“And the people who gain the world and lose their soul”
George Harrison
Het pad van meditatie, dat ik al meer dan drie decennia ga, maakt deel uit van de zogenaamde spirituele zoektocht, van de Weg. De Boeddhaweg en die van Jezus. Hoofdwegen, zijwegen, dwaalwegen, rechte, slinkse en kronkelwegen, sluipwegen, snelwegen, trage wegen, binnenwegen en omwegen, geplaveide en modderige wegen, gebaande en overwoekerde wegen, brede, smalle, doodlopende wegen, ik ben ze allemaal gegaan en allemaal maken ze uiteindelijk deel uit van de Ene Weg. Alle heirwegen mochten dan al naar Rome leiden, er is niet één godverlaten of door de duivel vergeten weggetje dat wegleidt van de Weg. Mijn Weg omvat dus vele paden, zoals reeds bleek, ook mijn dwaalwegen naar Jezus. Ben ik dan toch een zoeker? Wat is een zoeker? Wat zoekt de zoeker? Er schuilt iets paradoxaals in dat begrip. Als je op zoek gaat naar diamanten, weet je vooraf al wat je zoekt, zo niet dan kom je met kiezelsteentjes naar huis. Wat dan met wie zoekt naar God of Waarheid? Logischerwijze moet hij (zij) ook weet hebben van God en Waarheid, anders zou hij niet weten waarnaar hij zoekt. De zoeker is dus al vertrouwd of heeft weet van wat gezocht wordt. Waarom zoekt hij dan nog? Ik zeg altijd van mezelf dat ik een vinder ben, geen zoeker, maar is dat wel zo? Hoe dan ook, de vind- of zoektocht naar Jezus, waar ik het in “Een dosis gnosis” over had, ging verder.

Als schrijven verzilverd spreken is, dan is zwijgen spreken met een gulden tong en een mond vol gouden tanden. Een Johannes Chrysostomos of Sint-Jan Guldenmond ben ik echter niet, wél een stilteminnaar. En dat niet alleen omwille van mijn hypersensitieve zintuigen die snel overprikkeld raken en geen lawaai en drukte verdragen. (Was ik in een vorig leven een Groot Lawijt en is het nu payback time?). Stilte nodigt immers uit tot contemplatie of, met een mooier woord: mijmering. Mijmeren is denken zonder nadenker. Je oor te luisteren leggen aan de fluisterlippen van je ziel. Ik hou van musea, bibliotheken, archiefzalen, kloosters, meditatieruimtes. Ze bewaren niet alleen kunstschatten, kennis en erfgoed, maar ook het inmiddels zeldzame kleinood ‘stilte’. Alhoewel dat laatste steeds minder het geval is. Ook deze plekken van rust worden almaar meer ontmoetingsplaatsen waar van alles georganiseerd wordt en waar de stilte zich zwijgend terugtrekt in de schilderijen, de boeken, de perkamenten, de muren. Ik hou van kerken, in zoverre hun gewelven niet galmen van toeristisch tumult. Als ze al niet een herbestemming kregen als buurthuis of shopping center. Dat ik vanaf vroege jaren 1970 geen pratikerende katholiek meer was, belette me niet om regelmatig een kerk binnen te stappen, hier in Gent uiteraard, maar ook in Brussel waar ik veertig jaar als ambtenaar in het Beleidsdomein Onderwijs werkte. Dat deed ik niet uit nostalgie of omwille van de kunstschatten, maar om de werkstress en de stadsdrukte in te ruilen voor enige verpozende verstilling. Zo trok ik tijdens de ministeriële middagpauzes regelmatig naar het immer rustige Begijnhofplein, waar ik twee huizen van stilte bezocht: het verrukkelijke antiquariaatsboekenwinkeltje “Het Ivoren Aapje” en de Sint-Jan-Baptist-ten-Begijnhofkerk, die een paar jaar later regelmatig in het nieuws kwam vanwege de acties van pastoor Alliet en zijn medewerkers voor de opvang van Sans-Papiers. Toen mijn vader voorjaar 2003 dodelijk ziek werd, kwam ik er wekelijks een paar keer om hem vanop afstand gezelschap te houden en te mijmeren over zijn lijdensweg en nakende dood, over het rouwverdriet dat ik bij voorbaat al voelde en over onze vader-zoon-relatie.
