“Meirhaeghe !! Voor u zien en zwijgen !”, riep de meester. Was ik bal(h)orig, dan moest ik een tijdlang ofwel mijn tong met wijsvinger en duim vasthouden, ofwel vooraan in de klas op mijn knieën zitten, met de handen op het hoofd en mijn gezicht naar de muur gekeerd. Dertig jaar later zat ik weer te zwijgen, op mijn knieën, met het gezicht naar de muur, in de zen-meditatie, dit keer naar eigen keuze. De handen niet meer op mijn hoofd maar in de meditatie-moedra gevouwen. En zonder lange rode kartonnen babbeltong die met een elastiekje op mijn kin was voorgebonden. Zwijgen en mediteren, ze horen samen als twee oren op een hoofd. Ze zijn niet alleen bijna inwisselbaar, maar ook een medicijn in een oorverdovende wereld met zijn almaar aanzwellende, nooit wegebbende informatievloed en woordendiarree.  Even in alle stilte en rust mediteren om op adem te komen langs de speedway van het leven,  noem ik mediteren in seculiere zin. Meditatie wordt transpersoonlijk als we duiken in de Levensbron die we G*d of het Zelf noemen, om dan weer in te voegen in het snelwegverkeer. Na de contemplatie, de actie. Ik verzon een nieuw woord voor dat soort contemplatieve actie : “contemplactie”. Actie vanuit het niet-ik. Dit soort actie omvat niet alleen “het juiste handelen”, maar ook “het juiste denken (inzicht, visie)” en “het juiste spreken”, drie attitudes die we ook via  “Rabbi Jezus Yoga” inoefenen (zie elders op deze blog).  In onderhavige tekst  wordt gefocust op een aspect van het “juiste spreken”. In tijden van fake news, taalmanipulatie, desinformatie, complottheorieën en de smeerpijperij van de sociale media, is het “juiste spreken” meer dan ooit nodig. Niet alleen wàt je zegt, maar ook hoe je het zegt, doet ertoe. Vanuit onze meditatiepraktijk, die ons de dingen toont zoals ze zijn,  kunnen we de valstrikken van taal ontmaskeren. Taal kan de werkelijkheid versluieren waardoor we alleen nog onze verwrongen perceptie ervan waarnemen. Kijken naar wat is, dat is wat we tijdens de meditatie doen.    

“Het juiste spreken” maakt deel uit van het “Edele Achtvoudige Pad” dat de Boeddha predikte. Dat Pad omvat een stappenplan met acht punten, die ons helpen onze geest te bevrijden door de oorzaken van lijden aan te pakken, met als doel Ontwaken of Verlichting realiseren.  De derde stap is “het juiste spreken”, zowel in gesproken als geschreven taal. Niet liegen, zich ver houden van lastertaal, geen harde woorden gebruiken, zich onthouden van onzinnig gepraat, van roddelen, kwaadsprekerij, enz.  In een tijdsgewricht waarin “onjuist spreken” de regel lijkt te worden, is dit actueler dan ooit. En dan hebben we het nog niet gehad over de alomtegenwoordige gebakkenluchtbakkers van allerlei aard. Maar ook minder schadelijk misbruik van woorden valt onder deze noemer, zoals het zich (niet) in acht nemen wat betreft small talk, tateren, tetteren, kwebbelen, kletsen, lullen, lallen, laméren, lamenteren, beuzelen, bazelen, zeveren, enz. Niet voor niets verloopt de meditatie in stilte en focussen we ons op de ademhaling of op één enkel welgekozen waardevol woord.

Zoals het leven in overdrive gaat, zo ook taal als uitdrukking ervan. Dat resulteert o.m. in turbotaal. Woordinflatie. Je kent het wel, die toevoeging van adjectieven – meestal superlatieven – bij een woord dat op zich al genoeg zegt. “Bedankt” omdat je deze tekst leest volstaat niet, neen, je bent “vreselijk bedankt”. Een ervaring was niet “intens” maar “ongelooflijk intens”. Dat nieuwe boek van Penny Schrijvers is niet “interessant”, maar “razend interessant”. We sliepen niet “goed”, maar “supergoed”. Het promoten van meditatie is niet “belangrijk” maar “ontzettend belangrijk”. Middelmatige zaken worden perfect, briljant, geniaal, fenomenaal of “de max” genoemd. Op een eenvoudige vraag antwoordt men niet meer met een simpel “ja”, maar met “absoluut”. Onderzoek gebeurt niet meer “grondig” maar “tot op het bot”. De Supercup gaat naar de nieuwe trainer van Club Brugge die op zijn eerste persconferentie zei dat hij niet 100 %, maar “1 miljoen %” inzet van zijn spelers verwachtte.  En zo kan ik nog wel even doorgaan. Gezwollen, opgeblazen taal, overdrijving. Net zoals je bij economische inflatie steeds meer centen moet betalen om hetzelfde product te kopen, worden er bij woordinflatie steeds ‘grotere’ woorden gebruikt om hetzelfde te zeggen. En net als bij munt-inflatie stijgt je loon misschien, maar je wordt er niet rijker van, integendeel.  

