De naam van de Zwitserse diepte- of moet ik zeggen hoogtepsycholoog, Carl Gustav Jung, is hier al menig keer gevallen. Hij was dan ook doorheen alle fases van mijn leven een bron van inspiratie, op velerlei vlak. Zo sprak zijn benadering van het verschijnsel dromen me sterk aan. Veel meer dan Freuds aanpak, die zich grotendeels beperkte tot de exploratie van het gelijkvloers en het souterrain van de ziel, en zich principieel niet waagde in de archetypische grotten van het Onbewuste of op de transpersoonlijke hoogvlakten, wat Jung wél deed. Dromen waren altijd al mijn medicijn, d.w.z. iets wat me spirituele genezing en kracht geeft. Het kan geen toeval zijn dat ik me dromen herinner uit mijn kleuterjaren en kindertijd. Jung zei dat de vroegste dromen die men zich kan herinneren de toon aangeven voor en het doel bepalen van het leven dat eraan komt. In zijn autobiografie “Herinneringen, dromen en gedachten” vermeldt hij er zelf een paar indrukwekkende. Ik herinner me twee dromen van omstreeks mijn vijfde levensjaar. In de eerste droom – een bloederige nachtmerrie – worden moeder en ik tijdens de christenvervolging in Rome gevangen genomen en tot voor de keizer gesleept die moeder voor mijn kinderogen eigenhandig met een groot mes onthoofdt. De tweede gaat over Sint-Antonius (zie verder). Beide dromen hebben onmiskenbaar een religieuze of spirituele setting en bevatten sterke beelden en elementen uit de christelijke sfeer. Ze zetten inderdaad de toon van mijn levensmelodie die toen pas was ingezet. Spiritualiteit zou gedurende “mijn jonge jaren” een niet onbelangrijke bijrol en in de tweede levenshelft de hoofdrol spelen. Al in mijn adolescentie werd duidelijk dat mijn aandacht en energie gericht zouden zijn op zelfkennis en de spirituele weg en dit tot wanhoop van mijn ouders die voor hun enige zoon een succesvolle aardse toekomst… euh… gedroomd hadden. Helaas, dat was niet waarom mijn ziel nog eens vlees was geworden. Wereldse ambities, diploma’s, carrière, status, interesseerden me maar zeer matig. Genoeg verdienen om ons gezin probleemloos te helpen onderhouden volstond. Mijn echtgenote was het daar volkomen mee eens. Zelfverwerkelijking domineerde al mijn doen en laten. Tot op vandaag.

Nu de droom over “Toontje”: “Sint-Antonius van Padua staat plots in onze keuken. Hij gaat gekleed in zijn bruine monnikspij en draagt sandalen. Ik herken hem meteen van het heiligenbeeldje op de kast. Ik zit op de zwart-wit-tegels van de vloer. Hij tilt me onder de oksels op en plaatst me bovenop het dikke boek dat hij vasthoudt, precies zoals bij het beeldje waar het Kindje Jezus bovenop de Heilige Schrift staat. Ik sla mijn armen om zijn nek.” Het verhaal gaat immers dat Antonius, toen hij al ernstig ziek was, zich liet overhalen om zich op het landgoed van een bevriende graaf te laten verzorgen. Op een avond zag de graaf door de deurkieren van Antonius’ kamertje een fel licht schijnen. Brand vrezend, gooide hij de kamerdeur open. Tot zijn verbijstering zag hij Antonius staan met het stralend Christuskind op zijn arm. Mijn droomtafereel was een duplicaat van het typische heiligenbeeldje in messing van “Sintantonius” bovenop onze keukenkast dat nu op mijn werkkamer staat. Deze droom zou, archetypisch gezien, mijn eerste prille ontmoeting kunnen zijn met het Zelf, hier voorgesteld als het Jezuskind : het Goddelijk Kind als beeld van het Zelf, dat bovenop het Boek der Wijsheid staat dat doormijn innerlijke gids, Antonius, wordt gedragen. De droom bevat ook een soort van Heilige Drievuldigheid : Antonius als de Vader, Jezus als zijn zoon(tje) en het Boek als de Heilige Geest. Deze droom van bijna 70 jaar geleden liet me nooit meer los en ik ben “Toontje” altijd blijven opzoeken in kerken en kapellen, ook in agnostische levensperioden.