Met mijn vader had ik een complexe verhouding. In mijn kinderjaren was hij een voor die tijd – jaren 1950 – begin jaren ’60 – een uitzonderlijk betrokken papa die inspeelde op mijn (en zijn) interesse voor taal en geschiedenis en me stimuleerde op velerlei vlak. Nooit een pedagogische tik gekregen, daar waar bij vriendjes thuis nog de martinet – een stok met lederen riempjes – als strafwerktuig gehanteerd werd. Ik had een opperbeste verstandhouding met mijn interessante papa die ik mateloos bewonderde. Daar kwam verandering in toen ik als adolescent een eigen mening ontwikkelde en een eigen weg begon te gaan. Mijn tienerjaren vielen samen met de roerige “sixties” en dat zou hij geweten hebben. De spirit van toen voer in mij : het vrijheidsideaal, het contesteren van alle gezag en oude waarden, de milde anarchie van het “langharig werkschuw tuig”. De paden die ik bewandelde ontbraken op de denkbeeldige wegenkaart die hij voor mij had uitgetekend. We hadden heftige meningsverschillen en felle ideologische conflicten, hij als Vlaamsgezind katholiek, ik als linkse revolutiepredikant. Ik ontgoochelde hem danig in de maatschappelijke en beroepsmatige verwachtingen die hij in zijn enige zoon koesterde. Geld, status, carrière, het interesseerde me niet echt – en nog altijd niet. Mijn materiële ambities beperkten zich tot genoeg verdienen om mijn gezin een redelijk zorgeloos en comfortabel leven te waarborgen. Niet meer maar ook niet minder. Mijn persoonlijke behoeften beperk(t)en zich tot de wekelijkse aankoop van een paar boeken en het deelnemen aan stilte-retraites. De wegen van de wereld zegden me niets. Aanvankelijk ging mijn aandacht naar politieke, maatschappelijke verandering, later volledig naar het innerlijke pad. Vader kreeg veel te slikken van zijn zoon, maar toen ik met zen-meditatie begon bleef dit als een dwarsige visgraat in zijn keel steken. Dat kreeg hij niet doorgeslikt. Toen ik hem ook nog eens als kaalgeschoren zen-boeddhistisch monnik onder ogen kwam, stond het voor hem vast : ik was het slachtoffer van valse profeten en blindelings in de klauwen van een oosterse sekte beland. (Illustratie: rakusu: kledingstuk dat door zen-boeddhisten wordt gedragen die de geloften hebben afgelegd en de wijding ontvangen)

Op Pasen 1992, een paar weken na mijn wijding, schreef hij me een melodramatische, niet van emotionele chantage gespeende brief van acht bladzijden. En schrijven kon ie. Ooit werd hij immers als “veelbelovende jonge dichter” omschreven. Dat had hij niet waargemaakt, maar het schrijven was hij niet verleerd. In die brief sprak hij zijn ontgoocheling, zijn bezorgdheid en zijn ongenoegen uit over mijn manier van leven en mijn levensfilosofie en wees me scherp terecht. Deze twee zinnen vatten het pijnlijk goed samen: “Ik kom alleen tot de conclusie dat ik totaal mislukt ben als vader én als opvoeder. Maar was er ooit een gewilliger leermeester met een onwilliger leerling?” Nu was het mijn beurt om te slikken en me te verslikken. In mijn evolutie en de levenskeuzes die ik gemaakt had, zag ik net het bewijs van het tegendeel van wat hij beweerde: dat hij als opvoeder en vader met glans geslaagd was! Hij had me immers opgevoed in openheid en verdraagzaamheid, waarden die ik ook aan mijn kinderen doorgaf. Als ouders hebben we allemaal wel eens gedacht dat we als opvoeder “mislukt zijn”, maar dat ook met scherpe woorden je kinderen onder de neus wrijven en aanrekenen is een ander paar broekspijpen. De vraag is of een vader wel een leermeester moet zijn? Dat ik, ondanks mijn daaropvolgende slapeloze nachten, niet in de verdediging ging en hem niet van antwoord diende, was één van de eerste en meest opvallende vruchten van mijn zen-meditatiepraktijk. Vanaf dat moment reageerde ik, op aanraden van mijn zenleraar, nooit meer op zijn kritische opmerkingen. Op vaders scherpe woorden volgde geen wederwoord meer en zo werd debrandstoftoevoer voor een mogelijk conflict aan één kant afgesloten, met goed gevolg. Een paar jaar later zei hij spontaan dat “dat ding wat ik deed” – zenmeditatie dus – “toch wel goed was, want dat het mij ten goede had veranderd”. Hij bedoelde daarmee dat het onze getroebleerde relatie sterk had verbeterd. Toen hij die brief schreef was hij 73, ik 43. Nu ik zelf 73 ben kan ik alleen maar begrip opbrengen en vooral dankbaar zijn voor mijn zorgeloze kindertijd waar de basis gelegd werd voor wie ik later werd. Tijdens zijn laatste levensjaren waren we weer in harmonie. Dat nam niet weg dat het rouwproces, vooral omwille van die vele jaren van wederzijds onbegrip, heftig was. In zijn fameuze paasbrief schreef hij ook nog : “Niet Boeddha, maar Jezus is de weg”. Hij heeft het nooit meer meegemaakt dat ik toch nog de Weg van Jezus ging. Daar zou hij erg blij om geweest zijn, misschien wel getriomfeerd hebben om zijn groot gelijk, tenzij hij te weten zou komen op welke wijze dat gebeurde : door een toch wel heel speciaal soort theekransje met Jezus, waarover zo meteen meer.

