Als iets onverwachts je overkomt, iets wat je leven ingrijpend verandert, heb je de neiging – of zoek je zelfs bewust – naar voortekens die erop wijzen dat het onvoorspelbare werd aangekondigd. Dat het in de lucht hing. Dat het in de sterren geschreven stond. Dat de goden het zo voor jou voorbestemd en geregeld hebben. Dit verheft de gebeurtenis naar een hoger, mythisch, spiritueel niveau. Niet dat ik mijn leven wil mythologiseren, maar ik had toch altijd al het gevoel dat de dingen des levens zich niet toevallig voordoen. Ik geloof niet in zinloos, wél in betekenisvol toeval. Zin ervaren is een samenhang tussen de dingen opmerken. Maar wat dan met de vrije keuze? Bestemming heb ik nooit aangevoeld als een noodlot dat me dwingend in een bepaalde richting naar een bepaald doel dirigeert. Misschien omdat ik, soms bewust, meestal intuïtief, luister naar het gefluister van mijn Bestemmer. Een innerlijke, niet door mij bestuurde stem die niet beveelt, maar uitnodigt om op bepaalde momenten – resoluut en zelden zonder pijn – uit de geborgenheid te breken van groepen met doelstellingen, engagementen en overtuigingen waaraan ik voorbij was gegroeid. Om vervolgens een platgetreden pad te verlaten en me een andere weg te banen. Om vrienden te verliezen die bij voorbije levensfases hoorden. Zwelgen of schuilen in nostalgie is niet mijn ding. Regressie is krimpen, verschrompelen, vegeteren in uitgeleefde patronen. Bestemming mag dan al een irrationele factor lijken, zij roept altijd op tot groei, emancipatie, transformatie.
In het woord bestemming woont “stem”. Wie stem zegt, zegt roeping. Het instemmen met en het zich afstemmen op die roepende stem gebeurt bij mij meestal plots, soms stapsgewijs of procesmatig. Zoals het onbewuste, zoekt bestemming altijd een manier om zich te uiten, zichzelf vorm te geven. Ben je goed afgestemd, dan verloopt alles redelijk harmonisch. Wordt er niet geluisterd, dan dreigt minstens de neurose. Een innerlijke toestand die niet bewust wordt gemaakt, manifesteert zich als noodlot in pijnlijke, niet zelden rampzalige uitwendige gebeurtenissen. Van wie is die stem die ons onze bestemming influistert? Bij Jezus was het die van de Vader, bij Socrates die van zijn daimon. Aan wie schrijf ik dan ‘mijn’ stem toe? Om er mij tegenover sceptici vanaf te maken schrijf ik ze toe aan “de goden”. Met zo’n algemene uitspraak hoef ik dan geen verdere uitleg te geven, niet in detail te treden. Zelfs een atheïst zal niet struikelen over dit soort “goden”. Maar eigenlijk zie ik die stem als de vertolking, de spreekbuis van de goddelijke vonk in mij, van het Zelf. Ze is de stem van wat ik mijn Bestemmer noem, de “Geheimnisvolle Mentor” of “Richter”. Elke ochtend richt ik tot mijn Richter een “bestemmingsgebed” waarin ik mijn overgave aan en vertrouwen in mijn bestemming uitdruk. Mijn geloof in de maakbaarheid van de dingen vanuit het ego – een idee dat vandaag de dag sterk gepromoot wordt – is immers zeer beperkt. Vandaag is het de mens die beschikt en God die wikt. Mijn gebed is geïnspireerd op een tekst van Fénelon, de Franse aartsbisschop, schrijver, mysticus en aanhanger van het quiëtisme die een tijdlang de leraar en mentor was van de kleinzoon van Louis Quatorze. Het gaat zo : “Geheimnisvolle mentor en goddelijke richter van mijn ziel, ik ruim plaats voor u; doe in mij uw werk want gij weet wat ik nodig heb; gij hebt mij meer lief dan ik mezelf zou weten lief te hebben; Meester, geef me dat waarvan het niet weet hoe ik het moet vragen; tref me met ziekte of genees mij; druk mij terneer of verhef mij; ik aanvaard al Uw bedoelingen zonder ze te kennen; ik zwijg, ik geef me aan u over; ik wil niets anders dan uw wil te vervullen, en één te zijn met de Ene; Meester leer mij te leven, leef uzelf in mij”.