Als Jung gelijk heeft, dan zou deze droom iets kenmerkends bevatten voor mijn leven dat nog moest beginnen.Een eerder banale uitleg zou kunnen zijn dat de droom de voorafkondiging is van mijn levenslange liefde voor boeken, op mediteren na mijn enige verslaving. Ik lees er meestal drie tegelijk. Een vorm van vraatzucht, niet zozeer om mijn kennishonger te stillen, maar om te vertoeven in het fijne gezelschap van zielsverwante auteurs die mijn ervaringen in steeds weer nieuwe woorden vertalen en vertellen. Een diepere verklaring van de droom is dat ik een religieus of spiritueel gekleurd leven zou leiden. Dit werd bewaarheid, zeker vanaf mijn veertigste. Ik werd zelfs monnik, zoals Antonius er een was, zij het van een ander (zen)merk. De nog altijd populaire Sint-Antonius van Padua, volgeling van Sint-Franciscus, predikte voor de vissen omdat de mensen niet wilden luisteren naar zijn boodschap. Hoe vaak zou ik niet voor lege kerk gepredikt hebben? Misschien doe ik dat zelfs nu weer via deze blogtekst. Antonius wordt aangeroepen om verloren zaken terug te vinden. Zou ik een verliezer of een vinder worden? Of een zoeker, naar inzicht? Verliezen zet aan tot zoeken en “zoeken” werd inderdaad het hoofdthema van mijn leven. Ik werd een zogenaamde “spirituele zoeker”. Zoeken leidt tot vinden, van de hoofd-zin, de bijzinnen, de waanzin, de onzin of de zin van het leven, bijvoorbeeld. Mijn zoeken was echter nooit een krampachtig, wanhopig najagen, maar eerder een mij openstellen voor wat zich lààt vinden. Alle wezenlijke dingen in mijn leven werden gevonden zonder te zoeken. Dat soort vinden heet serendipiteit : iets waardevols vinden waar je in eerste instantie niet naar op zoek was. Om die betekenisvolle toevalligheden te zien is wél opmerkzaamheid en intuïtie nodig. Maar op een bepaald moment stopt het zoeken en wordt alles wat zich aandient een vondst. Mijn levensmotto zou kunnen luiden : “non quaerens, inveniar” ofte “ik zoek niet, ik word gevonden”. Zo wordt het gevondene de vinder en omgekeerd. Uiteindelijk is er geen verliezer, zoeker noch vinder meer.

Volgens Jung doet zich aan het begin van een psychoanalytisch of individuatieproces vaak een initiaaldroom voor. Dit is een droom waarmee het Grote Werk naar Inzicht een aanvang neemt. Daarin wordt niet alleen het startpunt geschetst, maar laat het eindpunt zich ook al vermoeden, net als de weg daar tussenin. Bij uitbreiding kan je zeggen dat, wanneer je het besluit neemt de innerlijke weg te gaan, het Onbewuste je een zogenaamde openingsdroom presenteert. Mijn belofte om een leven lang elke dag mijn dromen te noteren was het startpunt van de weg naar binnen. Die dagelijkse discipline was een niet te onderschatten opdracht waartoe ik me verbond. Het daartoe bestemde schrift mocht geen ordinair schoolschriftje zijn. Na enig zoeken vond ik een geschikt cahier, groot formaat, met zwartlinnen rug en harde donkerrood gemarmerde kaft. Op 13 april 1973 – toevallig de sterfdag zes jaar eerder van mijn geliefde grootmoeder die een tweede en soms ook een eerste moeder was voor mij – noteerde ik de eerste droom die ook een openings- of initiaaldroom bleek te zijn. “Ik bevind me in een soort klaslokaal. Samen met elf andere leerlingen zit ik in kleermakerszit op de grond, in vierkantformatie, met het gezicht niet naar elkaar toe, maar naar buiten gekeerd, naar de oude leraar die rondom ons cirkelt terwijl hij doceert. Plots stopt hij bij mij en vraagt me : “Kent gij de Formule van Byzantium : A = OM = A ?” Ik weet dat deze formule de oplossing bevat van ‘de kwestie van leven en dood’. Dat dit gaat over de zin van mijn leven. Voor mijn geestesoog verschijnt de bijbehorende meetkundige figuur : twee elkaar snijdende rechten in de vorm van een andreaskruis, met een loodrechte lijn op het snijpunt. Ik blijf het antwoord schuldig…”
Een formule begod?! Wiskundige en scheikundige formules – die combinaties van letters en cijfers met welbepaalde betekenis – waren in mijn studietijd niet bepaald mijn ding. En hier krijg ik er zowaar een voorgeschoteld. We kennen allemaal de formule voor koolstofdioxide – CO2 – of water – H2O. En de beroemdste van alle, die van Albert Breinstein : “e = mc²” of “energie = de rustmassa van een elektron of proton x het kwadraat van de lichtsnelheid”. Daar houdt het bij mij ongeveer op. Maar nu legt een soort professor me, met aandrang, de “Formule van Byzantium” voor, waar ik nooit eerder van hoorde. Hij leek me niet het type gekke, kwaadaardige of goedhartige professor uit strip- en andere verhalen en films. Geen verstrooide, excentrieke professor, geen professor Barabas, Zonnebloem, Gobelijn of Adhemar; geen dokter Frankenstein, Jekyll, Strangelove of Mabuse. Ook geen tovenaar met een hoge punthoed, want ook die zijn in de weer met formules, toverformules om bovennatuurlijke krachten te manipuleren. Hij leek me nog het meest op Herr Professor Jung himself, de wijze oude meester. Een formule kan ook een recept zijn. Werd me hier het recept voor een zinvol leven aangereikt?