In de Brusselse Begijnhofkerk stond ik niet alleen stil bij vaders overlijden, maar ook bij mijn eigen eindigheid. Mijn ogenblik haperde steevast aan een gebeiteld opschrift op één van de grafmonumenten aldaar: “HODIE MIHI, CRAS TIBI” : “Vandaag aan mij, morgen aan jij”. Die gedachte droeg ik mee en herhaalde ik regelmatig als een mantra. Ik mediteerde er telkens een kwartiertje in de “Interreligieuze Kapel”, maar vertoefde vooral bij de “Man van Smarten” in een donkere zijbeuk wat verderop. Toen ik dat levensgroot beeld van “Jezus op de koude steen” ontdekte, trof het mij van bij de eerste aanblik diep in mijn hart. Ik voelde een levend contact met Hem, “i shin den shin” zoals ze in de zen zeggen, “van hart/geest tot hart/geest.” Niet voor niets wordt de beeltenis van “Jezus op de koude steen” gelijkgesteld aan de Man van Smarten. Gezeten op een stenen sokkel, naakt, de handen samengebonden, doornen nepkoningskroon op het hoofd gedrukt, lichaam bedekt met de wonden van de geseling, een purperen mantel van echt fluweel om de schouders gegooid. Moederziel alleen zit Jezus op die koude steen te wachten tot zijn beulen Hem naar de Golgotha zullen drijven. Denkt hij aan de nakende kruisiging, die meest verachtelijke en pijnlijke van alle executiemethodes? Of overdenkt Hij het failliet van zijn missie? Hij, de gekroonde en bemantelde schertskoning zonder Beloofd Land en zonder Uitverkoren Volk die een week eerder nog in Jeruzalem enthousiast door het klootjesvolk werd binnengehaald en toegejuicht. Ik kwam telkens terug naar de Begijnhofkerk voor dít beeld dat me zo trof door de desolate aanblik van de Mensenzoon. In die schemerige verloren hoek van de kerk leek Hij ook hier door god en iedereen verlaten. Ik waakte daar dan een tijdlang met hem, vaak in tranen, en streelde zijn kille voeten met de daarin verwerkte relikwie. Geen beeld drukte voor mij treffender uit wat “Man van Smarten” betekent. Op een dag waren zijn purperen koningsmantel en de relikwie verwijderd of gestolen. Had een asielzoeker die mantel, waar de Romeinse soldaten om hadden gedobbeld aan de voet van Zijn kruis, geleend als deken tegen de kou in het kampement van het Maximiliaanpark enige straten verderop, waar de vluchtelingen toen in mensonwaardige omstandigheden verbleven?

