PINOKKIO EN DE DRIE TORENS

’t Was maar een droom. Dromen zijn bedrog. Dat zal je wel gedroomd hebben. Je leven verdromen. Iemand uit zijn droom helpen. Zegswijzen die ervan getuigen dat dromen niet zo’n beste reputatie hebben. “Droom” is hier synoniem van inbeelding, fantasie, wensdroom, dagdroom. Niets mis met dagdromen, maar hierna heb ik het over nachtelijke dromen die door Freud de “via regia” of koninklijke weg naar het onbewuste genoemd werden. Dromen zijn het tegendeel van bedrog, ze waarschuwen voor of behoeden je net tegen zelfbedrog. Ze zijn een spiegel, maar ook méér dan dat. Méér dan de lachspiegel waarin je je vervormde smoelwerk ziet. Ze kondigen o.m. ook verrassende ontwikkelingen aan, waar je zelfs in je stoutste dromen niet van gedroomd had. Over dit voorspellend vermogen gaat deze blog-tekst.

Zoals mijn vorige bijdrage over dromen duidelijk maakte, was Jung mijn psychopompos of zielengids op het pad van droomwerk (zie elders op deze blog, o.m.  “Droomvanger” en “Mens van de Weg”). Toen ik in het revolutiejaar 1968 in Gent mijn studies psychologie aanvatte, begon ik sporadisch, maar nog niet systematisch, mijn dromen op te schrijven en verdiepte ik me in de literatuur daarover. Vier jaar en een oliecrisis later, tussen de werklozen die dagelijks hun dopkaart lieten afstempelen, leerde ik M kennen, een gesjeesde student kunstgeschiedenis. Hij was geen radicaal-linkse rooie rakker zoals ik, maar een adept van het esoterische, het occulte, het bovennatuurlijke en alles wat “para” was. Hij leende mij toen o.m. de autobiografie uit van de beroemde Zwitserse psychiater, psycholoog en therapeut Carl Gustav Jung : “Herinneringen, dromen en gedachten”. Dit boek had een geweldige impact op mij.  Ik beschouw het nog altijd als één van de vijf belangrijkste boeken die ik ooit las. Levensbepalend. Sedertdien las ik “alles” wat te vinden was van of over Jung. Tot op vandaag lees en herlees ik hem, altijd weer met nieuwe ogen naar gelang van mijn eigen evolutie en rijpingsproces. Zo werd Jung de eerste echte mentor en meester in mijn leven. Aan de universiteit werd nauwelijks iets wezenlijks gezegd over hem. Gelukkig negeerde ik de uitspraak van onze professor dieptepsychologie die hem smalend een ”mislukte dominee” noemde…  Toen ik in 1980 namen zocht voor mijn pasgeboren zoontje, twijfelde ik voor zijn tweede doopnaam tussen Karl (Marx) en Carl (Jung).  Het werd Carl.

Jung was de belangrijkste leerling en gedoodverfde opvolger van Sigmund Freud, de grondlegger van de psycho-analyse. Hij bracht heel andere gebieden van de ziel in kaart dan Freud, die in hart en nieren nog een 19de– eeuwse wetenschappelijk-positivist en materialist was. Zo voegde Jung aan het “persoonlijk onbewuste” van Freud het transpersoonlijk “collectief onbewuste” toe. Samen met Maslow, Assagioli en Grof, is hij één van de grondleggers van de transpersoonlijke psychologie. In laatste instantie valt Jungs collectief onbewuste samen met het Zelf, met hoofdletter, dat in wezen een spiritueel begrip is. Jung is ook de bedenker van begrippen als complex, archetype, introvert, extravert, synchroniciteit, Schaduw, Zelf, individuatie, woorden die inmiddels gemeengoed zijn geworden. Het zou ons te ver leiden om dieper in te gaan op zijn ongemeen rijk oeuvre. Alleen al de inleidingen die hij schreef voor o.m. het Chinees-taoïstische orakelboek de “I Tjing”, voor het boeddhistisch “Tibetaans Dodenboek”, voor “Inleiding tot het zen-boeddhisme” van D.T. Suzuki, die in de jaren 1930-‘40 het zen-boeddhisme in het westen introduceerde, getuigen van zijn universele geest. Jung riskeerde zijn reputatie door ook controversiële onderwerpen te bestuderen zoals spiritisme, astrologie en alchemie en hij publiceerde zelfs een boek over UFO’s. Daarom wordt hij de “aartsvader van de New Age” genoemd. Niet voor niets plaatsten The Beatles zijn foto in de beroemde collage op de hoes van hun baanbrekend Sgt Pepper-album (1967); ook zij lieten zich door de meester inspireren. Om maar te zeggen dat niet alleen Karl Marx, maar ook Carl Jung een inspirator was voor de tegencultuur van de sixties en seventies. Naar aanleiding van de lectuur van Jung besloot ik om dagelijks mijn dromen op te schrijven. Daar had ik het eerder al over (zie elders op deze blog : Droomvanger).

Elke nacht opent het onbewuste haar verhalenboek van duizend-en-één-droom. Verhalen vol symboliek en verbeeldingskracht. Als we de psyche ernstig nemen en luisteren naar haar expressies, kunnen we grotere helderheid en inzicht verwerven in de krachten die ons beïnvloeden en in ons werkzaam zijn. Dan zijn we niet langer de speelbal van onbewuste impulsen en reactief gedrag. Via mijn dromen krijg ik zicht op én inzicht in mijn innerlijke wereld die niet zelden een afspiegeling is van mijn denken, spreken en handelen in de uiterlijke wereld. Dromen zijn ook een democratische en ongevaarlijke manier om met het transpersoonlijke contact te maken. Iedereen droomt immers elke nacht, je hoeft er alleen maar aandacht aan te besteden. En je hoeft geen paddo’s te verorberen of ayahuasca te drinken om nachtelijke trips te maken. Dromen zijn een onmisbare tool in wat Jung het individuatieproces noemt. Dat is het levenslange proces van groeien naar psycho-spirituele heelheid en eenheid, naar worden wie je in wezen bent. Overdag kan je jezelf van alles wijsmaken, maar dromen liegen nooit. Zij zijn altijd wat ze zijn, eerlijk, puur, ook in hun soms afschuwwekkende aspecten.  In je dromen ben je niet alleen the good, maar soms ook the bad and the ugly.