Was de katholiek opgevoede en later agnostische, marxistische jongeman bestemd om ooit een zen-boeddhistisch monnik te worden? Het ziet er naar uit van wel. Toen zen-boeddhisme, en bij uitbreiding de Boeddha, me overvielen, vroeg ik me af of er voortekens waren in die richting, aanwijzingen, synchroniciteiten? Die waren er. Zen overdonderde mij immers tijdens het Europalia 1989. Dit grote kunst- en cultuurfestival was dat jaar aan Japan gewijd, het Land van de Rijzende Zon, waar zen vandaan kwam. In datzelfde jaar ontving de Dalai Lama, de meest bekende boeddhist ter wereld, de nobelprijs voor de vrede. Had de Boeddha zich al eerder in mijn leven aangediend? Tot mijn verbazing vond ik bij toeval een merkwaardig omen in een literair werk van mijn vader dat hij een paar jaar vóór[H1] mijn conceptie schreef. Vanaf zijn adolescentie schreef hij poëzie. Ik bewaar een tiental dikke cahiers waarin hij tijdens zijn collegejaren elke dag een gedicht van vele verzen en strofen schreef. Poëtische dagboeken met klassieke berijmde gedichten. In zijn twintiger jaren publiceerde hij in literaire en andere tijdschriften en werd zelfs “een veelbelovend jonge dichter” genoemd. Hij waagde zich ook aan proza, wat hem minder goed afging. Hij mocht dan al een bewonderaar zijn van Gerard Walschap, hij kwam niet in de buurt van diens directe stijl en prangende boodschap.
Vader liet, naast veel poëzie, ook een onvoltooide roman en een novelle na. In die novelle botste ik op een verrassend element. Hij schreef dit verhaal, dat dertig handgeschreven bladzijden telt, in de jaren 1940, een paar jaar vóór mijn geboorte. Titel : “Het kindje in het blauw”. Het is het verhaal van een pas gehuwd paar, Paul en Jeanne Creytens. Paul en Jeanne leren elkaar bij toeval kennen tijdens een concert in Brugge waar Van Beethovens Egmont Ouverture wordt uitgevoerd. Het jonge koppeltje beleeft idyllische wittebroodsmaanden in een bescheiden appartementje aan de Spiegelrei. Dan erven ze – totale verrassing – van een rijke oom een riant landhuis in de bossen van Sint-Andries. Een vergiftigd geschenk dat een bedreiging wordt voor hun pril geluk. Alles aan en in het villaatje heeft de kleur groen : muren, ramen en luiken, plafonds, tapijten, gordijnen… Over het interieur en de kunstvoorwerpen, schrijft vader : “Een zeer te bevitten smaak had de overige versiering aangebracht – een Boedhabeeldje, nadenkend in Oosterse geheimzinnigheid, een dodenmasker van Napoleon, oude verroeste wapens en enkele schilderijen met groenige zeegezichten”. Neen, dit is niet het groen van “vert, j’espère”, zoals Jeanne zichzelf aanvankelijk wijsmaakt, maar eerder gifgroen, heksenketelgroen, duivelsgroen, galgroen dat Paul neerslachtig maakt. “Een terneerdrukkende last scheen over het sombere huis te hangen. Onverklaarbaar hing die atmosfeer in elke kamer – over elk ogenblik. Dit sombere huis, nauwelijks tien jaar gebouwd, schijnt doorzinderd van de geheimzinnigheid en de stomme stilte van eeuwen”.
Dan wordt hun zoontje, dat de vrucht is van “twee mensen die de liefde rustig en passieloos beleven”, clichématig in de meimaand geboren. Mijn vader Jan gaf het kindje zijn eigen voornaam. “Janneke moet in het blauw gekleed worden, zei het jonge moedertje, in ’t hemelsblauw als de wolken van deze meimaand; al dat vreugdeloze duivelse groen zal niets tegen hem vermogen”. En dan de slotscene : “Wijl ze het kindje ontkleedde kreeg het opeens een plotse rilling. Schreiend reikte het met zijn kleine handjes naar een voorwerp op de schouw – de Boeddha in groene jade die geheimzinnig glimlachte. Het kindje begon onbedaarlijk te huilen. Rood en blauw werd het gelaat. De handjes wrongen koortsig. Paul gaf het beeldje. ‘Het is niets, Janneke, kijk hier hebt ge het speeldingetje’”.