Na het overlijden van vader in de zengende zomer van datzelfde 2003 volgde het rouwproces, de zorg voor moeder en de slopende zeer gecompliceerde afwikkeling van de nalatenschap waar ik als enige zoon, zonder enig talent voor fiscale, notariële en bancaire zaken, alleen voor stond. Ik zeg altijd dat het me vijf jaar van mijn leven kostte om alles rond te krijgen. Begin november 2005 nam ik deel aan een bewustzijnsverruimende driedaagse waar, in een spirituele rituele setting, samen met enkele andere deelnemers, de hallucinogene thee ayahuasca werd gedronken. Daarmee wou ik het intense rouwen om vader en de administratieve calvarie op zinvolle wijze afronden. Veel méér dan persoonlijke rouwtherapie, werd het één van de meest indringende ervaringen van mijn leven. Het zou, na de kennismaking met de gnostiek (zie vorige blog-tekst : Een dosis gnosis), de volgende ongewone stapsteen zijn op weg naar Jezus. Eén en ander gebeurde onder het toeziend oog van M., de vrouwelijke sjamaan bij wie ik eerder al inipi uitzweette en die in 1996 mijn vision quest begeleidde (zie ook “Hartvinder” elders op deze blog). M. was in Peru geïnitieerd door inheemse sjamanen en had zich o.m. bekwaamd in het gebruik van de psychedelische drank ayahuasca. Ayahuasca is afkomstig uit de taal van de Quechua en betekent “slingerplant van de ziel”. In het Queshua betekent aya : geest, dode, voorvader of ziel; huasca betekent touw of liaan, naar de lianensoort Banisteriopsis caapi, hoofdbestanddeel van het brouwsel (zie hoger illustratie). Gedurende drie opeenvolgende nachten dronken we de heilige thee die door de Zuid-Amerikaanse oorspronkelijke bewoners sedert de oertijd wordt bereid van twee lianen uit het Amazonewoud. Ayahuasca heeft niet alleen een zuiverend effect op het lichaam – wat gepaard gaat met hevig braken en diarree – je kotst en spettert werkelijk je darmen uit je lijf – maar heeft ook een ongemeen sterke therapeutische en bewustzijnsverruimende werking. Het wordt gebruikt in religieuze ceremonieën en bij sjamanistische healings. In mijn wilde jaren rookte ik een enkele keer een jointje of dronk ik een aftreksel van de peyote cactus, maar ook niet meer dan dat. Altijd een gezonde terughoudendheid gekoesterd tegenover “drugs” en als ik die al zou gebruiken, dan zeker niet als consument of voor de kick, maar onder begeleiding en met een welbepaald psycho-spiritueel doel. Er bestaat trouwens een Braziliaanse en ook in Nederland officieel erkende christelijke Santo Daime kerk – “daime” is ander woord voor ayahuasca – waar het drinken van de heilige thee wordt gebruikt als sacrament. Als ik het goed heb was die kerk ooit ook in Gent actief.
Aan mijn driedaagse gingen weken van vasten vooraf, waarin ik me moest onthouden van lekkere dingen des levens zoals koffie, alcohol, zoetigheden, vlees en seks. De typische voorbereiding op spirituele initiaties. Het bruine, modderige, bittere, walgelijke brouwsel werd telkens ’s avonds rond 20 u gedronken en de werking duurde tot de vroege ochtend. Kort nadat ik ging liggen – ik kon trouwens nauwelijks op mijn benen staan en moest door de begeleidsters naar buiten gesleept worden om mijn maag en darmen te ledigen op de mesthoop – begon een urenlange snelle opeenvolging van visioenen. Een “trip” is een te banaal en te oneerbiedig woord voor de zielenreizen die ik maakte. Tijdens die drie nachten werd ik bezocht door een reeks buitenzintuigelijke en paranormale ervaringen van allerlei aard waarvan ik, voor zover ik het allemaal kon bijhouden, achteraf uitgebreid verslag deed in mijn dagboeken. Waar ik voor gekomen was, gebeurde al in de eerste nacht. Ik beleefde aan en in den lijve tot in de kleinste details ervaringen en scenes uit het stervensproces en het zieltogen van mijn vader, waar ik getuige van was geweest. Ik had sterk het gevoel dat zijn geest mij in bezit had genomen, wat een angstaanjagende gedachte was. Ik vreesde hem nooit meer van me af te kunnen schudden, maar plots was de “bezetenheid” voorbij. Verwerkt, verlost, blijkbaar. Bevrijd ook, want het kan geen toeval zijn dat ik vanaf die dag op volle kracht begon te publiceren in geschiedkundige en spirituele jaarboeken en tijdschriften. Zelfsabotage is misschien te sterk uitgedrukt, maar met terugwerkende kracht zag ik dat ik me decennia lang onbewust had ingehouden om vader niet te overvleugelen, zowel op studie- en professioneel vlak als wat betreft mijn drive om te schrijven.