Dromen schetsen een beeld van de situatie waarin je verkeert én gunnen je een blik op een mogelijke toekomst. Er is Iets in ons dat veel wijzer is dan wat we kunnen bedenken of verzinnen, Iets wat het overzicht bewaart, over verleden en toekomst. Dromen openen poorten naar andere bewustzijnswerelden. Die zijn voor mij net zo reëel als de bekende zintuiglijke wereld. Eigenlijk leef ik sedert jaar ende dag in twee realiteiten : in de alledaagse en de niet-alledaagse werkelijkheid. Ik heb er geen enkel probleem mee om die uit mekaar te houden, als dat moet. Dromen maakt slapen ook interessant; het is geen tijdverlies, zoals sommige hyperactieve ratracers zeggen. De slaap wordt dan veel méér dan een periode van  bewusteloze recuperatie. Dromen geven me het gevoel dat ik mijn tijd niet verslaap, ook niet tijdens de slaap.  De ziel slaapt immers nooit. Ik wil altijd paraat zijn om haar gefluister te beluisteren, haar boodschappen te ontvangen. Voor Freud was dromen niet veel meer dan wensvervulling, compensatie van meestal seksuele frustratie. Jung was het daar niet mee eens.  Hij vond dat Freud – die naar eigen zeggen alleen geïnteresseerd was in “de kelder van de ziel” – slechts het bovenste laagje had weggeschraapt. Voor Jung was een deel van de onbewuste inhoud transpersoonlijk. Wat hij het collectief onbewuste noemt, ligt voorbij het persoonlijke en herbergt archetypische thema’s van alle tijden en van alle culturen.  Vooral “Grote Dromen” – spirituele, archetypische, transpersoonlijke dromen – bevatten immers levensbepalende en zingevende richtingaanwijzers en inspiratie.  Dat zal ik met een paar voorbeelden proberen duidelijk te maken. Transpersoonlijk – de naam zegt het zelf – is dat wat het persoonlijke en de ego-psychologie overstijgt. De transpersoonlijke psychologie is het vakgebied binnen de psychologie dat ook mystieke en spirituele ervaringen onderzoekt, daar waar de humanistische psychologie zich eerder toelegt op de psychische en geestelijke gezondheid en de menselijke mogelijkheden. Transpersoonlijke psychologie focust niet op pathologische processen, maar probeert de transcendente aspecten van het menselijk bestaan ernstig te nemen en die niet sceptisch af te serveren als “ziekelijke afwijkingen”. Transpersoonlijke ervaringen brengen ons in contact met een grotere werkelijkheid. “Transpersoonlijk” is het verschil tussen jezelf zijn en je Zelf  laten zijn.

In de loop der jaren droomde ik vaak – meestal omstreeks de tijd dat nieuwe levensfases zich aandienden – dat ik langs onbestemde wegen onderweg ben naar een bepaalde bestemming die ik, al dan niet, met of zonder hindernissen, bereik. “Onderweg zijn” als metafoor voor de levensreis is een vertrouwd en klassiek droomthema. Niet voor niets wordt de spirituele zoektocht én het einddoel van die queeste “De Weg” genoemd. In een vorige bijdrage – “Mens van de Weg”-  vertelde ik hoe het zen-boeddhisme me op 1 september 1989  – het jaar waarin ik veertig werd en het zonlicht niet meer scheen – totaal overrompelde, mijn leven een heel nieuwe richting gaf en hoe dat voorafgegaan en aangekondigd werd door een visioen en een droom over een reis door een maan- en sterrenloze nacht met hindernissen en obstakels, om in het huis van bestemming liefde te maken met een hermafrodiet, een tweeslachtig wezen dat de dualiteit in zich verenigt. In de weken hiervóór ontving ik nog enkele “levensreisdromen” die eveneens aankondigden dat er grote veranderingen op til waren. Via verschillende beelden en droomscenario’s werd de situatie geschetst waarin ik me bevond én wat er te gebeuren stond. Ik citeer twee dromen: “Pinokkio” en “De Drie Torens”. Deze tonen aan dat dromen veel meer kunnen zijn dan het uitleven van frustraties of nachtelijke oprispingen na een te copieus avondmaal. Dat het onbewuste veel méér is dan een vergaarbak van vergeten of verdrongen ervaringen en neigingen die het daglicht schuwen. Ik hoop dat ze lezers inspireren een luisterend oor te hebben voor de stem van hun nachtelijke fluisteraar.

Pinokkio-droom (lente 1989). “Met mijn zoontje van negen kijk ik op tv naar de Walt Disney tekenfilm “Pinocchio” (letterlijk vertaald : speld-oog). Bij de aankondiging in het tv-blad Humo zie ik drie bijbehorende plaatjes waarop het knaapje afgebeeld staat met zijn typische lange liege-neus, zijn rood bepluimde gele hoedje waar zijn grote ezelsoren onder vandaan komen en met zijn lange ezelstaart. Plots is het alsof ik zelf in de film meespeel. Ik moet een lange tocht maken naar een mij onbekende bestemming.  Ergens onderweg vind ik op straat een vreemd, bolvormig, metalen object. Het wordt een ‘hitlertje’ genoemd. Onderaan de bol  zit een aantal naar elkaar toe gebogen en over elkaar heen schuivende messen. De mesbladen bewegen als je de bol kneedt. Een soort snoeischaar voor in de tuin, denk ik. Dan ben ik terug van de tocht; het ‘hitlertje’ bracht ik mee. Plots verandert het ding in twee dieren! Enerzijds in een lichtblauwe zwaluw met witte vlekken op de vleugels die verfomfaaid zijn van te lang in die krappe bol te zitten. ‘Die kreukels gaan er wel uit eenmaal hij vliegt’, bedenk ik. Anderzijds verandert het ‘hitlertje’ ook in een konijn. Samen met konijn moet ik opnieuw een lange tocht maken. Ik probeer het beestje echter op alle mogelijke manieren te doden. Zo stop ik  het in een plastic zak om het te verstikken of te verzuipen. En zoals men placht te doen vooraleer een konijn te slachten, geef ik het verschillende harde nekslagen achter de oren, tot het bezwijmt. Eindelijk dood ! Oef ! Maar het konijn komt weer tot leven !  Niet dood te krijgen, dat beest, denk ik! Ik word wakker terwijl ik, in realiteit, met mijn rechterhand op mijn linker arm inhak.”