In vaders novelle is de Boeddha geen geluksbrenger. Zijn aanwezigheid getuigt van de “zeer te bevitten smaak” van Pauls oom en bovendien is hij gemaakt van onheilspellend groene jade. Een speeltje ook voor zijn zoontje. In dit verhaal zit een aantal autobiografische elementen – Jeanne: naam van zijn toenmalig lief; Paul: naam van zijn overleden broertje en Jan: zijn eigen doopnaam. In het kind herken ik uiteraard mezelf, de zoon die enkele jaren later zou geboren worden om te zijner tijd naar de Boeddha te reiken, niet als naar een paaiend speeldingetje, maar als bron van levensvervulling en zingeving. Ook toen vond vader dit een erg “bevittelijke” keuze van zijn enige zoon, die hij niet kon accepteren. Het vergalde onze relatie een tijdlang en het leverde een van de meest pijnlijke confrontaties van mijn leven op. Elders op deze blog schreef ik hierover. Maar waar haalde vader dat boeddhabeeldje vandaan? De Boeddha maakte totaal geen deel uit van zijn denkwereld, laat staan zijn spiritueel leven, toen niet en later niet. Ik vroeg hem waarom hij tot tweemaal toe dat boeddhabeeldje opvoerde, maar daar had hij geen antwoord op. Zomaar, toeval, zei hij. Blijkbaar geloofde hij niet in een van de bekendste schrijfdogma’s, geformuleerd door W. F. Hermans in het “Sadistisch Universum”, dat er in een roman “bij wijze van spreken geen mus van het dak valt zonder dat het een gevolg heeft”. Dat niets aan het toeval wordt overgelaten. Maar zelfs al nam vader die schrijfregel onbewust niet in acht, dan nog is er altijd een reden waarom de schrijver iets opvoert, ook al heeft hij daar zelf niet meteen zicht op. Hoe dan ook, als lezer en als zoon kan ik daar achteraf zelf nog altijd een betekenis aan geven. Zoals Jaap Kruithof, mijn prof van weleer zei: “De mens is een zingever”. Ik zie in deze novelle dan ook een eerste vingerwijzing naar mijn lotsbestemming : dat ik ooit het pad van de Boeddha zou gaan.
In het Vlaanderen van mijn kindertijd in de jaren ’50 behoorde de Boeddha nog niet tot de vaste decorstukken. Hij was, los van zijn spirituele betekenis, nog geen designobject dat leefruimtes “zen” moest maken. Het zou minstens nog tot eind zestiger jaren duren vooraleer Gautama Siddhartha alias Sjakyamoeni Boeddha, via de jeugd- en tegencultuur die de Oosterse toer opging, iets bekender raakte. Onlangs vond ik op een vroege zaterdagochtend op een stoep hier in de buurt zelfs een fors boeddhabeeld – “gratis mee te nemen”; ik ben met mijn armen vol Boeddha naar huis gestapt. Verleden week ontdekte ik dat iemand in het kleine perkje vlakbij mijn huis, dat meer een vergaarplek is van zwerfvuil dan een groen vlekje in onze leefstraat, een boeddhabeeldje aan de voet van het jonge boompje had geplaatst. Een bodhiboom in mijn straat ! De tijden zijn veranderd. Geen boeddhabeeldjes in de Vlaamse huiskamers in de vijftiger jaren, toen alles nog ademde naar het “Rijke Roomse Leven”. Toen stond alles in het teken van het kruis, dat zelfs in stallen, hokjes en koterijen werd opgehangen. Om nog maar te zwijgen over de devote beelden van het Heilig Hart van Jezus, van Moeder Maria, Sint-Jozef, Sint-Antonius, de Heilige Rita en van God-ziet-mij-hier-vloekt-men-niet-prenten. Vandaag de dag staat de boeddha in talloze tuinen, toen vond je daar aandoenlijke zelfgemetselde witgekalkte Lourdesgrotten zoals mijn grootvader er een maakte. En toch hadden wij in die tijd een boeddhabeeldje in huis. Het stond achter de glazen schuifdeurtjes van de kast waar moeder haar meest kostbare “postuurkes” etaleerde. Een Japanse boeddha in wit porselein, met zwarte, oranjerode en goudgekleurde gewaden. Hij zat in de klassieke meditatiehouding (zie illustratie). Geen idee waar of waarom moeder dit gekocht had. In elk geval niet omwille van de spirituele betekenis. Ze moet het gewoon een mooi exotisch beeldje gevonden hebben. Als kind wist ik dat die corpulente man in kleermakerszit “Boeddha” genoemd werd. Moeder had me dat gezegd. Meer wist ze niet over hem te vertellen en vader al evenmin, tenzij dat die man uit India kwam.