De thee opende mijn geestesoog voor taferelen uit vorige incarnaties en toekomstige levens. Ik bezocht futuristische werelden op verre planeten in andere sterrenstelsels. In het vlees van mijn lichaam herbeleefde ik traumatische voorvallen uit mijn jeugd, o.m. de vuistslag die een priester-leraar me in het volle gezicht gaf toen ik 14 jaar was : in een paar ogenblikken voelde ik mijn puberwang weer opzwellen en ontzwellen. De pijn die meer dan 40 jaar zat opgeslagen in mijn weefsels loste zienderogen op. Er waren ook eindeloze, caleidoscopisch wentelende geometrische patronen in betoverende fluorescerende kleuren. Ik beleefde buitenlichamelijke ervaringen, uittredingen en bilocatie of op twee plaatsen tegelijk zijn. Zo werd mijn vrouw, die dertig kilometer verder thuis in bed lag te slapen, plots wakker en zag me levensecht naast het bed over haar heen gebogen staan. Het realiteitsgehalte was zo hoog dat ze zich half oprichtte en verbaasd en luidop vroeg: “Herman, zijt gij zo vroeg weeral thuis?” Dan weer was ik een banneling op een onbewoonde barre planeet in een verre uithoek van het universum. Ik zat er gevangen in een obsederende loop waar ik niet uit kon ontsnappen, veroordeeld om ten eeuwigen dage zinloze gedachtenrondjes te moeten draaien. Voor eeuwig vervloekt, naar mijn gevoel. Dat wekte in mij ongemeen grote angst voor psychotische waanzin. Ik was ervan overtuigd dat ik alleen door te sterven uit deze hel van eenzaamheid kon ontsnappen. In gedachten nam ik afscheid van mijn geliefden thuis en bereidde me voor op een verlossende dood. Later schreef ik in mijn dagboek : “Nu pas wéét ik wat bedoeld wordt met een abstract en zo vaak ijdel gebruikt concept als “existentiële eenzaamheid”. Pas nu weet ik écht wat waanzin betekent. Eenzaamheid en waanzin zijn het grootste lijden. Liever niet-zijn dan deze ondraaglijke zielenpijn. Deze ervaringen leverden me blijvende diepe empathie op met vereenzaamden en met medemensen die tot de planeet waanzin veroordeeld zijn. Mijn sterven werd meteen gevolgd door wedergeboorte. Vanuit een alles overziend bewustzijnsperspectief – het Zelf – zag ik mijn dode lichaam onder een verschroeiende zon op de uitgedroogde en gebarsten aarde liggen. De ontbinding voltrok zich in een razend tempo, zoals je soms ziet in versneld afgespeelde natuurfilms. Mijn vlees smolt weg, mijn stoffelijk overschot verschrompelde en viel uiteen tot de allerlaatste moleculen van mijn gebleekt skelet in de aarde verdwenen en er geen spoor van mezelf achterbleef. Alsof ik nooit had bestaan… Meteen daarna werd ik door een smalle schacht geperst. Vóór mij, aan het einde van die tunnel, lokte Licht me naar zich toe. Ik floepte uit het geboortekanaal naar buiten en lag van aangezicht tot aangezicht met … mezelf als pasgeborene. Ik keek mij in de ogen en herkende mezelf meteen van de foto’s die vader daags na mijn geboorte in 1949 genomen had. Een blijde uitroep van verbazing ontsnapte me : “Hermantje !?”

Maar van al het wonderbaarlijke wat dat weekend voor mijn geestesoog voorbijtrok, overtrof één visioen alle andere. Er dook iemand op waar ik totaal niet op voorzien was. Vooraf had ik immers gedacht vooral archetypische wezens en entiteiten uit het exotisch sjamanistisch universum te zien opduiken waarover ik in de betreffende literatuur gelezen had, maar wie ik daar absoluut niet op de thee verwachtte was… Jezus van Nazareth ! Ik citeer uit mijn dagboek: “Plots sta ik tussen de toeschouwers aan de kant van het pad dat naar de top van Golgotha leidt. Op dat pad strompelt Jezus, gebukt onder het kruis op zijn schouders. Onderweg naar zijn executie. Ter hoogte van de plek waar ik sta stopt Hij, wendt het hoofd opzij, zoekt me tussen het publiek, vindt me en kijkt me onpeilbaar diep in de ogen. Een onthutsend moment. Eén stilzwijgende, alleszeggende blik, want geen woord wordt gewisseld. Tussen Hem en mij voltrekt zich een woordloze overdracht. In Zijn ogen zie ik, tegelijk, het lijden van heel de schepping, van alle tijden en plaatsen en van alle mogelijke universa én het verdriet omwille van de grote onwetendheid van de mensheid, wat betreft de oorzaken van het leed dat door de mens veroorzaakt wordt. Ik weet dat de triestheid in Zijn ogen niets te maken heeft met Zijn persoonlijk lijden, met dat wat hem hier concreet wordt aangedaan, met zijn kruisiging. Dat is een verpletterend inzicht. De totale onbelangrijkheid van het persoonlijke verhaal, tegenover het Allesomvattende Mededogen met de verblinde mensheid. Die blik van Jezus zegt me, bijna verontschuldigend, maar toch indroef: “Ze weten niet wat ze doen”. Dan voltrekt zich een plotse omkering : ik ben Hém en Hij is mij ! Jezus staat nu tussen het publiek als toeschouwer en ik ben het die met het kruis op mijn schouders Golgotha beklim….”
