als tien jaar eerder erg moeizaam. Daar heb ik het een andere keer over. Ik noem het geen driekwartlifecrisis of depressie maar eerder een woestijnperiode. Ik was me ervan bewust dat dit een bekende fase is waar elke zoeker doorheen moet en dat ik het advaitapad ten einde moest gaan, maar ik kon het niet opbrengen. Er was geen diepe affiniteit met de advaita-traditie zoals ik die wél had met zen en sjamanisme en later met Jezus. En toen sloop die Galileeër ongemerkt mijn leven weer binnen.
Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Die van zijn Fils Unique nog raadselachtiger, als je ’t mij vraagt. De wegen die Hij me liet gaan om tot Hem te komen, zullen sommigen afdoen als regelrechte dwaalwegen. Amen. De manier waarop Jezus me te grazen nam – en waardoor ik als afgekoelde katholiek, agnosticus en later als zen-boeddhist weer bij Jezus aanbelandde – is immers redelijk onorthodox, soms dubieus en voor de theologen onder ons ronduit ketters. Controversiële boeken, gechannelde evangelies, ketterse gnostici, de nog altijd onterecht omstreden Lijkwade van Turijn, mystieke ervaringen, hallucinogene visioenen, betekenisvolle toevalligheden, meditatie, ze worden zowel vanuit religieuze hoek als vanuit het filosofisch en wetenschappelijk materialisme niet zelden met het scheve oog van de argwaan bekeken. Men heeft het dan neerbuigend of meewarig over “zogenaamde” bovennatuurlijke ervaringen, die niets anders zouden zijn dan zinsbegoochelingen, wensvol denken of stofjes die de hersenen afscheiden. Je wordt al snel afgeserveerd als fantast of aansteller. Of als new-ager, godbetert, en dat voor een oldtimer van 70-plus. Eigenaardig toch, want miljoenen gewone stervelingen zoals ik hadden gelijkaardige ervaringen. De scepsis vanuit spirituele hoek begrijp ik wel. Ik ga immers het no nonsense pad van zen, waar permanent gewaarschuwd wordt voor piekervaringen, visioenen of het najagen van speciale bewustzijnstoestanden. Verlichting, Ontwaken, het zijn bijna vieze woorden geworden, hoewel ze, als oerervaring van hun stichters, aan de basis liggen van alle religies. Laat je begrippen als satori en samadhi – vaak onjuist vertaald als verlichting – over de tong rollen, dan spoort een beetje zenmeester je aan om meteen met biologisch afbreekbare zeep je mond te spoelen. Oké, het nastreven van transcendente ervaringen is niet de opzet van de spirituele praktijk, maar ze kunnen je ook totaal onverhoeds overkomen, als uit de hemel gevallen geschenken. Ze inspireren je en hebben vaak een beslissende impact op je leven. Ze revitaliseren ook je praktijk die na jarenlang oefenen soms bloedloos wordt en zijn kleur verschiet.
Eigenlijk zou ik dit alles beter stil houden, want het zal mijn geloofwaardigheid en mijn reputatie – mocht ik die al hebben – geen goed doen, vrees ik. Mag ik zeggen dat ik daar lak aan heb? Wanneer het erop aankwam om eigenzinnig mijn weg te gaan, heb ik nooit gemaald om goede naam ende faam. Inmiddels schonk mijn gezegende leeftijd alleen al me zoveel innerlijke vrijheid, dat het er helemaal niet meer toe doet hoe ik word gewikt en gewogen. Hoe lichter ik bevonden word, des te minder ballast te torsen. Een zegen voor mijn door artrose geteisterde gewrichten. Neen, een mannetjesputter of lefgozer was ik nooit, maar het vraagt toch wel enige moed om je vandaag de dag in dit ontkerkelijkte Vlaanderen tot Jezus of tot het katholicisme te bekennen. Niet dat ik dat laatste ook doe, maar onvermijdelijk word je daarmee geassocieerd als je het hebt over Jezus. Father Laurence Freeman, benedictijner monnik en bezieler van de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie en goede vriend van de Dalai Lama, zegt niet voor niets dat hij, van alle Europese landen, in België / Vlaanderen op de grootste weerstanden botst als het om religie en vooral christelijke religie gaat. Het Rijke Roomse Leven in het katholieke Vlaanderen, zoals ik het nog gekend heb in mijn kinderjaren in de jaren ’50, is voltooid verleden tijd.