In het Expo ’58-jaar kocht vader ons eerste televisietoestel. Hij was er altijd snel bij wanneer er nieuwe elektronische gadgets op de markt verschenen. Op ons gehucht waren er maar een vijftal gezinnen die een tv hadden. Moeder wou niet dat de antenne bovenop het dak werd geplaatst; die werd op zolder geïnstalleerd. Want wat zouden de mensen wel denken? Dat we verkwisters waren, boven onze stand leefden, ons rijker voordeden dan we waren of het hoog ‘in ons sterre’ hadden. Ik behoor dus tot de eerste generatie die met tv opgroeide, toch zeker vanaf mijn 9de levensjaar. Een “beeldbuiskind”, zoals Mijnheer De Uil van de Fabeltjeskrant ons aansprak. Elke avond mocht ik meekijken naar Het Nieuws. Van de miljoenen beelden die de voorbije zestig jaar mijn beide ‘beste kijkers’ passeerden, zijn er slechts enkele tientallen die echt op het netvlies gebrand staan. Voor de vuist weg die uit mijn jeugd : de moord op JFK, M.L. King en Robert Kennedy, The Beatles die uit vliegtuigen stappen en aan het kolkend oestrogeen proberen te ontkomen, Cassius Clay die het uitroept dat hij “the greatest” is, Roger Moens die op de Olympische Spelen in Rome in 1960 onzeker achterom kijkt naar Peter Snell die hem in de finale van de 800 meter voorbijsnelt, de spurt op het WK wielrennen te Ronse 1963 waar mijn idool Rik Van Looy geklopt werd door ‘verrader’ Benoni Beheyt, het napalmmeisje Kim Phuc uit de Vietnamoorlog, de maanlanding van Apollo 11… Allemaal spectaculaire gebeurtenissen. Hoewel helemaal niet zo ophefmakend zoals de vorige, behoren tot mijn meest beklijvende herinneringen ook korrelige zwart-witbeelden van een jongeman in monnikspij met een ziekenfondsbril zoals koning Boudewijn er een droeg op de foto boven het klasbord. Die jongeman was de toen 23-jarige Dalai Lama bij zijn aankomst in India op 17 maart 1959, na zijn vlucht uit Tibet, waar in de hoofdstad Lhasa een week eerder een opstand was uitgebroken tegen de Chinese bezetting. Waarom blijft zo’n beeld hangen? Een jaar later verscheen “Kuifje in Tibet” waarin ik iets meer vernam over datzelfde raadselachtige land, waar de Verschrikkelijke Yeti reuzevoetstappen in de sneeuw achterliet en waar de helderziende, leviterende, boeddhistische monnik Gezegende Bliksem in een visioen Bobbie herkent. Maar Tibet is nog niet het land van de Rijzende Zen.

Mijn weinige kennis over de Boeddha of het boeddhisme ontleende ik aan stripverhalen, vooral die van Suske en Wiske. In de De Witte Uil (1948), dat zich grotendeels afspeelt in China, komt Lambik in een tempeltje waar een magisch boeddhabeeldje hem zegt dat zijn door Sjam Foe-sjek gevangen genomen, vliegende tjip-tjip broer Arthur die nacht zal gedood worden wanneer de maan boven de Gouden Pagode staat. ‘Sjam Foe-sjek’ is zo’n typische Willy Vandersteen-naam, een verbastering van ‘sjamfoeter’, wat in de gewesttaal ‘schelm of bedrieger’ betekent, en van ‘Tsjang Kai Sjek’, nationalistisch politicus, voorzitter van de Kwomintang en president die in 1948 vluchtte naar Taiwan, waarna de communisten de macht grepen en Mao Tse Tung voor vele jaren de sterke man werd. De strijd tussen de kortstaarten en de langstaarten – nationalisten en communisten ? – wordt beëindigd wanneer een atoombom, die aan een touwtje rond de nek van de vredesduif hangt, ontploft en openbarst in een fall-out van gouden hartjes. En met de A-bom zitten we in het Japan van Hiroshima en Nagasaki. De Stemmenrover (1957) speelt zich af in het middeleeuwse Japan van shoguns en samoerais. Lambikoe, Wisoeko en Soesoeko schieten prinses Sholo-Fly te hulp die na de dood van haar ouders een land in chaos moet besturen. Zij wordt geadviseerd door een malafide sterrenwichelaar Komikio (heb je ‘m?), die de stemmenrover blijkt te zijn. Volgens zijn wichelarij mag ze pas de troon bestijgen wanneer het beeld van Butagasaki gesproken heeft. Ik vond het geweldige verhalen, vooral vanwege de oosterse geheimzinnigheid die eigen is aan China en Japan, twee landen waar zen zijn oorsprong vond.