Als droomfiguren (delen van) jezelf voorstellen, dan ben ik zelf in deze droom Pinokkio, de houten pop of marionet die, na een brokkenparcours van stommiteiten op het einde van het verhaal verandert in een mensenkind. De droom zegt me dat ik nog een onvolwassen, onrijpe ezel ben; ik speel immers de hoofdrol in een kinderverhaal en tekenfilm. In de film wordt Pinokkio naar Pleziereiland gelokt, op het eerste gezicht een groot pretpark, waar je echter in een ezel wordt veranderd… Het ventje kan net op tijd ontsnappen voor hij helemààl in een ezel is veranderd!  Duidelijke boodschap, lijkt me. De tocht van Pinokkio bracht hem naar “Pleziereiland”, wat iets zegt over mijn levenshouding van toen : het oppervlakkige levenvan gemakkelijke geneugten. Hij is een marionet die door anderen wordt gemaakt en in beweging wordt gebracht. Om diepgang te vinden en een autonoom mens te worden moet hij / ik – Pin-ik-kio – twee tochten ondernemen. Van die eerste tocht breng ik een voorwerp mee dat me kan helpen bij de tweede tocht: een ‘hitlertje’, dat staat voor repressie, onderdrukking, strakke controle. Het is een schaduwobject of -figuur. Schaduwelementen zijn volgens Jung de deur naar onze individualiteit. Als ons leven in een impasse zit of wanneer we een steriele periode doormaken, moeten we kijken naar onze donkere onaanvaardbare zijde. Er is geen groei mogelijk zonder confrontatie met de Schaduw. Het is een verrassend, maar klassiek fenomeen dat schaduwelementen in dromen ook positieve eigenschappen hebben. Zo ook in mijn droom. Dit op het eerste gezicht hard (metaal), duister (Adolf Hitler) en gevaarlijk (messen) ding heeft immers ook een nuttige functie als snoeischaar, als werktuig om de overbodigheden en illusies uit mijn leven weg te snoeien. Het voorwerp bezit echter meer dan alleen maar die knipfunctie: het kan zich omvormen (shapeshifting) in twee dieren : een zwaluw en een konijn.  Zwaluw is een trekvogel en maakt enorme trektochten om… terug thuis te komen. De lichtblauwe zwaluw met witte vlekken staat voor het element lucht en dus voor de Geest, het spirituele, en schetst daarmee de sfeer en het doel van de tocht. Dat spirituele element zat veel te lang opgesloten in dat hitlertje, waardoor zijn verkreukelde vleugels en vliegcapaciteiten beknot werden. Het wil eruit, de wijde vrije hemel in ! Zwaluw kondigt eveneens de lente aan, een nieuwe start.  Konijn wordt me gegeven als krachtdier om me te helpen op mijn tweede reis naar die nieuwe bestemming. In tegenstelling tot de zwaluw die de hemel bewoont, leeft het aardse konijn op en onder de grond. Blijkbaar is het konijn de gids op mijn tocht, maar ik voel een enorme weerstand. Ik ben me totaal niet bewust van zijn spirituele kracht, want ik probeer het uit alle macht te elimineren. Gelukkig laat het zich niet doden, wat op zijn bovennatuurlijke aard wijst. Het bescheiden konijn is in de dierensymboliek een krachtig archetype. In mythen en sprookjes fungeren konijnen als gidsen tussen hemel, aarde en onderwereld. Zo leidt “White Rabbit” Alice door de konijnenpijp naar Wonderland. Konijnen zijn een symbool van sjamanistische zielenreizen. Ze symboliseren ook die momenten in het leven waarop we in het onbekende moeten springen. Het laat je weten dat persoonlijke transformatie nodig is en op het punt staat te gebeuren. Zijn neefje de paashaas kondigt, net als zwaluw, “een nieuwe lente, een nieuw geluid” aan.

Maar wat betekent dat “hakken met de rechterhand op mijn linkerarm” in deze droom? De linkerzijde van het lichaam is de spirituele, intuïtieve, vrouwelijke kant, waar ik met de rationele rechter hand op inhak. Ook dit wijst op een sterke weerstand om een spiritueel pad te gaan. Maar dan is er ook nog die merkwaardige parallel met een beroemd zen-verhaal over Bodhidharma en Hui-K’o (zie illustratie; zie ook elders op deze blog “De Grote Golf, de Rabbi en de Fuji-Boeddha”). Een verhaal dat ik op dat ogenblik nog niet kende, omdat zen me pas drie maanden later zou overkomen. Het pad van het zen-boeddhisme zou immers het levenspad zijn dat werd aangekondigd en dat ik voortaan zou gaan. Bodhidharma (China, eind 5de – begin 6de eeuw) is de grondlegger en eerste patriarch van het zen-boeddhisme (“ch’an” in ‘t Chinees). Hui-K’o (Eka, in ‘t Japans) wou diens leerling worden, maar Bodhidharma weigerde resoluut. Hui-K’o bleef vastberaden, in weer en wind, voor de grot staan waar Bodhidharma verbleef, tot hij half ondergesneeuwd was !  Nóg weigerde Bodhidharma hem als leerling aan te nemen. Als bewijs dat hij er echt alles voor over had, hakte Hui-K’o vervolgens zijn arm af en offerde die aan de meester, die hem pas dan aanvaardde. Hui-K’o werd naderhand de tweede zen-patriarch.   Het is duidelijk dat “het leven” – dat geen sprookje, pretpark of tekenfilm is – een andere richting uit wou met mij. Ik zal als poppenspeler zelf de touwtjes in handen moeten nemen. Er is ook een link tussen het afhakken van de arm en de Hitler-snoeischaar : er zal een offer moeten gebracht worden dat getuigt van mijn vastbeslotenheid. Ik zal kostbaarheden waaraan ik gehecht was moeten achterlaten, o.m. afscheid nemen van de levensfilosofie van waaruit ik tot dan toe geleefd had. Om de weerstand te overwinnen een andere weg te gaan, hield het droom-ik de ezel Pinikkio die ik was een wortel voor door me in de hierna volgende droom van “De Drie Torens” van een week later, een blik te gunnen op het doel van de tocht.

“Ik zit op café met vrienden uit verschillende fasen van mijn leven : schoolvrienden van weleer, kroeggezellen, kameraden, collega’s. Er wordt een plezierreisje met een bus gepland, naar Amsterdam. Ze gaan ervan uit dat ik meega, maar ik weiger. De bus staat al klaar, maar ik spring meteen op mijn fiets en ga mijn eigen weg, alleen. Ik fiets tot buiten de stad en kom aan de brug over de Schelde in Heusden. De brug, die in opbouw is (zoals in realiteit toen), is veel groter, langer en hoger dan in werkelijkheid en bestaat alleen uit een smal en gevaarlijk  fietspaadje van bruine gladde glibberige tegeltjes. Er is geen autostrook voorzien.  Ik kijk nog even achter me, maar niemand van de vrienden is gevolgd… Eenmaal boven op de brug ontplooit zich voor mijn blik een ‘mystiek landschap’ (zoals ik in mijn droomlogboek schreef), badend in een ongemeen helder, bovennatuurlijk licht ! Plompverloren midden de akkers en de weiden (vandaag de Gentbrugse Meersen) staan drie torens naast elkaar te schitteren in het gouden zonlicht: die van de O.-L.-Vrouwkathedraal van Antwerpen, het belfort van Gent en het belfort van Brugge. In deze droom had ik ook een déjà vu : ik had dit al eerder gezien. Dit bewustzijn binnen de droom betekent dat het ook een zogenaamde  ‘lucide droom’ was”.