Voor mij is Jezus een universele leraar van de hoogste orde. Hij is niet het exclusief bezit van Rome. De oosterse religies – boeddhisme, hindoeïsme – hebben geen enkel probleem met Jezus als een wereldleraar of avatar. Zo is er de hindoe-wijze Swami Paramahansa Yogananda (1893-1952, zie bovenstaande foto) die in verschillende publicaties, o.a. in “The Yoga of Jesus”, de leringen van Jezus van commentaar voorziet. Of de hindoeheilige Sri Ramakrishna (1836-1886) die ingrijpende visioenen had van Jezus. Vanuit het boeddhisme vernoem ik hier alleen de Vietnamese zenmeester Thich Nhat Hanh (1926-2022) en zijn boek “Jezus en Boeddha als broeders” en Z.H. de Dalai Lama die in “Het Goede Hart” het Nieuw Testament vanuit boeddhistisch perspectief becommentarieert. Deze respectvolle houding staat in schril contrast met uitspraken van hoge kerkelijke gezagsdragers die, niet gestoord door enige kennis, het hindoeïsme omschrijven als afgoderij en veelgodendom. Het hindoeïstische pantheon telt inderdaad talrijke goden en godinnen, die echter allen (slechts) aspecten en manifestaties zijn van het Ene. Zo is er dit citaat van paus Johannes Paulus II die schreef “dat het boeddhistische heilsdoel – nirvana – een toestand van perfecte onverschilligheid is met betrekking tot de wereld”. Duidelijk nog nooit gehoord van het bodhisattva-ideaal. Of wat te denken van deze uitspraak van de latere paus Benedictus toen hij nog kardinaal Ratzinger was en in zijn functie van bewaker van de geloofsleer het boeddhisme omschreef als “een vorm van nihilisme en mentale auto-erotiek”. Mijn zen-beoefening was dus ego-masturbatie? Wat zouden zen-meesters zoals Enomiya Lassalle (jezuïet, auteur van het boek ‘Zen Meditatie’), Robert Kennedy (jezuïet en auteur ‘Zen en Christendom’), Willigis Jäger (Benedictijnermonnik, auteur van o.m. ‘Zen in de 21ste eeuw’), en dichter bij huis, Pierre de Béthune (prior van het benedictijnerklooster van Clerlande, Ottignies), Jeroen Witkam (abt van de abdij van Zundert, auteur van o.m. ‘Zitten in Stilte’) of Jef Boeckmans (trappistenmonnik) daarover gedacht hebben? Misschien dit : “Vergeef het hen, Vader, want ze weten niet wat ze zeggen”. Daarmee schoffeerden beide kerkvorsten vierhonderd miljoen boeddhisten en een 2500 jaar oude wereldreligie. Moedwilligheid? Kwaadwilligheid? Laat het me bij “onwetendheid” houden. In tijden van pauselijke excuses zou een welgemeend “nostra culpa” gepast zijn.
Voor mezelf zijn de in onderhavige tekst en in de volgende afleveringen beschreven kronkelpaden geen dwaalwegen zoals die door de goegemeente en het religieus en atheïstisch establishment weggezet worden. Voor mij persoonlijk is er maar één ding van belang : dat ze me naar Jezus en G*d hebben geleid. En is het niet wonderlijk dat je, via je allerindividueelste weggetjes, toch bij het Al-Ene uitkomt? Neen, mijn wegen leidden niet nààr, maar weg van Rome, maar ze kwamen wel uit bij die wonderlijke Jezus, die amper drie of misschien zelfs slechts één jaar onderricht gaf en toch de wereld ingrijpend veranderde. De ziel volgt een evolutionair pad dat tot ver voorbij de grenzen van geboorte en dood van één mensenleven reikt. Maar welke waren dan de stapstenen die ik betrad? Wat waren de eerste sporten van de Jacobsladder naar Rabbi Jezus of naar G*d?