Woordinflatie en woorddevaluatie, twee kanten van één muntstuk. Woorden verliezen hun kracht, worden ont-waard. Verbalisme, woordenkramerij leidt tot uitholling, betekenisloosheid.  Verbalisten vrezen de stilte tussen de woorden, zoals rationalisten irrationele feiten vrezen. Als mediteerders en beoefenaars van de woordeloze stilte, springt ons dat meteen in het oor. In mijn studententijd in de jaren ‘60, toen ik me nog aan poëzie waagde en me een dichter in de dop waande, werd het woord “transparant” alleen door poëten en schrijvers gebruikt. Poëzie is natuurlijk het genre bij uitstek waar elk woord op een goudschaaltje gewikt en gewogen wordt. Vandaag de dag laten politici, managers en CEO’s dat woord in ongeveer ieder interview een paar keer van de gespleten tong rollen. Hoe ondoorzichtiger en mistiger hun discours, des te meer hebben ze het over “transparantie”. Zo devalueerde dit poëtische woord tot een nietszeggende, zelfs verhullende stoplap. Dit is niet het enige woord dat vandaag de dag door oneigenlijk gebruik zijn zeggingskracht verliest. Als we het waardevolle oude woord “meditatie” achteloos gebruiken, devalueren we de waarde ervan. Want dat gebeurt vandaag op grote schaal in de feelgood- en wellnessindustrie. Alles wat ook maar iets met “ontstressen” te maken heeft, wordt “meditatie” genoemd. Op die wijze wordt een spirituele discipline herleid tot louter een ontspanningstechniek om zich even beter te voelen om daarna weer in de ratrace te springen. Ook het onderscheid tussen “meditatie” en “mindfulness” vervaagt. Ze worden op één hoop gegooid, als synoniemen beschouwd, hoewel in het boeddhisme het laatste slechts een voorbereiding is op het eerste. En dan is er ook nog het wollige “het een plaats of een plek geven”. Verdriet, tegenspoed, ziekte, overlijden, we moeten het allemaal “een plaats geven”. Alsof het omgaan met en verwerken van die gevoelens een wilsdaad zou zijn, alsof dat met een vingerknip kan geregeld worden. Waar bevindt die plaats zich trouwens? In de linker benedenhoek van je ziel? In je blindedarm? Onder een stolp op de kast? In een bestandje op je laptop? In je hippocampus? In het zicht of uit het zicht? Neen, dan liever “Let it be” van The Let it Beatles.