Toen ik twaalf was vergezelde ik vader naar dorpsfeestzaal Concordia, waar een collegeklasvriend van hem, een jezuïet die missionaris was in Japan, een missietentoonstelling gaf. Ik kreeg een devoot prentje van de pater waarop hij mijn naam schreef, in Japanse karakters ! Daar kon ik uiteraard niks van maken, maar vond het wel heel speciaal en bewaarde het in mijn missaal. Het leek wel de voorafspiegeling van wat dertig jaar later gebeurde, toen mijn zenleraar – ook een soort “Japanse pater” – bij mijn wijding tot zenmonnik mijn boeddhistische dharmanaam – Do Nin – in Japanse karakters op mijn rakusu kalligrafieerde, waardoor ik zelf een “Japanse monnik” werd. In de humaniora kwam de Boeddha wel eens ter sprake in de lessen godsdienst, maar verder dan de gebruikelijke clichés over die “nihilistische religie zonder god” kwam het niet. Op de iconische hoes van Sgt Pepper’s van The Beatles staat links vooraan, tussen de bloemen, een boeddhabeeldje, dat leek op dat uit moeders kast. Vader schafte zich de in 1956 door Uitgeverij Heideland opgestarte “Pantheonreeks der Nobelprijswinnaars” aan. We bezaten alle laureaten vanaf de start in 1901 tot 1955 : vijftig dikke volumes met veelkleurige ruggen in namaakleder. Ze stonden te slapen achter de gesloten deuren in een kast op de slaapkamer van mijn ouders. Toen ik omstreeks mijn Plechtige Communie een eigen kamer kreeg, verhuisden de boeken naar mijn bibliotheekkastje. Ik nam me voor ze allemaal te lezen, maar zover is het nooit gekomen. Als tiener las ik wel fragmenten van auteurs van wie ik de naam wel eens hoorde vallen : Hemingway, Pirandello, Thomas Mann, Momssen, Maeterlinck, Kipling, T.S. Elliot, Faulkner, Yeats, maar ervoer dat dit mijn begripsvermogen vooralsnog te boven ging. Te moeilijk, behalve twee auteurs die me bijzonder aanspraken : Hesse en Tagore. Rabindranath Tagore was een Bengaals auteur, dichter en wijsgeer. Als mysticus predikte hij, los van spirituele praktijken zoals yoga of meditatie, een vreugdevol opgaan in God in het dagelijks leven. Ik was toen vooral geïnteresseerd in zijn poëzie, die ik verwerkte in mijn liefdesbrieven en -gedichten aan mijn geliefde, Gerda. Hermann Hesse, nobelprijswinnaar in 1946, werd door de hippies herontdekt; toen ik ‘m las voelde ik meteen verwantschap. In het Pantheonboek was “De Steppewolf” opgenomen. Dat verhaal sprak me sterk aan vanwege de bevreemdende, Jungiaanse, psychedelische elementen. Ik wist toen nog niet dat Hesse bevriend was met C.G. Jung en zelfs bij hem in therapie ging. De Amerkaanse rockgroep “Steppenwolf” ontleende zijn naam naar dit verhaal. Ontelbare keren heb ik meegebruld met hun monsterhit uit 1968 “Born to be wild” dat ook in de cultfilm Easy Rider zat : “Like a true nature’s child, we were born, born to be wild, we can climb so high, I never wanna die; Born to be wild ! Born to be wild !” In De Steppenwolf er zat niets boeddhistisch of Oosters, wél in dat ander cultboek Siddhartha, dat Hesse schreef na een verblijf in India in de jaren 1910. In deze allegorische roman onderneemt de Indiase jongeman Siddharta een spirituele reis. Hij doet dat ten tijde van de Boeddha, die eigenlijk Gautama Siddharha heette en naar wie ook verwezen wordt als Gotama. Dit boek was erg invloedrijk in de jaren zestig en inspireerde velen van mijn generatie om via de hippie trail naar Nepal en India te trekken.