Dit keer is er geen weerstand meer, ik ga resoluut op pad, in mijn eentje. Ik laat mijn ‘wereldse’ verleden achter : de vrienden die een plezierreis willen maken. Het element “plezier” zat ook al in het Pinokkio-verhaal: pleziereiland. In de alledaagse realiteit zou ik inderdaad, op een enkeling na, al mijn “vrienden van vroeger” verliezen. Onlangs hoorde ik dat sommigen van hen zich, meer dan dertig jaar later, nog altijd niet kunnen verzoenen met mijn toenmalige keuze voor het zen-boeddhisme en het pad van meditatie.  In de droom willen mijn gezellen naar Amsterdam, the place to be uit mijn adolescentie en twintiger jaren in de ’60 en ‘70 vanwege Provo, psychedelica, seksuele vrijheid, enz. Zij nemen een touringcar en laten zich dus rijden; ik neem mijn Harley Trapson en verplaats me op eigen kracht. Een rivier en/of een brug oversteken is een klassiek symbool van overgang, van het ene leven naar het andere, zoals de veerman  Charon ons na de dood over de mythische rivier de Styx naar de Overkant vaart. De droom kondigt minder drastische, maar toch ingrijpende veranderingen aan. De brug bestaat enkel uit een fietspad; er is geen rijweg voor auto’s voorzien. Geen speed– of highway to heaven naar waar ik naartoe ga. Dat “oord van verlichting” bereik je alleen te voet of hoogstens met de fiets, op eigen kracht de brug beklimmend, over een smal en risicovol fietspaadje. Lange tijd ontsnapte me de betekenis van de drie torens. Ik kwam niet verder dan de “Drie Zustersteden” – Antwerpen, Gent en Brugge – uit het bekende gedicht van Karel Lodewijk Ledeganck. Veel later zag ik pas dat het om drie indrukwekkende fallussymbolen gaat. Die torens staan voor mannelijke kracht, maar binnenin hangen klokken, die vrouwelijke energie voorstellen. Denk aan “de klok van Rome” en de paaseieren die ze zaait. Dat vruchtbaarheidssymbool zat ook al in het konijn of de paashaas die eveneens lente-eieren in de tuin strooit.  De haas was toegewijd aan de liefdesgodinnen Aphrodite en Freya. In die torens zijn het mannelijke en het vrouwelijke verenigd.  Ze zijn eenheidssymbolen. Trouwens, in het woord “bel – fort” zitten die beide elementen ook vervat : bel = (klok met vrouwelijke vorm) en ‘fort’ (mannelijk militair bolwerk en “krachtig” in ’t Frans). In de Pinokkio-droom was het getal “drie” er ook al : de drie plaatjes in Humo. In deze droom is het getal “drie” veel prominenter aanwezig als drie indrukwekkende eeuwenoude torens. “Drie” is niet alleen het getal van de éénheid (Heilige Drievuldigheid), maar ook van het begin, de aanvang: vader 1 + moeder 2 krijgen een kind = 3. Met drie wordt de nieuwe start, een nieuwe levens- of evolutiefase aangekondigd. Hier deed zich eveneens een betekenisvol toeval voor: die nieuwe start – de ontdekking van het pad van meditatie en van het zen-boeddhisme – zou plaatsvinden op 1 september (1989). Samen met 1 januari is 1 september uiteraard één van de twee uitgesproken “start-data”, respectievelijk van het nieuwe kalenderjaar en van het nieuwe schooljaar.

Elders op deze blog vertelde ik dat mijn leven op dat momentop velerlei vlak in een diepe impasse zat. In een gedicht van toen schreef ik : “Dit is het inzicht : zonder uitzicht”. Geen idee welke kant het zou uitgaan. Maar, zoals gezegd, was er Iets in mij dat duidelijk wist wat op til was. Er is blijkbaar in ons een gewaarzijn van wat het doel is en van de weg ernaartoe. Er is dus altijd een instantie die het overzicht bewaart en waarop we kunnen vertrouwen, wat een hoopvol gegeven is. Of we ons daar nu bewust van zijn of niet, we werken naar dat doel toe. Zich bewust worden van wat het doel is, is een kwestie van willen weten. Mijn “desire to learn” is altijd al veel groter geweest dan mijn “desire to earn”. Dat “willen leren” gebeurde hier, zoals wel vaker, door middel van mijn “droom-ik” en de droomtaal waar ik al jaren zo vertrouwd mee was. Maar wie of wat is dat “droom-ik”? Zeker niet mijn “waak-ik” of ego, want het personage dat ik speelde in het theater van het leven vormde net het probleem dat opgelost moest worden! Beide “ikken” zijn slechts twee van de vele facetten van het Zelf – dat “Iets” van daarnet – dat ik me voorstel als een briljant. Het Zelf is geen door middel van psychotherapie of door het beoefenen van deugden en spirituele praktijken veredelde versie van het “ik”. Het is de Godsvonk in mij en God heeft geen therapie nodig. Daarom kan ik niet spreken van “mijn” Zelf, want “ik” heeft geen Zelf; het is eerder omgekeerd : het Zelf omvat “ik-mij-mijn”. Ik zie het Zelf ook als elementair godsdeeltje. In den beginne was er de Big Bang van God, een kosmische Lichtflits. Eén van de myriaden lichtpartikeltjes die in de Grote Leegte werden geslingerd, verlichtte de ziel van deze Pinokkio.Het Licht waarmee het hem voorging en hem richting gaf, was voorwaar geen verdwaallichtje. Het is dus duidelijk dat dromen onzichtbaar kiemen als veelbelovende zaden in de stilte en de duisternis van de nacht. Hoe zongen we dat alweer in het Dies Irae tijdens een rouwdienst? Quidquid latet aparebit. Wat verborgen is zal tevoorschijn komen. Niet op de “Dag des Toorns” wanneer dat wat we krampachtig voor de Rechter verborgen hielden aan het licht zal komen. Eerder op een dag van vreugde waarop nieuwe, in dromen aangekondigde mogelijkheden verschijnen en nieuwe wegen zich openen.

Herman Meirhaeghe

EEN ZACHTE BEELDENSTORM

Begin juni 1968 was ik in Parijs.  Net te laat om nog mijn kasseisteen te kunnen bijdragen aan de revolutie. De laatste resten van het oproer van Mei ‘68 waren zo goed als opgeruimd, maar één van de meest bekende en meest inspirerende slogans stond nog hier en daar op muren en straten gekalkt: “L’imagination au pouvoir”. “De verbeelding aan de macht”. De creatieve verbeelding die nodig is om verandering en transformatie op gang te brengen in een vastgelopen maatschappij of een persoonlijke impasse. Dit is niet het soort verbeelding waarvoor pelgrims op het meditatieve pad gewaarschuwd worden. Zo zegt John Main, grondlegger van de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie, in zijn boek “De Stille Revolutie”: “Ons engagement om dagelijks te mediteren is gewoon de wijze van leven, niet in de verbeelding en niet gebonden door beelden, maar in de werkelijkheid die G*d is. Het middel daartoe is de gedachten en de verbeelding achterlaten en de werkelijkheid van G*d binnengaan. Daarom zeggen we onze mantra: om alle gedachten en beelden te overstijgen en open te staan voor de ultieme werkelijkheid van G*d, die Liefde is, niet in beelden of illusies, hoe heilig of godsdienstig ze ook mogen zijn, maar in de werkelijkheid”. Verbeelding kan immers ook inbeelding worden, oeverloos grenzeloos fantaseren of wensvol denken dat alle grond mist. De denkbeelden en concepten in ons hoofd reiken niet verder dan ons beperkt voorstellingsvermogen. We kunnen ons wel een beeld vormen van iets of iemand, maar dat stemt nooit overeen met de werkelijkheid. Nietzsche zei het zo: “We hebben de beelden geperfectioneerd van hoe de dingen zijn, maar we zijn niet voorbij of achter het beeld geraakt”. Er is overigens niets mis met beeldvorming, zolang we ons bewust zijn van de grenzen van onze, al dan niet bewuste, verbeeldingskracht. 