Deze korte, heldere, gebalde initiaaldroom is in al zijn eenvoudige symboliek uitgesproken archetypisch. De wijze leraar met zijn twaalf leerlingen. Het vierkant als symbool van aardse heelheid en de cirkel als eeuwigheidssymbool. De cirkel ook die de leraar rond het vierkant beschrijft en het onoplosbaar meet- en wiskundig vraagstuk van de ‘kwadratuur van de cirkel’ voorstelt, waar de alchemisten zich over bogen. De leerlingen die met gekruiste benen op de grond zitten, als mediteerders. De orakelachtige formule of levensvraag : een element uit zoveel sprookjes en mythes. Moet ik deze pseudo-wiskundige formule oplossen? Is dit mijn levensopdracht? De vraag van de goeroe luidt eigenlijk: “Hoe ga je deze formule in je leven realiseren?” Dat ik een leerling ben wijst erop dat ik aan het begin van de inwijdingsweg sta. Ik blijf het antwoord schuldig, heb nog alles te leren. Byzantium (Constantinopel, Istanbul) is het geografische punt waar het Westen en het Oosten elkaar raken. Deze oeroude stad wordt “de poort naar het Oosten” genoemd. “Het Oosten” staat natuurlijk voor de geografische windrichting, maar ook voor het onbekende, het spirituele, het geheimzinnige, het vooralsnog onbewuste of niet-gerealiseerde. Komt alle wijsheid niet uit het Oosten? In Byzantium staat de Hagia Sophia, de kathedraal-moskee wiens naam ‘Heilige Wijsheid’ betekent. Op het raakpunt van het Avondland met het Morgenland staat de Heilige Wijsheid die in zich het Oosten (moskee) en het Westen (kathedraal) verenigt. “Heilige Wijsheid”, dàt is het antwoord op de vraag van de oude leraar, dàt behelst de Formule van Byzantium. In de formule herken ik in de ‘A’ de ‘Alfa’ en in de ‘OM’ de ‘Omega’, de eerste en de laatste letter van het Grieks alfabet. In het Boek Openbaring zegt Jezus : “Ik ben de alfa en de omega”, het begin- en eindpunt van alles. In de christelijke symboliek wordt het Christusmonogram XP of [Griekse ‘chi’ (X) en ‘rho’ (P)], de eerste twee letters van Zijn naam, vaak afgebeeld met links en rechts daarvan de Alfa en de Omega (zie illustratie). De bijbehorende meetkundige figuur in mijn droom lijkt een onvolledige versie van dit monogram : aan de P ontbreken immers bovenaan de lus en het lijnstuk onder het snijpunt. Ook dit wijst erop dat het werk onaf is, dat er nog een weg is te gaan.