Ook het woord “spiritualiteit” komt in de verdrukking. In een interview in “Kerk en Leven” (18.8.2020) met theoloog Bert Roebben en psychiater en zen-boeddhistisch leraar Edel Maex, zegt deze laatste dat hij het woord “spiritualiteit” zoveel mogelijk probeert te ontwijken. Begrijpelijk, want ook dat begrip is inderdaad de laatste decennia danig gedevalueerd. Ik citeer:  “Onze tijd heeft het moeilijk met religie en dan lijkt spiritualiteit makkelijker behapbaar, maar dat begrip is ontlichaamd”.  Bij gebrek aan beter gebruikt hij het dan toch maar.  Maex hanteert als werkdefinitie: “De spirituele mens is wie kan omgaan met het spanningsveld van behoefte aan zekerheid en controle – die er nooit zijn – en wie met een zeker vertrouwen in het leven staat”. Volgens Roebben – auteur van “Volharden in de broosheid, Spiritualiteit in tijden van Corona” – gaat spiritualiteit over je toewijden, je toevertrouwen en uit jezelf treden, je concreet durven over te geven aan het andere dan jezelf. Een korte zoektocht leverde me in een recordtijd een 20-tal definities en omschrijvingen van “spiritualiteit” op, de ene al duidelijker of vager, beknopter of uitgebreider dan de andere. Het zou ons te ver leiden om die hier allemaal te citeren. Toch een drietal die illustreren hoeveel uiteenlopende ladingen die vlag dekt. Deze bijvoorbeeld : “Spiritualiteit is de richting en inrichting van je leven met een intuïtieve levensstijl”. Of deze: “Spiritualiteit is het geestelijk fijnstoffelijke werkgebied dat zich bezighoudt met het pure bewustzijn. Het is de relatie tussen wat gedacht, gevoeld, geweten en ervaren wordt, ofwel het bewustwordingsproces van een wereld die wij zelf geschapen hebben en herscheppen”. Of deze : “Spiritueel leven is niets anders dan luisteren naar de energie die op je afkomt en die van jezelf uitgaat. Het is leren leven met de kosmische wetten en zien dat alles energie is”.  Samenvattend zouden we kunnen zeggen dat spiritualiteit een bijzondere, maar niet noodzakelijk confessioneel begrepen religieuze levenshouding is die zich op het transcendente of immanente goddelijke Zijn concentreert, waarbij de nadruk ligt op persoonlijke innerlijke ervaring.  Sommigen kleven zelfs op heel de New Age beweging en de complete esoterie, die de meest uiteenlopende thema’s omvatten, de sticker “spiritualiteit”. Nou, kies maar uit… Maex vindt het woord spiritualiteit “ontlichaamd”, maar ik zou eerder zeggen “ontkracht” en “ontzield”.

De titel van voormeld interview in “Kerk & Leven” luidt : “Loslaten maakt de mens vrijer – Is de spirituele mens beter in staat om crisissen zoals corona aan te kunnen?” Daarmee zijn we bij nog zo’n gedevalueerd woord aanbeland, dat vooral in spirituele (!) en psycho-therapeutische middens te pas en vooral te onpas valt : loslaten. Hoe vaak word je daar niet mee om de oren geslagen? “Laat het los !” Ik krijg puisten van die uitdrukking of toch zeker aan het oneigenlijk gebruik ervan.  Je zou verdorie de dingen al moeten loslaten vooraleer je ze echt te pakken hebt.  Zeker, loslaten is een levenskunst, maar vaak is zo’n uitspraak niet méér dan vrijblijvende, goedkope goede raad. Het is niet méér dan het niet  willen of kunnen onder ogen zien van wat ons of de ander bedrukt, pijn doet, frustreert. Het is zo makkelijk om “laat het los” te zeggen aan iemand die zijn probleem met jou wil delen. Dan zijn wij er vanaf, maar die persoon schiet er niets mee op. Laat dit soort loslaten maar los. Die uitspraak laat ook uitschijnen dat loslaten een wilsdaad is. Alsof je zomaar kunt beslissen “het los te laten”. Zo zitten we niet in mekaar. Vaak gaat aan het loslaten een lange(re) periode van losweken vooraf. Iedereen met enige meditatie-ervaring weet dat je niet zomaar iets kan loslaten, dat het voortdurend weer voor je geestesoog opduikt, dat we tienduizend keer moeten terugkeren naar onze ademhaling, onze lichaamshouding of onze mantra. Meditatie leert ons ook dat het loslaten zich op onbewust niveau voltrekt. Op een dag constateer je dat er geen lading meer zit op het probleem dat je zo in de ban hield. Alsof niet jij het probleem, maar het probleem jou losliet.