Tijdens de meditatie, of wanneer we stil en in stilte vallen,  betreden we de lege, open ruimte.  De verleiding is groot om die meteen vol te proppen, op te vullen, dicht te pleisteren met beelden. Inbeeldingen, denkbeelden, droombeelden, waanbeelden. Zelfbeelden vooral ook. Voor ons nimmer slapend beelden producerend brein, dat een zusje dood heeft aan nietsdoen, is de leegte niet interessant. Als er zich geen bijzondere dingen in manifesteren wordt die lege ruimte snel vervelend. Allemaal lijden we aan horror vacui, angst voor de leegte, voor het lege blad, het lege doek, de niet ingevulde tijd. Haast dwangneurotisch proberen we het vacuüm zo snel mogelijk op te vullen met beeldmateriaal van allerlei slag. Zoals sommige beeldende kunstenaars of psychiatrische patiënten die elk leeg plekje, alle beschikbare ruimte van een blad of een doek opvullen met ornamenten en versieringen. (Zie bovenstaande illustratie van Fobiart) Dit horror vacui getuigt van onze onzekerheid, wij die niet kunnen leven met twijfels en met niet beantwoorde, laat staan niet te beantwoorden vragen. Dan nog liever een sussend schijnbeeld of een dienstig drogbeeld. Er wordt gezegd dat we geschapen zijn naar G*ds beeld en gelijkenis. Dat vooronderstelt dat we wéten wie, wat of hoe Hij is. Of is het een Zij of een Hun? Kunnen we dat ooit weten? Bij de start van onze meditatie woedt in ons hoofd vaak een storm aan beelden. Niet zozeer godsbeelden, maar vooral beelden over onszelf, de ander, de maatschappij, de wereldorde.  Een zachte beeldenstorm door middel van volgehouden meditatie brengt niet alleen de beeldzieke geest tot rust, maar toont ons ook dat beelden maar beelden zijn en niet de werkelijkheid zoals ze is. 

Religies zijn op grote schaal scheppers van beelden, en ik heb het dan alleen nog maar over de materiële en niet over de theologische beelden. Denken we maar aan de exotische overvloed aan goden en godinnen in het hindoeïsme. Ook het christendom – en het katholicisme in het bijzonder – bracht een ongemeen grote beeldenrijkdom voort, waarvan de gekruisigde Jezus de meest universele is. Waar het minst beelden van gemaakt zijn is merkwaardig genoeg G*d zelf. G*d als Vader, als de Schepper uit Genesis, als oude man met de lange baard gezeten op zijn hemelse troon, en dan hebben we het zowat gehad. Het lijkt een makkie om afscheid te nemen van dit soort godsbeelden, maar dat is lang niet voor iedereen zo.  Enige tijd geleden hoorde ik Andries Knevel, het gezicht van de Evangelische Omroep, vertellen hoeveel ophef hij in Nederland gemaakt had toen hij zegde dat hij vraagtekens had bij het beeld van de Schepper die de wereld in zes dagen gemaakt had. En dan zijn er de beelden van Jezus: als Kerstekindje, Goede Herder, Lam Gods, Gekruisigde, Christus Koning of Pantocrator. Maar ook van Zijn ouders, zijn apostelen en de ontelbare heiligen die daar tijdens de voorbije tweeduizend jaar op volgden, zijn onnoemelijk veel beelden gemaakt. Een kleine vijfhonderd jaar geleden maakte de Lutherse Beeldenstorm daar één grote puinhoop van. Hebben wij, mediteerders, niet ook een calvinistisch trekje? Want zijn niet àlle religieuze beelden in het licht van onze beeldloze meditatie afgodsbeelden, en niet alleen die welke tot een andere “kerk” of een ander “geloof” behoren?

Van iconoclasme gesproken. In de zen-boeddhistische traditie zit men nooit verlegen om schokkende uitspraken en anekdotes. Die moeten de leerling niet alleen wakker schudden uit het lethargisch kloosterleven met zijn eindeloze dagen stille meditatie, maar ook uit de illusie dat beelden werkelijkheid zijn. “Als je de Boeddha onderweg tegenkomt, dood hem dan !”, zei de beroemde Chinese zenmeester Linji of Rinzaï (9de eeuw). Daarmee wordt de boeddha bedoeld die je in je verbeelding ziet, die je naar eigen godsvrucht en (on)vermogen geboetseerd hebt. Je idee of denkbeeld van de boeddha, kan immers nooit de Boeddha zijn. Of wat dacht je van dit verhaal? Het is putje winter en het vriest nu al weken stenen uit de barre kloostergrond. De zen-monniken, die de helft van de dag roerloos stilzitten in zazen (zitmeditatie), vriezen haast aan hun zitkussen vast en ijspegels groeien aan hun druipneus.Ze lijken  bevroren ijssculpturen, als ze het inmiddels al niet geworden zijn.  De tempel kan niet meer opgewarmd worden, want het laatste houtblok van de stapel vloog drie dagen geleden door de schoorsteen. Maar dan heeft de abt een oplossing. Tot hun groot afgrijzen zien de monniken hoe hun meester het eeuwenoude en zeer kostbare houten beeld van de Boeddha, dat centraal in de zendojo op het altaar staat, in stukken hakt en het in de fik steekt, opdat zijn leerlingen zich even zouden kunnen opwarmen. Neen, in dit verhaal gaat het niet in de eerste plaats om het mededogen van de zenmeester voor zijn verkleumde onderkoelde leerlingen, maar om onthechting van beelden, hoe kostbaar die ook zijn, ook de meest heilige. (Kunnen we ons een christelijk abt of priester inbeelden die een groot kruis of enkele heiligenbeelden in de kachel stopt om zijn klooster of kerk warm te houden?)  Van heel andere orde was de vernietiging door de fundamentalistische Taliban in maart 2001 van de twee 1500 jaar oude, monumentale, in de rotswand uitgehouwen boeddhabeelden in Bamyan, Afghanistan. Werelderfgoed. Die volgens hen heidense afgodsbeelden hadden geen plaats in hun religieus wereldbeeld. In dit geval werden de beelden niet “gestormd” met het oog op een vrijer, ruimer bewustzijn zoals bij de zenmeester, maar integendeel om een beperkte en beperkende interpretatie van de islam te bevestigen. Hetzelfde geldt voor de 16de– eeuwse calvinistische Beeldenstorm in onze contreien.