Dit zou ik de westerse droomduiding noemen. Maar er is ook een oosterse benadering mogelijk. ‘OM’ is immers de kosmische oerklank uit de Upanishads, de mystieke heilige lettergreep waaruit het universum is ontstaan, zoals we die o.m. terugvinden in de bekende boeddhistische mantra “Om mani padme hum” (Ik eer de parel in de lotus) of de vredesmantra “Om shanti”. Mijn vorige bijdragen toonden aan dat Oost en West zich in mijn spiritueel leven verenigden in mijn liefde voor de Boeddha en voor Jezus. OM wordt ook geschreven als AUM : A staat voor het menselijk bewustzijn; U (oe uitgesproken) het droombewustzijn en M : het diepe slaapbewustzijn. En daaraan voorbij : OM of het kosmisch bewustzijn. In deze zin betekent de Formule van Byzantium – A = OM = A – voor mij zoiets als: “Atman / individuele ziel = Brahman / universele Zelf = Atman”. De mantra ‘OM’ wordt voorgesteld door een symbool dat niet ‘Om’ maar ‘Omkar’ heet (zie illustratie). Er valt over deze droom nog veel meer te zeggen maar ik hou het hierbij. Zoveel decennia later denk ik wel eens: had ik, in plaats van er mijn hoofd over te breken om het vraagstuk op te lossen, de formule maar simpelweg meteen als meditatiemantra gebruikt (‘A’ bij het inademen en ‘OM’ op de uitademing). Dat doe ik inmiddels regelmatig, in bed, wanneer ik de slaap niet kan vatten.
Toen deze droom mij ingefluisterd werd, was ik 23 jaar en zat middenin een donkere zingevingscrisis waar ik elders op deze blog over schreef. De droom opende een hoopgevend perspectief waarvan ik me toen niet ten volle bewust was. Toch klampte ik me eraan vast omdat ik voelde en wist dat “ik” hem niet gedroomd had, maar dat hij mij gegeven werd door Iets wat mijn problematische situatie te boven ging. Het zou minstens nog vijftien jaar duren voor een begin van een oplossing van de Formule van Byzantium zich aandiende. Ik herinner me dat ik, met veel teveel promille in mijn bloed, aan de toog van onze alternatieve kroeg, met het bierschuim op de lippen, stond te lallen over mijn “Formule van Byzantium”. “Kende gij de Formule van Byzantium?” schreeuwde ik mijn revolutionaire drinkebroers in het oor, boven de decibellende blues van Muddy Waters en Howlin’ Wolf uit. Ze bleven, net als ikzelf, het antwoord schuldig. Ik leek wel bezeten. En net daarvoor waarschuwde die andere droom me die ik die nacht had.

Diezelfde nacht van 13 april 1973 ontving ik een tweede droom die me waarschuwde voor het gevaar dat inhouden uit het onbewuste me dreigden te overspoelen, nu de bres geslagen was. Droom : “Ik bevind me in een zomerhuis aan zee in het gezelschap van mijn vrouw en schoonmoeder. Ik stap naar buiten op het strand en zie drie kolossale spiralende wervelwinden op me afkomen. De middelste is oranjekleurig, de andere blauw en zwart. Ze komen dichterbij en wijken terug, steeds opnieuw, zoals eb en vloed. Staartsterren vallen uit de hemel. Het schuimende zeewater stuwt zich het strand op. Het dreigt ons huis binnen te dringen door de kier onder de deur. Mijn ongeruste vrouw en schoonmoeder zeggen gejaagd dat ik een dweil en wat kartonnen dozen vóór de kier moet leggen om het water buiten te houden. Ik weet dat dit geen zin heeft, deze spullen kunnen het water onmogelijk tegenhouden”.
Bij de aanvang van de spirituele reis word ik gewaarschuwd door deze droom die kosmische en apocalyptische aspecten heeft: orkanen, overstroming, vallende staartsterren. Mijn avontuur zal niet zonder gevaar zijn. Het “ik-bewustzijn” moet immers sterk genoeg zijn om de confrontatie met het Onbewuste aan te gaan. De kans bestaat verzwolgen te worden en te verzuipen in de diepzee van het onbewuste. Halve maatregelen zullen niet helpen (dweil, dozen). Het getal ‘3’ is prominent aanwezig, tweemaal zelfs : de 3 wervelwinden en 3 menselijke figuren. In de getallensymboliek is ‘3’ het heilig getal van de volmaaktheid (Drie-Eenheid). ‘Drie’ betekent ook : klaar zijn voor een nieuw begin en voor groei. Dit cijfer herinnert eraan meer aandacht aan het spirituele leven te besteden en te geloven dat hogere krachten zullen helpen je doel te bereiken. Het is risicovol om het pad van individuatie in je eentje te gaan, zonder levende leraar, gids, analyticus of therapeut. Ik heb het erop gewaagd, met vallen en opstaan, de wapenspreuk van Zee-land indachtig, gebied dat vaak met stormen en overstromingen kreeg af te rekenen. Ze stond op de medaille die ik als kind bezat: “Luctor et Emergo” : ik worstel en ik kom boven. Zoveel jaren later is het worstelen verleden tijd en beheers ik de kunst van het zwemmen, of beter die van het drijven op de golfslag van het leven.