Wanneer we mediteren doen we eerder het tegenovergestelde van loslaten : erbij blijven. We blijven bij onze mantra, bij de uitwendige en innerlijke werkelijkheid waarin we hebben plaatsgenomen. Merkwaardigerwijs laten we daardoor automatisch, op een natuurlijke wijze… alles los.  Dit is geen loslaten op bevel, maar een natuurlijk gevolg van onze beoefening. Ik neurie wel eens het bekende liedje van Louis Neefs : ‘k Zag Twee Beren.  Bij mij gaat het zo : “ ‘k Zag twee beren mediteren, en hun mantra reciteren, ‘k bleef erbij en ik keek ernaar.” Uiteraard zijn er dingen die we moeten loslaten, en wel meteen ende stante pede. Dingen zoals de flauwekul, de hersenspinsels en de triviale verstrooiingen die tijdens de meditatie ons door het hoofd schieten. Gooi ze er meteen uit, blijf er niet bij. Snij negatieve gedachten die je in de loop van de dag of bij nacht overvallen meteen de pas af.  Maar échte gevoelens die zowel binnen als buiten de meditatie opborrelen – verdriet, irritatie, angst, verveling – kunnen we beter gezelschap houden. Erbij blijven terwijl we onze mantra blijven herhalen; zo ontstaan sowieso afstand en ruimte. Erbij blijven en loslaten tegelijk, dat is wat we in de meditatie doen. Roebben: “Loop niet weg van boosheid of angst, maar leer leven met de dubbelzinnigheden van het bestaan”. Gewoon erbij blijven, zonder oplossingen te zoeken, zonder te analyseren of er voedsel aan te geven. Zoals we een geliefde gezelschap houden wanneer hij/zij ons diepe dingen toevertrouwt. We hoeven niet meteen klaar te staan met “goede raad”. Ook hier : in plaats van “laat het los”: “laat het (zijn)”.

Het tweelingzusje van loslaten” is “Alles komt goe(d)”, nog zo’n ergerlijke dooddoener.  Een positieve levensinstelling is uiteraard prima. Het is zelfs één van de vruchten van meditatie. En vanuit spiritueel oogpunt komt alles inderdaad uiteindelijk goed, maar  ook deze uitspraak is verworden tot clichématig psycho-spiritueel jargon. Vaak is het, net als “laat het los”, alleen maar een excuus om niet te hoeven luisteren naar jezelf of naar de medemens die zijn zorgen of problemen met je wil delen. In bijna elke aflevering van tv-soap “Thuis” – en niet alleen daar – wordt minstens een paar keer gezegd : “Alles komt goed”. Het lijkt wel een mantra. Ooit heb ik het een week lang zitten turven en ik totaliseerdeeen 20-tal streepjes in 5 afleveringen. Elk probleem dat zich in en rond de Withoeve aandiende of werd aangekaart, elke rimpeling, werd sofort ende meteen afgeblokt met “ ‘t Komt goe”. Ook in de zondagavondserie “1985” op Eén, over de Bende van Nijvel, hoorde ik die luchtledige uitspraak al enkele keren vallen, in dramatische situaties. Veertig jaar na datum kwam het bij mijn weten nog altijd “nie goe” met die zaak en lopen de moordenaars vrij rond.  Onder het mom van positief begrip en hoop biedende steun, betekent dit eigenlijk : ik wil het niet horen, laat me met rust, ik wil er niet bij betrokken worden, ik wil het niet onder ogen zien, ik wil er niet mee geconfronteerd worden. Het lijkt wel dat, hoe slechter het gaat met de wereld, hoe krampachtiger we ons aan die bezwerende woorden vastklampen. “Alles komt goed” impliceert dat het nù, op dít moment, in déze situatie, niet goed is en dat het later anders of beter zal zijn. Dat “beter” beantwoordt dan aan het beeld dat we ons (of de ander) voorhouden. Dat kan dan niet iets anders zijn dan een voorstelling die overeenstemt met onze beperkte visie op wat goed of beter is voor ons of de ander. 

Anderzijds is er ook het diepe inzicht dat alles goed is, altijd, wat van een heel andere orde is.  En al die ellende in ons persoonlijk leven en in de wereld dan? Is die dan ook goed? Ja, in een ruimer perspectief wel. Dit is even slikken. Het getuigt van een diep vertrouwen dat alles uiteindelijk goed is – en niet goed komt. Alles is goed, ook zonder de valse hoop van “alles komt goed”. “Alles is goed, altijd” spreekt van acceptatie van wat is, waarin ook het – vanuit ons beperkt oogpunt althans – negatieve zijn plaats heeft. “Alles komt goed” klopt wél als we kunnen aannemen dat niet alles goedkomt.  Kunnen we dat wat is omarmen en niet alleen maar aanvaarden? Kunnen we alles overlaten aan G*d? Mogen we dan niet hopen, hoor ik ons vragen? Ontnemen we de mens dan niet alle hoop? De vraag is of we kunnen hopen zonder ons een beperkte voorstelling te maken van wat de toekomst zou moeten zijn. Kunnen we hopen zonder te hopen? Wat is hopen zonder te hopen? Dat is zich openstellen voor om het even wat er op ons afkomt. Hopen als synoniem van vertrouwen hebben.