Beelden – concepten, ideeën, meningen – van of over G*d loslaten, dat lukt mij wel, en hoewel ik sedert meer dan drie decennia zen-meditatie beoefen en tot zen-monnik werd gewijd, zou ik ook de boeddha in mijn brein kunnen doden en misschien zelfs zijn beeltenis opstoken, zij het niet van harte. Maar wat met mijn geliefde Jezus? Ik zie mezelf niet meteen een van mijn Jezusbeelden in het open haardvuur gooien of er de bijl inzetten. Hoewel ik het vernietigen ervan rationeel en zelfs spiritueel zou kunnen verantwoorden en niet meteen als heiligschennis zou ervaren, zou ik het daar emotioneel moeilijk mee hebben.  Of moet ook die emotionaliteit losgelaten worden? Moet het dan werkelijk allemaal nada nada nada zijn zoals mysticus Jan van het Kruis het zegt?   In mijn persoonlijk universumpje koester ik enkele beelden van Jezus, zowel in de geest als in de stof : het Heilig Hart van Jezus, Jezus als Goede Herder en als Lam Gods en vooral de Jezus van de Heilige Wade van Turijn. Deze beelden, waar ik verknocht aan ben, zijn veelvoudig aanwezig in mijn huis. Ik aarzel niet om voor mijn omgaan met die beelden het ouderwetse woord devotie te gebruiken. Met een exotischer naam zou je dit een vorm van bhakti-yoga kunnen noemen, het pad van liefdevolle toewijding en overgave aan de Allerhoogste of aan een incarnatie van G*d, aan Jezus in dit geval. De beoefenaar kiest een persoonlijk godsbeeld waarop hij zijn devotie kan concentreren en waarmee hij een spirituele relatie aangaat. Aan het gekozen godsbeeld wordt gestalte gegeven door een beeltenis of een symbool en vormt de focus voor het innerlijke en uiterlijke leven van de beoefenaar. Indiase Wijzen zeggen dat het pad van toewijding en devotie de énige weg is wil je Verlichting of eenwording met G*d realiseren. Of dat zo is weet ik niet, maar ook Jezus zei iets gelijkaardigs toen Thomas Hem vroeg : “Hoe moeten wij dan de weg kennen?” Jezus antwoordde: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij. Als gij Mij zoudt kennen, zoudt gij ook mijn Vader kennen.”

Vijf jaar geleden gaf ik in de Abdij van Westmalle en Waasmunster voor de Vlaamse afdeling van de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie een lezing over de non-dualistische aard van hun (en mijn) beoefening. Ik omschreef deze meditatievorm als “Christelijke Advaita Meditatie”. Ook in de Christelijke Meditatie zijn de devotionele aspecten immers tot een strikt minimum beperkt. In het beste geval staat er in de meditatieruimte een Jezus-ikoon, een kaars, een enkele bloem. Geen gebeden, geen gezangen, geen rituelen, geen offerandes van bloemen. Hierin lijkt Christelijke Meditatie, wat beeldloosheid betreft, nog strenger dan de zentraditie waar sommige van deze elementen wél aanwezig zijn. Sommigen merkten op dat non-dualiteit toch wel redelijk droog, gevoelloos of bloedloos lijkt. Dat er ook nog zoiets bestaat als de devotionele kant van het spiritueel leven. Dat een devotioneel pad ook een pad op zich kan zijn. En wat met de toewijding aan Jezus? Terechte bedenkingen. In mijn lezing kwam dit inderdaad niet aan bod. Dat kon de indruk wekken dat “het devotionele” helemaal afwezig was in mijn persoonlijke praktijk, maar niets is minder waar. Het was duidelijk dat sommige beoefenaars van Christelijke Meditatie nood hadden aan een of andere vorm van “Jezus-bhakti”. Ik ben er één van

Zoals de Franse wis- en natuurkundige, maar ook filosoof, theoloog en mysticus  Blaise Pascal (1623-1662) zei : “Le coeur a ses raisons que la raison ignore”. (Vind je het ook eigenaardig dat “coeur/hart” in ’t Frans mannelijk is en “raison/rede” vrouwelijk?) Zoals we allemaal uit ervaring weten moet de rede het vaak afleggen tegenover het hart. Gelukkig maar. Om mijn toewijding aan Jezus een vorm te geven die me persoonlijk het best lag, ontwikkelde ik enkele jaren geleden een oefening waarin “bhakti” gecombineerd wordt met het pad van meditatie. Dat werd “Rabbi Jezus Yoga”, waarover je veel meer vindt op deze blog. Hoe kwam ik ertoe om deze specifieke vorm van meditatie – Rabbi Jezus Yoga – te ontwikkelen? Sedert 1989 ga ik immers het zen-boeddhistisch pad; mijn wijding tot zenmonnik in 1994 is daarvan een uitdrukking.  En sedert 2010, nadat Rabbi Jezus in 2005 na een afwezigheid van veertig jaar een even plotse als forse comeback maakte in mijn leven, beoefen ik ook “Christelijke Meditatie” in de traditie van de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie en de stijl van Fr John Main osb en Fr Laurence Freeman osb. Ik begeleid ook sedert 10 jaar een meditatiegroep van die strekking.  Die twee paden ga ik nog altijd. Was ik dan ontevreden over mijn twee meditatie-praktijken?  Helemaal niet. Alleen, na al die jaren oefenen in de non-dualistische spirit van zen en christelijke meditatie, groeide in mij een diepe behoefte om een persoonlijke band met Jezus uit te bouwen en die concreet in mijn meditatiepraktijk tot uitdrukking brengen. De ene oefening staat de andere niet in de weg. Ik ervaar het alleszins niet als problematisch om die naast elkaar te beoefenen.