Tot nu deelde ik dit verhaal, dat een beslissende impact had op mijn verdere spiritueel leven, alleen met een paar intimi. Dit waren zo’n intieme en heilige ervaringen dat ik ze liever voor mezelf hield. Er teveel over praten zou ze ontheiligen. Nu doe ik het toch. Telkens ik dit deelde, werd ik door emoties overmand – tranen, huiveringen, trillende stem – zelfs vijftien jaar na datum. Ook terwijl ik dit schrijf vullen tranen mijn ogen. Ontroering is voor mij het waarmerk van echtheid. Dit was niet zomaar een hallucinatie of een waanvoorstelling van mijn overkokend brein, maar een levensechte gebeurtenis, zij het in een andere werkelijkheid. Sedert die dag verpoos ik bij kerkbezoek altijd even bij de zevende statie van de Kruisweg, waar Jezus ook even stopt en het hoofd wendt om zich troostend én vermanend tot de vrouwen van Jeruzalem te richten. Ik herken me ook in Simon van Cyrene die onder dwang Jezus’ kruis hielp dragen. Door de persoonsverwisseling in het visioen voltrok zich een volledige identificatie met Jezus. Daardoor gaf ik, buiten mijn bewuste wil om, gevolg aan Jezus’ oproep: “Neem uw kruis op en volg mij”. Voor mij wordt met dat “kruis” niet alleen het aanvaarden van de zogenaamde “lasten van het leven” bedoeld, alsook de bereidheid om te sterven aan mezelf, als voorwaarde om Jezus te kunnen volgen. Sterven aan mezelf is me volledig overgeven aan Hem. Zonder verklaringen te zoeken of verantwoording te vragen voor de ellende die de schikgodinnen over mij – zoals over iedereen – uitstorten.

Had ik vóór deze ervaring, via gnostiek en mystieke lectuur, een grote interesse, ja zelfs liefde voor Jezus opgevat, vanaf dat thee-moment groeide een persoonlijke, intieme onverbrekelijke band met Hem. Een band die ik nooit met de Boeddha had, ook niet na 30 jaar zen-beoefening.Dat komt heus niet door de 4 à 500 jaar die Jezus en de Boeddha van elkaar scheiden of door het grote cultuurverschil. Ten slotte komt Jezus ook uit een totaal andere cultuur dan de onze. De Boeddha bleef voor mij altijd een redelijk abstracte figuur, hoezeer hij mijn leven ook ten goede beïnvloed en getransformeerd heeft en hoe dankbaar ik hem ook ben voor de dharma. Kort door de bocht gezegd: de Boeddha stelt voor mij eerder het transcendente en Jezus het immanente aspect van mystiek voor. Boeddha-geest en Jezus-hart. Inzicht en mededogen. Hoe beiden meestal worden afgebeeld is veelbetekenend. De Boeddha : in lotushouding en meditatieve rust; Jezus : ofwel dramatisch stervend aan het kruis of wijzend naar zijn vlammend Heilig Hart. Uiteraard vinden we beide aspecten bij beide wijsheidsleraars en in de na hen ontstane tradities terug. Toch is er in het Golgotha-visioen ook een raakpunt tussen de Boeddha en Jezus. Jezus vergeeft allen die hielpen bij zijn arrestatie, zijn veroordeling en zijn terechtstelling. Hij vergeeft het hen “omdat ze niet weten wat ze doen”, d.w.z. omdat ze onwetend zijn. Nu is onwetendheid volgens de Boeddhadharma één van de drie “vergiften” die ons leven verzieken. Die drie vergiften zijn : willen hebben wat je niet kan krijgen (begeerte); niet willen hebben wat je wél hebt of wat je overkomt (afkeer, haat, weerstand); en niet willen (in)zien of onwetendheid, d.w.z. geen goed zicht hebben op het grotere geheel waartoe je behoort, waar je een onderdeel van bent. Niet inzien dat, als je schade toebrengt aan jezelf, je ook het geheel beschadigt en omgekeerd. Onwetendheid is niet zien dat je nooit afgescheiden bent van het Algehele en het Heel-Al. Zen-boeddhistisch leraar Thich Nhat Hanh schreef een boekje “Jezus en Boeddha als broeders”, een dialoog tussen boeddhisme en christendom. Een wonderlijk toeval zorgde ervoor dat beide broeders in mijn dharma-naam verenigd zijn. Bij mijn wijding tot bodhisattva en zenmonnik kreeg ik immers de Japanse naam “Do Nin” wat “Mens van de Weg” betekent. Twintig jaar later kwam ik erachter dat de eerste christenen “Mensen van de Weg” genoemd werden. Mooier kan je het niet verzinnen, toch?