Ook ik droomde ervan om naar India te gaan, maar vanwege mijn (over)gevoeligheid voor extreme hitte, lawaai, chaos en mensenmassa’s, zou ik het daar, achteraf beschouwd, nauwelijks een paar dagen uitgehouden hebben, vrees ik. Toch maakten we met enkele vrienden stoute plannen om in zo’n typisch psychedelisch geverfd V.W.-busje, daarheen te rijden, met tussenstop in Kathmandu uiteraard. Het bierviltje met onze handtekeningen die onze dronkemanseed bevestigen, bewaar ik nog steeds. Niet de Boeddha lokte ons, maar Sri Aurobindho (zie foto). In 1971 waren we met ons vriendengroepje immers in de ban geraakt van een boek over Auroville, in Pondicherry, India. Ik wijdde er een boekbespreking aan in ons undergroundblaadje “De Hobbit”. Auroville, zo heette de in 1968 opgerichte stad in Pondichery. Een stad die van niemand was, maar de hele mensheid toebehoorde. De ideeën van Sri Aurobindho werden er in praktijk gebracht. Zijn filosofie dat de mens een “wezen in transitie” is leek ons vanzelfsprekend, maar we voelden ons vooral aangespoken door het commune-idee van universele broederschap. De hippie-trail naar India hebben we nooit gevolgd. Tussen droom en daad, weet je wel. Bijna twintig jaar later, enkele weken voor zen me overviel, dook Aurobindo nog eens in mijn leven op. Toevallig raakte ik bevriend met buurman Wim Vd P, een jonge kunstschilder die zwaar into Aurobindo was. Hij leende me een boek uit van Satprem : “Moeder, De nieuwe soort”. Deze Franse auteur was een volgeling van Aurobindo en van Mira Alfassa alias De Moeder, de spirituele vriendin van Aurobindho. Zij was de weg van Aurobindo’s “Integrale Yoga” tot het uiterste gegaan. In haar gesprekken met Satprem, die de basis vormen van dit boek, beschrijft zij de ervaringen en veranderingen die in haar plaatsvonden toen de cellen van haar lichaam bewust begonnen te worden en zich transformeerden… Ik probeerde het boek te lezen, maar het beroerde geen innerlijke snaar. Dat is opmerkelijk want ik stond toch wel open voor “oosterse spiritualiteit” en zaken die later het predikaat New Age kregen. “De Goden” hadden echter voor mij iets anders in de maak : zen-boeddhisme.
In 1974 kocht ik een boek waarvan de belangrijkheid en de impact zich pas vijftien jaar later zou tonen. Door een vage vriend had ik me een lidmaatschap van ECI-Boekenclub laten aansmeren. Regelmatig moest je dan een boek bestellen, maar zelfs voor de boekenveelvraat die ik ben, was dat toch altijd een opdracht. Niet omdat het aanbod geen kwaliteit bood, maar omdat ik mijn boekenkeuze altijd laat afhangen van wat me op een bepaald moment boeit of wat zich opdringt of spontaan aandient. Noodgedwongen kocht ik dan klassiekers die ik te gelegener tijd zou lezen : Alzo Sprak Zarathustra van Nietzsche, Het Kapitaal van Marx, Goethes Faust. Met die instelling bestelde ik ook het boek van de bekende Britse Boeddholoog Christmas Humphreys: “Concentratie en Meditatie – een handleiding tot bewustzijnsontwikkeling”, ook een klassieker in zijn genre. Humphreys biedt in dit boek vanuit verschillende boeddhistische tradities – en ook wel vanuit de theosofie – materiaal voor innerlijke ontwikkeling aan. Door concentratie en meditatie komt men tot bewustzijnsverruiming die leidt tot herkenning van het Hoger Zelf. De auteur leidt de lezer via eenvoudige adviezen over het hoe en waarom van concentratie naar een reeks praktische oefeningen. Vervolgens wordt aandacht besteed aan eenvoudige meditatie-oefeningen, aan vormen van ‘hogere meditatie’ en ten slotte aan contemplatie. Ik las het boek toen ter tijd niet uit. Niet zozeer vanwege gebrek aan interesse, maar omdat het lastig lezen was. Stroeve zinnen en ouderwets taalgebruik bevorderden niet bepaald een vlotte lectuur. Ik heb toen wel nog gedurende enkele weken halfslachtige concentratie-oefeningen en yoga-asana’s uitgeprobeerd, maar daar is nooit een echte dagelijkse praktijk uit gegroeid. Elders op deze blog vertel ik hoe ik vijftien jaar later dit boek weer te hand nam in een crisissituatie en dat het toen wél raak was (zie : Mens van de Weg, Het pad van meditatie als levensweg)
Toen we als jonggehuwden in ons kelderappartementje in de buurt van de Vrijdagsmarkt woonden – van september 1972 tot november 1978 – bracht echtgenote Gerda op een dag een poes mee naar huis. Een dikke grijze kater die ze van de straat had geplukt. Ik gaf hem de naam Boeddha. De kennismaking met onze zwarte huiskat Loki verliep allesbehalve geweldloos-boeddhistisch. Ze vochten dat het haar stoof, echt om bang van te worden. Op een keer was het zo heftig dat Boeddha letterlijk de muren op rende. In paniek zette ik het raam op de straat open, hij vond de uitweg en we hebben hem nooit meer teruggezien. Het was natuurlijk geen goed idee om twee katers in een piepklein appartementje vreedzaam te laten samenleven, zelf niet als één van de twee Boeddha heet. Waarom ik hem zo noemde? Niet omdat ik toen al met de boeddha-dharma bezig was. Het moest gewoon een speciale of mythologische naam zijn, zoals Loki er een was, de trickster god van de chaos uit de Noordse mythologie. Zo gaf ik later ik onze siamese kater de naam Harpo, een afkorting van Harpocrates, een aliasnaam van de Egyptische god Horus voorgesteld als kind.