In 1949 – mijn bouwjaar  – publiceerde George Orwell zijn dystopische toekomstroman “1984”. Daarin ontwerpt een totalitair systeem “newspeak” en hanteert die “nieuwtaal” als een instrument om vrijheid van gedachten en ideeën, zelfexpressie, individualiteit en vrede, die een bedreiging voor het regime vormen, in te perken. Zo wordt het woord “goodthink” gebruikt voor ideeën die door De Partij zijn goedgekeurd en die overeenstemmen met haar beleid en haar doelstellingen. 1984 ligt inmiddels al bijna veertig jaar achter ons en nu zijn er wereldleiders uit democratieën die non-stop  newspeak en fake news spuien.  Nietzsche sprak over “Umwertung aller Werte” (herwaardering aller waarden).  Zijn we niet toe aan een “herwaardering aller woorden”? Onze stiltetraditie is daar bijzonder geschikt voor. Uit ervaring weten we immers allemaal dat we vanuit het zwijgen komen tot “het juiste spreken”.

Maar wat is “juist spreken”? Ik zou kunnen antwoorden dat zwijgen het juiste spreken is, maar dat lijkt me ietsje te makkelijk. Met Pinksteren spraken de apostelen in tongen na de uitstorting van de Geest. Ze spraken voor hen onbekende talen die toch door tientallen anderstalige toehoorders werden begrepen. Was dit een vorm van “juist spreken”?  Geliefden spreken dan weer woordeloos in tongen als ze kussen, eveneens een universele taal. Is dit een vorm van “juist zwijgen”? Want er is ook zoiets als “het juiste zwijgen” : weten waar en wanneer je beter je mond houdt.  Als men echter zwijgt waar men zijn stem moét laten horen, is dat geen zwijgen maar “verzwijgen”.  Veel mystici waren grote zwijgers, maar ook grote sprekers en schrijvers. Jezus zelf was een vaardig beoefenaar van het juiste spreken, daar getuigen zijn parabelen van en zijn talloze treffende uitdrukkingen die tot op vandaag in onze spreektaal beklijven. Maar Hij wist ook wanneer Hij zwijgen moest, zoals die keer toen men hem vroeg wat er met een op heterdaad betrapte overspelige vrouw moest gebeuren : hij zweeg en tekende met de vinger in het zand. Of toen hij voor zijn rechters en voor Pilatus stond, zich niet verdedigde en er het zwijgen toe deed. Een welsprekend, veelbetekenend zwijgen.  Ook de Boeddha was als leraar een groot spreker, maar ook een zwijger, zoals in deze beroemde anekdote.  Toen zijn verzamelde leerlingen zaten te wachten tot de meester zijn “dharma talk” zou beginnen, zat hij daar maar te zitten met een bloem in zijn hand. De stilte bleef maar duren… Zijn leerlingen zaten er wat ongerust en ongemakkelijk bij.  Wat was er aan de hand? Toen de Boeddha opkeek zag hij zijn leerling Mahakasyapa glimlachen. Hier gaf Boeddha onderricht door één enkel stil gebaar – het tonen van een bloem –  en Mahakasyapa liet zijn inzicht blijken met de stille glimlach van herkenning. Dit moment van “woordeloze overdracht” wordt trouwens gezien als de geboorte van zen. Maar kort en concreet nu. Vóór we overgaan tot spreken (smartphone, e-mail, sms, twitter, WhatsApp, etc) kunnen we ons, zonder al te veel te moraliseren, vier basisvragen stellen.  Is het echt nodig om iets te vertellen?  Levert dat wat ik wil zeggen iets positiefs op? Weet ik zeker dat wat ik wil vertellen waar is? Gebruik ik de juiste woorden op de juiste toon? Als je deze vier vragen positief kan beantwoorden, kan je overgaan tot het juiste spreken. Als je het goede niet kan zeggen, bijt dan op je tong. Proef je woorden eerst voor je ze uitspuwt. Of deze simpele volkswijsheid van mijn grootmoeder  : “Draai je tong driemaal rond in je mond voor je reageert op een hard woord” (maar dan in ’t West-Vlaams). Juist spreken en juist zwijgen doet men op het juiste moment en op de juiste plaats. Als zwijgen goud is, laat ons spreken dan minstens zilver zijn.  En laat het woord geen bla-bla-bladvulling zijn.

Herman Meirhaeghe

Plaats een reactie