Op maandagochtend 9 augustus 2010 deed ik op mijn kamer, in mijn “zithoekje”, omstreeks 8u30 mijn stille ochtendmeditatie. Die keer gebruikte ik een mantra : tijdens het inademen reciteerde ik inwendig “Heer Jezus”, tijdens het uitademen “Heer Boeddha”. Na een tiental minuten ontplooide zich plotsklaps dit tafereel voor mijn geestesoog: “Ik zie diep onder mij een onmetelijke, kolkende, woeste oceaan, waarvan het smerige, bruine sop eruit ziet als dat van een beerput. In die afstotelijke drab en smurrie worstelen miljarden mensen – de mensheid – om het hoofd boven “water” te houden. Hun gezichten zijn getormenteerde maskers van angst, wanhoop en pijn. De wriemelende drenkelingen slaan wild om zich heen om niet kopje onder te gaan; ze doen dat ten koste van iedere soortgenoot in hun onmiddellijke buurt. Een Stem zegt me : “Dit is de Oceaan van Lijden”. Uit die Oceaan rijst een enorme berg op die tot hoog in de hemel reikt en waarvan de top niet zichtbaar is. De Stem zegt : “Dit is Golgotha”. En verder : “De meeste mensen in de Oceaan van Lijden durven of willen Golgotha niet beklimmen, omdat ze vrezen dat hen daar een zekere executiedood wacht. Liever proberen ze zichzelf te redden ten koste van alles en iedereen, hoewel ze nooit iemand zichzelf uit deze zee van lijden zagen redden. Nochtans wacht Boven niet de dood maar de Verlossing en het Leven”. Op het strand aan de voet van de berg die door de Oceaan omspoeld wordt, liggen mansgrote houten kruisen. Slechts enkelingen gaan aan wal, nemen hun kruis vrijwillig op de schouders en vatten de beklimming aan. Dan wordt me een blik gegund op wat er zich “Boven” bevindt. Het is inderdaad geen executieplaats, maar een overweldigende Zee van Licht die gevormd wordt door een in zaligheid dansende massa van miljarden witte, quasi doorzichtige engelen. Ik weet – of de Stem zegt – : “Deze Engelen van Licht zijn identiek aan de ploeterende mensen in de Oceaan van Lijden. De onwetende lijdende mensen beneden in de Oceaan zullen ooit Engelen van Licht zijn; ze zijn het nu reeds, maar weten het niet”. Boven de Oceaan van Licht uit priemt de top van Golgotha. Van ver zie ik de drie klassieke kruisen staan. Alleen aan het centrale kruis hangt een mens; de twee andere kruisen zijn “leeg”. Aan het middelste kruis hangt, glimlachend, Shakyamoeni Boeddha! Schokkend beeld. Aan de voet van het Kruis zit Jezus in lotushouding. Beiden stralen een bovennatuurlijk Licht uit.”
Het zielenwater lekte uit mijn ogen. Dit leek me aan te sluiten bij de ayahuasca-ervaring van vijf jaar eerder. In beide visioenen gaat het erom je kruis op te nemen en de berg te beklimmen, om, eenmaal boven, een transformerende dood te sterven en op de derde dag op te staan. Dit tweede visioen deed me denken aan “De Mythe van Sisyfus – een essay over het absurde” van de Franse existentialistische filosoof Albert Camus, auteur van o.m. La Peste en L’Etranger. Ik kocht het boek in mijn studententijd toen ik 19 was. Het was toen een tijdlang mijn humanistische bijbel. In de Griekse mythe dacht Sisyfus de goden te kunnen bedriegen maar werd uiteindelijk door hen veroordeeld om in de Onderwereld een zwaar rotsblok tegen een steile berg op te duwen, dat echter telkens van de top weer naar beneden rolde. Hij was gedoemd om voor eeuwig het rotsblok opnieuw en opnieuw de berg op te duwen. Camus ontkent dat het leven zin heeft, maar baant zich als Sisyfus toch moeizaam een weg door het bestaan. Op zijn weg in een wereld zonder illusies of hoopgevend licht, is de mens een vreemdeling, een balling zonder hoop op een “beloofd land”. Ik zie gelijkenissen tussen Sisyfus en Jezus : beiden dragen immers moeizaam een zware last naar de top van de berg. Maar er zijn ook wezenlijke verschillen; de eerste lijkt de schaduwbroer te zijn van de tweede. Jezus werd “zoon van god” genoemd en Sisyfus was een bedrieger van de goden. Eenmaal boven wacht Sisyfus geen eenmalige dood, geen bovennatuurlijk Licht, geen engelen, geen “derde dag”, geen Opstanding, maar een eeuwig absurd herbeginnen. Sisyfus wordt zich niet bewust van zijn goddelijke essentie, realiseert zich niet dat hij zélf een engel is. Ik las en herlas het boek van Camus, maar kreeg er nooit echt voeling mee; het liet me telkens onbevredigd achter met vragen die voorbij het humanistisch perspectief en engagement reikten. In die dagen zat ik op mijn kot ook bepaalde songs van Beatles te vertalen, vooral die welke naar “het Oosten” verwezen. Het door George Harrison met de Indiase sitar opgesmukte “Within you, Without you” van hun weergaloze Sgt Pepper-album was er één van. “When you’ve seen beyond yourself then you may find peace of mind is waiting there. And the time will come when you see we’re all one, and life flows on within you and without you.” Waar dit over ging wist ik nog niet precies, maar het resoneerde in mij en opende de poort naar de oosterse spiritualiteit.