In de esoterische literatuur die ik vanaf 1973 tot mij nam, botste ik uiteraard regelmatig op de Boeddha, maar dat triggerde niets, nog niet. Toch kocht ik in 1979 in de Brusselse “Passage 44” waar ik klant aan huis was “Le Bouddisme Zen” van Alan Watts (zie foto). Ik schafte me dat boek niet zozeer aan omwille van de inhoud, maar voor de naam van de auteur die regelmatig in interviews met rockartiesten of artikels over de rockcultuur gedropt werd. Watts was immers één van de grote inspirerende figuren van de hippiecultuur. De man was veel in één persoon : filosoof, schrijver, spreker, anglicaans priester, hoogleraar. Hij verdiepte zich in de zenfilosofie, het boeddhisme en het taoïsme. Zo leverde hij een belangrijke bijdrage bij de introductie en de popularisering van Oosterse religies en Oosterse filosofie in het Westen. Ook onderzoek naar hogere bewustzijnstoestanden kreeg zijn aandacht. Samen met andere pioniers op het gebied van religie en menselijk bewustzijn zoals Aldous Huxley en LSD-profeet Timothy Leary, waarschuwde Watts voor de gevaren van een al te drastische ontheiliging en objectivering van de werkelijkheid, zoals dat in het Westen gebeurde. In dat pocketboekje uit de Payot-reeks raakte ik toen niet verder dan de inleiding… Pas tien jaar later haalde ik Watts weer van de boekenplank en las hem in één gebiologeerde ruk uit.
In 1982 kreeg ik voor mijn verjaardag van mijn gewezen kotmadam een imposant “gouden” boeddhabeeld cadeau (basis : 30 cm; hoogte 40 cm). Het beeld had ze bij wijze van sponsoring gekocht op een missietenstoonstelling in de buurt van Sint-Jacobs, waar ze woonde. Geen idee waarom ze dat deed. Beeldde ze zich in dat ik iets met boeddhisme had? Was er in haar overvol biedermeier interieur geen plekje meer vrij? Of mocht dat niet vanwege het behoudende katholicisme dat ze aanhing? Die Boeddha zit in de klassieke lotushouding, de linkerhand rustend in de schoot met de handpalm naar boven geopend, de vingers van de rechterhand raken de aarde aan: de Bhumisparsha mudra. Toen Gautama onder de Bodhiboom bijna de verlichting bereikt had, deed de duivelse Mara een laatste verleidingspoging om hem te saboteren. Op dat moment raakte Boeddha met zijn rechterhand de aarde aan om deze als getuige te nemen voor de waarheid van zijn woorden. Deze houding verwijst naar het moment dat Gautama ontwaakte en wordt daarom ook wel het gebaar van de Verlichting genoemd. Het prachtige beeld kreeg een ereplaats in onze living op de hoek van het dressoir. Later stond het bovenop de etagère met Gerda’s mineralenverzameling. Vanuit die positie overschouwde hij heel de leefkamer. Vandaag staan in mijn living alleen al acht boeddha’s groot en klein. Zouden dergelijke met betekenis geladen beelden op onmerkbare wijze de ruimte en de mensen die erin leven beïnvloeden? Ik denk dat je niet zonder goed gevolg jarenlang in de aanwezigheid kan vertoeven van afbeeldingen van Jezus, Boeddha of Shiva, ook al hou je er geen specifieke spirituele praktijk op na. Hetzelfde geldt evenzeer in negatieve zin met afbeeldingen van rattenvangers van laag allooi. Je wordt er onbewuste en ongemerkt door beroofd of gezegend.