Elke zomer zet ik mijn onstilbare honger naar spiritueel leesvoer even on hold voor ontspanningslectuur : literaire romans, poëzie, thrillers, fantasy, (pseudo-)historische non-fictie. In de zomer van 2001 wou ik eindelijk eens de bestseller van H. Lincoln, M. Baigent en R. Leigh uit 1982 lezen: “Het Heilig Bloed en de Heilige Graal”. Ik herinnerde me dat dit boek indertijd ophef gemaakt had en dat het in sommige landen zelfs als blasfemisch werd verboden. Interessant boek dus. Aan dit werk ontleende Dan Brown trouwens de plot en het centrale idee van zijn “De Da Vinci Code”.Traditioneel wordt de Heilige Graal gezien als de beker van het Laatste Avondmaal of als de kelk waarin het bloed van Jezus bij de kruisiging werd opgevangen. Volgens de auteurs is de graal echter een symbool voor het nageslacht van Jezus. Jawel ! Ze stellen dat Hij gehuwd was met Maria Magdalena en met haar kinderen had. Legenden vertellen dat zij na de kruisiging van haar geliefde met deze kinderen naar Zuid-Frankrijk vluchtte en dat uit hun nakomelingen de eerste koninklijke dynastie van Frankrijk ontsproot: de Merovingen. De Heilige Graal – in het Oudfrans Sangreal – zou de aanduiding zijn voor de bloedlijn van Jezus. Sangreal moeten we immers niet lezen als San Greal of “Heilige Graal”, maar als Sang Real of “koninklijk bloed”. In deze optiek zou Maria Magdalena zelf de Heilige Graal zijn. Da’s even slikken. Een andere overlevering wil dat zij, samen met Maria Klopas (halfzuster van Jezus’ moeder Maria), Maria Salomé (moeder van de apostels Johannes en Jacobus) en met Lazarus, Maximinus (één van de 72 leerlingen van Jezus) en Trofimus (een medewerker van Paulus), met een bootje de Middellandse Zee overstak. De drie Maria’s, die alle drie op Golgotha aanwezig waren, kwamen met hun gezellen aan land aan de kust van de Camargue bij wat later Les Saintes-Maries-de-la-Mer zou heten (zie lager illustratie). Maria Magdalena zou vervolgens dertig jaar in een grot in het massief van Sainte Baume hebben geleefd. Na haar overlijden zou zij in Aix-en-Provence of in Saint Maximin zijn begraven. In de basiliek van Saint Maximin is een graftombe waar zich haar stoffelijke resten zouden bevinden. Een andere middeleeuwse legende vertelt dan weer dat haar relieken zich in de basiliek van La Madeleine in Vézelay bevinden. Historici deden het boek Lincoln, Baigent en Leigh af als pseudo-geschiedschrijving, historische fictie of klinkklare kletskoek. Voor mij, onder mijn seringenboom in mijn stadstuintje, was het in elk geval fascinerende en spannende zomerlectuur. Ik dacht : “Si non è vero, ’t is toch ben trovato….”