Het lijkt erop dat ook de ziel, net als ons organisch-fysiologisch systeem dat chemische en fysische processen in balans houdt, automatisch een evenwicht nastreeft. Een soort ingebouwde zelfregulering, “homeostasis” heet dat. Ik zag dit bij mezelf ook op spiritueel vlak gebeuren. C. G. Jung spreekt in dit verband over “enantiodromie”, een duur woord voor het verschijnsel waarbij de overvloed van de ene werkzame kracht onvermijdelijk haar tegendeel oproept en voortbrengt, om zo tot een dynamisch evenwicht te komen. In mensentaal : je valt van ’t een uiterste in ’t andere en in ’t beste geval vind je het dragende midden. Het klassieke yin-yang-symbool is daar een voorbeeld van. Bij mij manifesteerde dit zich door de onverwachte terugkeer van Jezus na een overdosis non-dualiteit. Hij riep me en mijn zenpraktijk had me geleerd om zonder aarzelen en onvoorwaardelijk “ja” en “hier ben ik” te zeggen. Meteen voelde ik de behoefte om een vorm van bhakti of liefdevolle toewijding te ontwikkelen rond de figuur van Rabbi Jezus. Ik  slaagde er nooit in met Shakyamoeni Boeddha een persoonlijke relatie aan te gaan en een intieme band met hem te smeden In het zen-boeddhisme is dat ook niet de bedoeling.   Daar ligt de nadruk niet op een persoonlijke band met de Boeddha en laat een persoonlijke relatie met een goeroe of godheid nu net de basis van het bhakti-pad zijn. Uiteraard voel ik diep respect voor de Boeddha en offer ik wierook en brand ik kaarsjes voor de Ontwaakte, maar close met hem werd ik nooit. Om de een of andere reden lukte dat niet. Met Jezus dus wel. In een mum van tijd, eigenlijk van bij de start, voelde ik een intense en wederzijdse gevoelsband met de Nazoreeër. Die liefdevolle toewijding bestaat niet alleen uit het offeren van wierook, kaarsen, bloemen, voedsel, enz. Het is ook wars van sentimentaliteit. Het gaat om “imitatio” of navolging. Je met de meester vereenzelvigen door zijn denken, spreken en handelen na te bootsen.

Elders op deze blog had ik het al vaker over het pad van dromen dat ik ga en het bijbehorende droomwerk. De beeldenweelde in dromen staat in scherp contrast met de beeldarme tot beeldloze armoede van geest tijdens de meditatie. Ik weet dat je kan verloren lopen in de innerlijke wereld van je persoonlijke psychologie. Mijn zenleraars raadden me dan ook meer dan eens aan om met mijn droomwerk te stoppen en me volledig te focussen op het pad van meditatie.  Ze hadden gelijk, maar toch heb ik hun raad nooit opgevolgd.  Dromen en meditatie waren en blijven de twee pijlers van mijn innerlijk leven en die lopen mekaar niet voor de voeten. De beeldenrijkdom en de beeldarmoede mogen naast elkaar bestaan, zoals een Romaans kerkje naast een gotische kathedraal. Ik reserveer mijn meditatietijd voor beeldloos vertoeven in zijn maar laat de devotionele aandrang – en het droomwerk – kruipen waar het niet gaan kan. Zou G*d erom treuren? Dieu a ses raisons que le phénomène humain ignore.

Herman Meirhaeghe

WEGWIJSVINGERS NAAR HET LAND VAN DE RIJZENDE ZEN

Als iets onverwachts je overkomt, iets wat je leven ingrijpend verandert, heb je de neiging – of zoek je zelfs bewust – naar voortekens die erop wijzen dat het onvoorspelbare werd aangekondigd. Dat het in de lucht hing. Dat het in de sterren geschreven stond. Dat de goden het zo voor jou voorbestemd en geregeld hebben. Dit verheft de gebeurtenis naar een hoger, mythisch, spiritueel niveau. Niet dat ik mijn leven wil mythologiseren, maar ik had toch altijd al het gevoel dat de dingen des levens zich niet toevallig voordoen. Ik geloof niet in zinloos, wél in betekenisvol toeval. Zin ervaren is een samenhang tussen de dingen opmerken. Maar wat dan met de vrije keuze? Bestemming heb ik nooit aangevoeld als een noodlot dat me dwingend in een bepaalde richting naar een bepaald doel dirigeert. Misschien omdat ik, soms bewust, meestal intuïtief, luister naar het gefluister van mijn Bestemmer. Een innerlijke, niet door mij bestuurde stem die niet beveelt, maar uitnodigt om op bepaalde momenten – resoluut en zelden zonder pijn – uit de geborgenheid te breken van groepen met doelstellingen, engagementen en overtuigingen waaraan ik voorbij was gegroeid. Om vervolgens een platgetreden pad te verlaten en me een andere weg te banen. Om vrienden te verliezen die bij voorbije levensfases hoorden. Zwelgen of schuilen in nostalgie is niet mijn ding. Regressie is krimpen, verschrompelen, vegeteren in uitgeleefde patronen. Bestemming mag dan al een irrationele factor lijken, zij roept altijd op tot groei, emancipatie, transformatie.

In het woord bestemming woont “stem”. Wie stem zegt, zegt roeping. Het instemmen met en het zich afstemmen op die roepende stem gebeurt bij mij meestal plots, soms stapsgewijs of procesmatig. Zoals het onbewuste, zoekt bestemming altijd een manier om zich te uiten, zichzelf vorm te geven. Ben je goed afgestemd, dan verloopt alles redelijk harmonisch. Wordt er niet geluisterd, dan dreigt minstens de neurose. Een innerlijke toestand die niet bewust wordt gemaakt, manifesteert zich als noodlot in pijnlijke, niet zelden rampzalige uitwendige gebeurtenissen. Van wie is die stem die ons onze bestemming influistert? Bij Jezus was het die van de Vader, bij Socrates die van zijn daimon. Aan wie schrijf ik dan ‘mijn’ stem toe? Om er mij tegenover sceptici vanaf te maken schrijf ik ze toe aan “de goden”.  Met zo’n algemene uitspraak hoef ik dan geen verdere uitleg te geven, niet in detail te treden. Zelfs een atheïst zal niet  struikelen over dit soort “goden”. Maar eigenlijk zie ik die stem als de vertolking, de spreekbuis van de goddelijke vonk in mij, van het Zelf. Ze is de stem van wat ik mijn Bestemmer noem, de “Geheimnisvolle Mentor” of “Richter”. Elke ochtend richt ik tot mijn Richter een “bestemmingsgebed” waarin ik mijn overgave aan en vertrouwen in mijn bestemming uitdruk. Mijn geloof in de maakbaarheid van de dingen vanuit het ego – een idee dat vandaag de dag sterk gepromoot wordt – is immers zeer beperkt.  Vandaag is het de mens die beschikt en God die wikt. Mijn gebed is geïnspireerd op een tekst van Fénelon, de Franse aartsbisschop, schrijver, mysticus en aanhanger van het quiëtisme die een tijdlang de leraar en mentor was van de kleinzoon van Louis Quatorze. Het gaat zo : “Geheimnisvolle mentor en goddelijke richter van mijn ziel, ik ruim plaats voor u; doe in mij uw werk want gij weet wat ik nodig heb; gij hebt mij meer lief dan ik mezelf zou weten lief te hebben; Meester, geef me dat waarvan het niet weet hoe ik het moet vragen; tref me met ziekte of genees mij; druk mij terneer of verhef mij; ik aanvaard al Uw bedoelingen zonder ze te kennen; ik zwijg, ik geef me aan u over; ik wil niets anders dan uw wil te vervullen, en één te zijn met de Ene; Meester leer mij te leven, leef uzelf in mij”.  