Toen ik aan de ruwbouw van deze tekst werkte (zomer 2021), ontving ik een perfect getimede droom als volmaakte afsluiter van het groeiproces dat in Byzantium begon. Een droom zonder zware symboliek, maar doodgewoon en alledaags. Ook is de “3” weer aanwezig. Vijftig jaar nadat ik het antwoord schuldig bleef op de vraag wat de “Formule van Byzantium” betekent, wordt me in dezelfde leraar-leerling-setting opnieuw een belangrijke levensvraag voorgelegd. Droom : “Ik zit achter een tafeltje in een klaslokaal. Er zijn nog enkele leerlingen aanwezig. Vooraan zit de Nederlandse zenleraar wijlen Maarten Houtman van de Tao Zen-school, waar ik in de jaren ’90 een tijdlang oefende (zie foto). Hij draagt geen klassiek zen-habijt maar een gewoon pak, zit niet in lotushouding op een meditatiekussen op de grond, maar op een stoel, de benen informeel over elkaar geslagen. In zijn handen houdt hij geen wijsheidsboek, maar een exemplaar van een doordeweeks tijdschrift. In zijn zen-onderricht heeft hij het over drie schokkende actuele politieke gebeurtenissen, o.m. over de chaotische toestand in Afghanistan en de IS-zelfmoordaanslag aldaar. Plots richt Maarten zich tot mij met deze vraag: “Hoe zijn deze negatieve feiten in overeenstemming te brengen met de geest van zen?” Meteen begin ik een antwoord te bedenken : over dualiteit en non-dualiteit, en dat deze drie vreselijke gebeurtenissen, net als al het negatieve in de wereld, deel uitmaken van het Grote Geheel, het Ene, enz. Seconden verstrijken. Ik weet dat zo’n bedachte, geconstrueerde, filosofische of spirituele uitleg, hoewel inhoudelijk juist, toch fout is. Mijn antwoord moet immers ‘zen’ zijn, d.w.z. spontaan, levend, kort, to the point, raak. Dan, plots, rollen deze woorden uit mijn mond: ‘Het zijn moet gezijnd worden’. Maarten knikt instemmend : dat is het juiste antwoord.”
“Het zijn moet gezijnd worden”. Ik ga de Taalunie voorstellen om de vervoegingen van ‘zijn’ aan te passen. In plaats van “ik ben, jij bent, hij is, …” wordt het dan “ik zijn, jij zijnt, hij zijnt, wij zijn, jullie zijn, zij zijn”. Als we vervolgens alle persoonlijke voornaamwoorden laten vallen, Zijn we zonder meer. Dan Zijn we (bij) G*d. Zijn is groter dan leven; het omvat het en vormt er de grond van. Het kleine leven moet geleefd en het Zijn moet gezijnd worden. Niet gedroomd of verdroomd. Niet louter bekeken, besnuffeld, betast, besproken, beluisterd, beschreven, bestudeerd, beoordeeld, begrepen. Voor de levensjaren die me nog resten hou ik dat “zijn” simpel. Voor mij geen Formule 1-race in de finale jacht naar de allerlaatste genietingen en ervaringen. Liever zing ik met één van mijn lievelingsrockbands uit de sixties, The Small Faces, en hun hit “My Mind’s Eye” : “I sit here every day, looking at the sky, ever wondering why, I dream my dreams away, and I’m living for today, in my mind’s eye”. Krishnamurti, één van de grote wijzen van de 20ste eeuw, zei: “De politicus, de hogepriester, de fatsoenlijke zal altijd werken volgens een formule en anderen dwingen volgens die formule te leven; de dwazen zullen altijd door hun woorden, hun beloften, hun verwachtingen verblind worden. Elke godsdienst heeft zijn formule, om de goden te bereiken”. K heeft het hier over een ander soort formule dan die van Byzantium. Deze laatste impliceert geen dogma maar een open weten waaraan je je kan toevertrouwen. Een weten dat vóór de ervaring komt. Nu het einde van mijn trip in zicht komt, zie ik dat de ziel of het Zelf op elk moment overzicht hield over de levensweg die ik ging, van het beginloze begin tot het eindloze einde.

Herman Meirhaeghe