In hoog tempo las ik die zomer een achttal boeken in datzelfde genre waarin Jezus telkens aan bod kwam. Pas later merkte ik dat deze zogenaamde “kletskoekboeken” de figuur van Jezus ongemerkt weer volop in mijn gezichtsveld en belangstellingssfeer hadden geplaatst ! Een niet onverdienstelijke verdienste, toch. Het was immers geleden van in mijn kinderjaren dat ik nog zo intens met Jezus doende was geweest. Al deze boeken verwezen naar de gnostische evangelies. In sommige ervan vind je inderdaad suggesties dat Maria Magdalena méér was dan alleen maar een hevige fan van Jezus. In het apocriefe evangelie van Filippus wordt gezegd: “Christus hield meer van Maria (Magdalena) dan van alle leerlingen. Hij kuste haar dikwijls op haar (mond?). De andere leerlingen zeiden tegen hem: “Waarom houdt u meer van haar dan van ons allemaal?” Waarop Jezus de bal terugkaatste : “De Verlosser antwoordde hun met de woorden: “Waarom houd ik niet van jullie zoals van haar?” Of Jezus en Maria Magdalena geliefden waren of niet, in één van die apocriefe evangelies wordt gezegd dat zij de enige van de leerlingen was die Jezus’ boodschap écht begreep en dat Hij haar daarom, tot groot ongenoegen van haar mannelijke collega’s en vooral van Petrus, vaak apart riep om haar exclusief onderricht te geven (zie onderstaande illustratie). MM – niet te verwarren met die andere godin Marilyn Monroe – liet Hem niet in de steek toen de leerlingen bij Jezus’ executie, op één na, het bange hazenpad kozen en op Paasochtend was ze als eerste bij het lege graf en was zo de eerste getuige van zijn Opstanding.

Dertig jaar eerder las ik al een boek over gnosticisme – de gelijknamige klassieke studie van Hans Jonas. Ik kocht dat boek toen n.a.v. de lectuur van Carl Gustav Jung – inderdaad, hij weer – die ook sterk in gnostiek geïnteresseerd was. Hij zag immers een verwantschapslijn tussen het vroegchristelijke gnosticisme, de alchemie uit premoderne tijden en de archetypische dieptepsychologie die hij ontwikkelde. Hier leken twee krachtlijnen uit mijn leven van dertig jaar eerder elkaar weer te kruisen: Jung en de gnostiek. Maar met die gnostiekers viel ik ook van het ene uiterste in het andere : van de non-dualiteit van zen en advaita, in het dualisme van het gnosticisme. Kon het verschil nog groter zijn?
Gnosticisme is de verzamelnaam voor de leer van een aantal filosofisch-religieuze bewegingen uit de eerste eeuwen van onze tijdrekening, zoals het hermetisme, de gnostiek, het manicheïsme, het mandeïsme, e.a. Het combineert elementen van het christendom met (neo-)platonische filosofie. Het hoofdkenmerk van deze leer is een dualistische visie op de wereld : de goede wereld van het geestelijke versus de onvolmaakte materiële wereld. De eerste eeuwen na Christus was het gnosticisme een even sterke stroming als het christendom zoals wij dat vandaag kennen. Na de oecumenische Concilies van Nicea en Constantinopel (4de eeuw) viel het gnosticisme in ongenade. Alleen de drie synoptische evangelies van Mattheus, Marcus en Lucas en het semi-gnostische van Johannes werden in de officiële canon opgenomen. Alle andere – en dat waren er nogal wat – werden verketterd. Eén van de breekpunten was dat het gnosticisme een persoonlijk innerlijk pad naar God voorstond waarbij men geen kerkelijke bemiddelaars of tussenpersonen zoals priesters en bisschoppen nodig had. Gnostici hadden een rechtstreekse lijn met Jezus of God en dat was uiteraard een bedreiging voor het kerkelijk establishment dat dreigde overbodig te worden. Gnostici werden genadeloos vervolgd en niet zelden samen met hun ketterse geschriften verbrand. Dat gebeurde met zoveel grondigheid dat tot vóór 1945 alleen enkele tekstfragmenten bewaard bleven. Al wat tot dan toe gekend was over de gnostici, kwam van de kerkvaders en dus van hun niet bepaald objectieve vervolgers en kwelduivels.