Zeven jaar later, enkele dagen nadat de zenbliksem had ingeslagen, verhuisde ik het Boeddhabeeld naar mijn werk- en meditatiekamer. Ik installeerde het bovenop mijn bibliotheekkast, daarmee symbolisch alle boekenwijsheid transcenderend. Daar staat hij nu al vierendertig jaar. Pal tegenover hem, aan de overzijde van de kamer, hangt een foto op posterformaat van het levensgrote gezicht van Jezus op de Heilige Wade van Turijn. Mijn jongste zoon en schoondochter kochten dit voor mij in Turijn, wetende dat ik een grote devotie koester voor deze uitzonderlijke relikwie. Die net verrezen Jezus en die verlichte Boeddha hebben allebei de ogen gesloten. Mochten ze die openen, dan zouden mijn twee spirituele leraars elkaar pal in de ogen kijken en een blik van diepe verwantschap en herkenning uitwisselen. Tussen die twee polen speelt mijn spiritueel leven zich af.

Zijn al deze aan voorvalletjes of herinneringen aan passages van de Boeddha in mijn leven dan voortekens? Is dat niet allemaal vergezocht? Laten we niet te snel oordelen en luisteren naar wat de Boeddha daar zelf over te zeggen heeft. Die anekdotes waren misschien wel “handzame middelen” om mij tot de boeddhadharma te brengen. Je hoeft immers geen uitgemergelde naakte woudasceet te zijn of zestien uren per dag te mediteren om de Boeddha te laten infiltreren in je leven of om je boeddhanatuur te ontdekken. Dat kan op tienduizend manieren gebeuren, van de meest doortastende spirituele praktijken tot de meest bescheiden gebaren. In dit verband citeer ik uit de “Drievoudige Lotus Soetra”, een van de belangrijkste basisteksten van het Mahayana Boeddhisme. Eén van de kernideeën ervan is dat alle wezens het potentieel hebben om Boeddha te worden. Hier gaan we.
Tijdens een bijeenkomst op een berg geeft Shakyamoeni Boeddha onderricht aan duizenden volgelingen. Hij zegt dat zijn onderricht moet worden uitgelegd op een manier dat degene voor wie het bedoeld is het kan begrijpen. A la tête du client. Dit is de les van de “zinvolle” of “handzame middelen”. Er is maar één Groot Voertuig (Mahayana), één Dharma, maar er zijn talloze hulpmiddelen om die te ontdekken en te verwezenlijken. De boeddha’s hebben door middel van ontelbare “handzame middelen” de dharma verkondigd die de mensen ertoe aanzetten om het boeddhapad te bewandelen. Ik citeer : “Zelfs kinderen die al spelend zand vergaren voor de stoepa van een boeddha; zelfs jongens die tijdens het spelen met bamboe, hout of een pen of zelfs met een vingernagel afbeeldingen van de boeddha tekenen, verzamelen langzaam verdiensten om het Grote Mededogen in hun hart te laten ontluiken; zelfs zij die met een verstrooide geest, al was het maar met één enkele bloem de beeltenissen eer betonen, zullen geleidelijk ontelbare boeddha’s aanschouwen; zelfs zij die met een vertrooide geest een stoepa of tempel betreden, hebben het boeddha-pad reeds gevonden”. Waarom zouden een novelle, een stripverhaal, tv-beelden, een boek, een boeddhabeeld, dan geen handzame middelen kunnen zijn? Ik zie ze als even zovele stapsteentjes richting de boeddhaharma en het zen-boeddhisme.
Misschien reikt de vooraankondiging van het zen-pad nog veel verder terug dan de novelle die mijn vader een paar jaar voor mijn geboorte schreef. Tijdens één van de eindeloze uren zazen (zitmeditatie) gedurende een zensesshin (retraite) in Drongen in de hete zomer van 1997, zag ik voor mijn geestesoog plotsklaps, als in een heldere flash, wat ik ervoer als een tafereel uit een vorig leven als zenmonnik in het middeleeuwse Japan. Misschien triggerde de Belgische hitte wel die verre herinnering. Het ging zo. “Over het Japanse bergklooster waar ik leef hangt een verschroeiende hitte. Uitgedroogd, oververhit en dorstig na het urenlange zitten in de zendojo stap ik naar buiten. Bij de deuropening, in de schaduw van een afdakje, staat een ton met water. Met de houten lepel neem ik een schep en breng die naar mijn mond. In slow motion zie ik één waterdruppel naar beneden vallen en in één ondeelbaar moment totaal opgeslorpt worden en verdwijnen in de kurkdroge plankenvloer. Dit verwekte toen, in dat leven, mijn Ontwaken. In mijn huidig leven is het mijn betrachting om zoals die waterdruppel volledig opgeslorpt worden, mezelf uit te wissen tot er van mij geen spoor meer achterblijft. Opgegaan in het Geheel. Zoals Paul Snoek schreef in zijn Vierde Gedicht voor Maria Magdalena : “Zoals een weinig wijn verdwijnt in rode zijde”.
Herman Meirhaeghe