Waren beide visionaire tableaux vivants ook een voorafspiegeling van wat er zat aan te komen: dat er voor mij in het atelier van het leven een kruis ineen getimmerd werd ? Het zag ernaar uit dat ik in mijn ouwe dag niet zoetjes op geruite pantoffels naar Huize Avondvrede zou schuifelen. Het kan geen toeval zijn dat ik, dag op dag vijf jaar na de ayahuasca-ervaring, het lijdend voorwerp werd van zinloos geweld. Daar schreef ik al over in “Niet over rozen”, elders op deze blog. Met dit laatste visioen zat ik wat gewrongen. Ik vond het enigszins ongepast of not done om de Boeddha als de gekruisigde te zien en Jezus in de Boeddhahouding. Ze hadden van rol gewisseld alsof ze inwisselbaar waren en dat zijn ze uiteraard niet. De boodschap was echter dezelfde : onwetendheid – en daardoor afgescheidenheid – als bron van alle lijden. De Jezus in lotushouding kwam vijftien jaar later verrassend terug als centrale figuur in “Rabbi Jezus Yoga meditatie”. De Boeddha en Jezus zijn natuurlijk de twee grote leraars en inspiratoren van mijn leven, de twee bronnen waaraan ik me laaf. Bij wijze van spreken ga ik het pad met een linker boeddhabeen en een rechter jezusbeen. Overigens volgde er na het door ayahuasca opgeroepen Golgotha-visioen van vijf jaar eerder onmiddellijk een met de Boeddha : “Ik bevind me in India of Nepal en ik zie de Boeddha met zijn leerlingen langs de straat lopen. Op een bepaald moment stopt hij bij een bedelaar en geeft hem een aalmoes. De manier waarop hij dat respectvol doet is van een onwereldse gratie, tederheid en liefdevolheid. In dit éne gebaar van groot mededogen ligt de totaliteit van zijn leer. Woorden zijn overbodig, dit is het ultieme onderricht”. Niet wat je doet of geeft is belangrijk, maar de manier waarop, de houding van waarmee en waaruit je handelt.

De twee visioenen brengen me onvermijdelijk naar de eerste lijdensvoorspelling van Jezus zoals o.m. Mattheus (16/24) die boekstaafde. Daarin zegt Jezus : “Wie Mijn volgeling wil zijn moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden. Wat voor nut heeft het de wereld te winnen en uw ziel te verliezen?” George Harrison citeert deze laatste zin in zijn al eerder genoemde compositie “Within you, Without you”. Heel zeker bedoelt de Rabbi dat we ons ego-gestuurd leven moeten verliezen om te leven vanuit het Zelf. Dat Zelf krijgt concreet gestalte in de bijbelpassage die bij Mattheus onmiddellijk hierop volgt. Petrus, Jacobus en Johannes gaan met de Meester de berg Thabor op en zijn daar getuige van Zijn gedaanteverandering of transfiguratie, waarbij Zijn gelaat begint te stralen en Zijn kleed glanst als het licht van de zon. Dit wordt gezien als de aankondiging van zijn Verrijzenis. Hij drukt de drie leerlingen op het hart wat ze zagen stil te houden tot na zijn Opstanding, die uiteraard ook volgde na zijn kruisgang. Tweemaal lijkt dit te verwijzen naar de transformerende kracht van lijden die ons naar een andere staat van Zijn kan voeren. Over het materieel bewijsstuk van Zijn Opstanding – de Heilige Lijkwade – heb ik het een volgende keer. Deze uitzonderlijke relikwie, uniek in de wereldgeschiedenis, vormde de volgende stapsteen op mijn pad naar Jezus en mijn almaar intiemere band met Hem.
Herman Meirhaeghe