Ergens in de 4de eeuw kon een woestijnmonnik uit Midden-Egypte het niet over zijn hart krijgen het bevel vanuit Rome uit te voeren om een groot aantal verketterde evangelies en gnostieke teksten te verbranden. Hij (ver)stopte ze in een kruik en begroef die bij Nag Hammadi, een plaatsje in Midden-Egypte. Meer dan anderhalf millennium later – in 1945 – werden die bij toeval ontdekt op een oude begraafplaats. Een wereldgebeurtenis ! Dit zijn de beroemde Nag Hammadi Geschriften (zie lager: replica codices Nag Hammadi). Er werden dertien codices of lederen kaften gevonden die in totaal tweeënvijftig geschriften bevatten, grotendeels gnostische, maar ook enkele hermetische teksten. Tot die schat behoren o.m. het Evangelie van Filippus, de Openbaring van Jacobus, het Geheime Boek van Johannes, de Openbaring van Paulus, de Handelingen van Petrus, De Wijsheid van Jezus, Het Evangelie der Waarheid en het inmiddels overbekende Evangelie van Thomas. In 1994 verscheen de eerste integrale Nederlandse vertaling van alle teksten door Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans. Een prachtuitgave ! Twee dikke volumes waar ik maanden zoet mee was. Gedurende tien jaar las ik alles wat ik vond over gnostisch christendom, o.m. de bestseller uit 1979 “De Gnostische Evangeliën” van Elaine Pagels, wereldautoriteit op het gebied van het vroege christendom en hoogleraar aan Princeton University. Ook de boeken van de Nederlandse neo-gnosticus Bram Moerland spraken me sterk aan: “Schatgraven in Nag Hammadi” , “Gnosis en gnostiek” en “De Katharen”, die ook een vorm van gnosticisme aanhingen. Toen ik het boek “Zenmeester Jezus” vond van de Nederlandse zenleraar Jos Stolman, waarin hij de lapidaire uitspraken van Jezus uit het Thomasevangelie als zen-koans ziet, was mijn cirkel natuurlijk rond. Hier vonden het schijnbaar onverenigbare zen-boeddhisme en gnosticisme elkaar in een ‘alchemische bruiloft’. En zo kreeg mijn zenpraktijk onverwacht een dosis gnosis geïnjecteerd.

In “gnostiek” herkennen we het Griekse woord gnosis, wat kennis betekent. Geen feitenkennis, maar een innerlijk weten, diep inzicht in de oorsprong, de huidige situatie en de bestemming van de mens. Kennis van het hart, kennis van het goddelijke. Centraal staat de gedachte dat de mens een goddelijke oorsprong heeft en een goddelijke kern in zich draagt. Die kern raakt verstrikt in de materie, verduisterd door de stoffelijke wereld. Alle gnostische stromingen delen de overtuiging dat de mens in een staat van onwetendheid leeft, in een toestand van slaap of dronkenschap. De aarde en de omringende hemelsferen zijn een gevangenis waarin negatieve krachten werkzaam zijn die de menselijke geest vervreemden van het goddelijke, dat buiten de kosmos staat. Daardoor vergeet de mens zijn goddelijke kern en afkomst. Gnosis functioneert dan als een wekker. Zij verdrijft onze onwetendheid omtrent onze ware aard, die goddelijk is. Verlossing is niet het vergeven van zonden, maar het opheffen van onwetendheid. Onwetendheid is immers de oerzonde. Wie weet heeft van zijn goddelijke kern en van de mogelijkheid tot terugkeer naar de goddelijke wereld, heeft gnosis. In de gnostiek vallen zelfkennis en godskennis samen. Wie zich bewust is van zijn goddelijke kern, kent zichzelf. Wie zichzelf ten diepste kent, kent ook God.
Wat sprak me zo aan bij de gnostici? Niet hun dualisme van materie tegenover geest, van goed versus kwaad. Wél de persoonlijke innerlijke weg van ontwaken uit de droom. “Ontwaken uit de droom van onwetendheid”, dat klonk me als zen-boeddhist zeer vertrouwd in de oren. Ook in het non-duale boeddhisme, hoe ver dat ook afstaat van de dualistische gnostiek, draait alles immers om wakker worden uit illusoire dromen. Het waanbeeld van het zogenaamde autonome soevereine ego doorzien. Het woord “boeddha” betekent “hij die ontwaakt is”. Ik ontmoette in deze apocriefe gnostische teksten ook Jezus als mysticus. Die stond mijlenver af van de Christus Koning uit mijn kindertijd of de Christus Guerillero en de Jesus Christ Superstar uit mijn “jonge jaren”. Deze mystieke Jezus openbaarde me een persoonlijke weg naar God, buiten de kerkelijke hiërarchie en alle theologie om. Daar was ik altijd naar op zoek geweest, eerst in de oosterse religies, en nu vond ik dit ook in de traditie waarin ik geboren ben.

Via neo-platonici zoals Plotinos en Pseudo Dionysius de Areopagiet, die door het gnosticisme werden beïnvloed, kwam ik terecht bij de christelijke mystici. Ik begon een leesmarathon over leven en werk van Meister Eckhart, Julian of Norwich, Hildegard von Bingen, Catharina van Genua, Catharina van Siënna, Margareta Porete (zie hoger : illustratie; ze eindigde in juni 1310 samen met haar boek “De spiegel der Eenvoudige Zielen” in Parijs op de brandstapel), Tauler, Jan van het Kruis, Teresa van Avila, Fénelon, Elisabeth van Dyon, Madame Gyon, Jacob Böhme, Swedenborg, William Blake, Thérèse van Lisieux, Thomas Merton, Evelyn Underhill, Dorothee Sölle en vele anderen. Ook mystici van de tweede garnituur zoals Anna Catharina Emmerich, Marthe Robin, e.a., kregen mijn aandacht. Ik wilde immers weten hoe zij dat intieme contact met Jezus beleefden, hoe ze Jezus toelieten heel hun leven te bepalen. Hoe God niet langer een rol speelde in hun leven, maar er de regisseur van was. De vraag die ik me als zen-boeddhist stelde was ook hier van toepassing : “Hoe beleef ik Jezus in alle omstandigheden van mijn leven, of die nu goed of slecht zijn, comfortabel of precair? Kan ik de boodschap van Jezus in zijn volheid omarmen en dat in de goede en kwade dagen?”
Via de christelijke mystici belandde ik opnieuw bij de religie die me met de moedermelk en de paplepel had was toegediend. Niet door er bewust voor te kiezen, niet door me te laten overtuigen, maar wel op een spontane, soms overrompelende, altijd intuïtieve manier. Voor alle duidelijkheid : neen, zen of advaita waren geen oosterse omwegen om uiteindelijk weer bij het geloof van mijn jeugd thuis te komen. Het was dus zeker niet de goede raad van de Dalai Lama – dat westerlingen het beter in hun eigen traditie i.p.v. in het Oosten kunnen zoeken – die me terugbracht naar de spiritualiteit van het Avondland. Overigens heeft deze uitspraak van de Tibetaanse wijze, noch hebben gelijkaardige uitlatingen van C. G. Jung of Rudolf Steiner en vele anderen, me ooit kunnen overtuigen. Ik heb immers nooit enig “cultureel” of psychologisch probleem ervaren op mijn lange omvaart naar het Verre Oosten. Tenslotte komt Jezus ook uit een totaal andere cultuur dan de onze. Die 4 à 500 jaar die Jezus en de Boeddha scheiden, maken voor mij het verschil niet. En hun boodschap is universeel. Ik zie dit dus niet als de terugkeer van een verloren schaap naar de stal. Zo makkelijk laat ik me niet recupereren. Ik ben niet het type dat zich laat bekeren. Ik werd gewoon onverhoeds door Jezus gegrepen. Hij riep me en de zen-beoefening had me geleerd om onvoorwaardelijk “ja” te zeggen in belangrijke levenskwesties. Ook door “ja” te zeggen tegen de “rare dingen” die op mijn kronkelpaden gelegd werden. En soms waren dat héél rare dingen … Dat is voor een andere keer.
Herman Meirhaeghe