Was de katholiek opgevoede en later agnostische, marxistische jongeman bestemd om ooit een zen-boeddhistisch monnik te worden? Het ziet er naar uit van wel. Toen zen-boeddhisme, en bij uitbreiding de Boeddha, me overvielen, vroeg ik me af of er voortekens waren in die richting, aanwijzingen, synchroniciteiten? Die waren er. Zen overdonderde mij immers tijdens het Europalia 1989.  Dit  grote kunst- en cultuurfestival was dat jaar aan Japan gewijd, het Land van de Rijzende Zon, waar zen vandaan kwam. In datzelfde jaar ontving de Dalai Lama, de meest bekende boeddhist ter wereld, de nobelprijs voor de vrede. Had de Boeddha zich al eerder in mijn leven aangediend? Tot mijn verbazing vond ik bij toeval een merkwaardig omen in een literair werk van mijn vader dat hij een paar jaar vóór[H1]  mijn conceptie schreef. Vanaf zijn adolescentie schreef hij poëzie.  Ik bewaar een tiental dikke cahiers waarin hij tijdens zijn collegejaren elke dag een gedicht van vele verzen en strofen schreef. Poëtische dagboeken met klassieke berijmde gedichten. In zijn twintiger jaren publiceerde hij in literaire en andere tijdschriften en werd zelfs “een veelbelovend jonge dichter” genoemd.  Hij waagde zich ook aan proza, wat hem minder goed afging. Hij mocht dan al een bewonderaar zijn van Gerard Walschap, hij kwam niet in de buurt van diens directe stijl en prangende boodschap.  

Vader liet, naast veel poëzie, ook een onvoltooide roman en een novelle na. In die novelle botste ik op een verrassend element. Hij schreef dit verhaal, dat dertig handgeschreven bladzijden telt, in de jaren 1940, een paar jaar vóór mijn geboorte. Titel : “Het kindje in het blauw”. Het is het verhaal van een pas gehuwd paar, Paul en Jeanne Creytens. Paul en Jeanne leren elkaar bij toeval kennen tijdens een concert in Brugge waar Van Beethovens Egmont Ouverture wordt uitgevoerd. Het jonge koppeltje beleeft idyllische wittebroodsmaanden in een bescheiden appartementje aan de Spiegelrei. Dan erven ze – totale verrassing – van een rijke oom een riant landhuis in de bossen van Sint-Andries. Een vergiftigd geschenk dat een bedreiging wordt voor hun pril geluk. Alles aan en in het villaatje heeft de kleur groen :  muren, ramen en luiken, plafonds, tapijten, gordijnen… Over het interieur en de kunstvoorwerpen, schrijft vader :  “Een zeer te bevitten smaak had de overige versiering aangebracht – een Boedhabeeldje, nadenkend in Oosterse geheimzinnigheid, een dodenmasker van Napoleon, oude verroeste wapens en enkele schilderijen met groenige zeegezichten”. Neen, dit is niet het groen van “vert,  j’espère”, zoals Jeanne zichzelf aanvankelijk wijsmaakt, maar eerder gifgroen, heksenketelgroen, duivelsgroen, galgroen dat Paul neerslachtig maakt. “Een terneerdrukkende last scheen over het sombere huis te hangen. Onverklaarbaar hing die atmosfeer in elke kamer – over elk ogenblik.  Dit sombere huis, nauwelijks tien jaar gebouwd, schijnt doorzinderd van de geheimzinnigheid en de stomme stilte van eeuwen”.

Dan wordt hun zoontje, dat de vrucht is van “twee mensen die de liefde rustig en passieloos beleven”, clichématig in de meimaand geboren. Mijn vader Jan gaf het kindje zijn eigen voornaam. “Janneke moet in het blauw gekleed worden, zei het jonge moedertje, in ’t hemelsblauw als de wolken van deze meimaand; al dat vreugdeloze duivelse groen zal niets tegen hem vermogen”. En dan de slotscene : “Wijl ze het kindje ontkleedde kreeg het opeens een plotse rilling. Schreiend reikte het met zijn kleine handjes naar een voorwerp op de schouw – de Boeddha in groene jade die geheimzinnig glimlachte.  Het kindje begon onbedaarlijk te huilen.  Rood en blauw werd het gelaat. De handjes wrongen  koortsig. Paul gaf het beeldje. ‘Het is niets, Janneke, kijk hier hebt ge het speeldingetje’”.


In vaders novelle is de Boeddha geen geluksbrenger. Zijn aanwezigheid getuigt van de “zeer te bevitten smaak” van Pauls oom en bovendien is hij gemaakt van onheilspellend groene jade. Een speeltje ook voor zijn zoontje. In dit verhaal zit een aantal autobiografische elementen – Jeanne: naam van zijn toenmalig lief; Paul: naam van zijn overleden broertje en Jan: zijn eigen doopnaam. In het kind herken ik uiteraard mezelf, de zoon die enkele jaren later zou geboren worden om te zijner tijd naar de Boeddha te reiken, niet als naar een paaiend speeldingetje, maar als bron van levensvervulling en zingeving. Ook toen vond vader dit een erg “bevittelijke” keuze van zijn enige zoon, die hij niet kon accepteren. Het vergalde onze relatie een tijdlang en het leverde een van de meest pijnlijke confrontaties van mijn leven op.  Elders op deze blog schreef ik hierover.  Maar waar haalde vader dat boeddhabeeldje vandaan? De Boeddha maakte totaal geen deel uit van zijn denkwereld, laat staan zijn spiritueel leven, toen niet en later niet.  Ik vroeg hem waarom hij tot tweemaal toe dat boeddhabeeldje opvoerde, maar daar had hij geen antwoord op. Zomaar, toeval, zei hij. Blijkbaar geloofde hij niet in een van de bekendste schrijfdogma’s, geformuleerd door W. F. Hermans in het “Sadistisch Universum”, dat er in een roman “bij wijze van spreken geen mus van het dak valt zonder dat het een gevolg heeft”. Dat niets aan het toeval wordt overgelaten. Maar zelfs al nam vader die schrijfregel onbewust niet in acht, dan nog is er altijd een reden waarom de schrijver iets opvoert, ook al heeft hij daar zelf niet meteen zicht op. Hoe dan ook, als lezer en als zoon kan ik daar achteraf zelf nog altijd een betekenis aan geven.  Zoals Jaap Kruithof, mijn prof van weleer zei: “De mens is een zingever”. Ik zie in deze novelle dan ook een eerste vingerwijzing naar mijn lotsbestemming : dat ik ooit het pad van de Boeddha zou gaan.

In het Vlaanderen van mijn kindertijd in de jaren ’50 behoorde de Boeddha nog niet tot de vaste decorstukken. Hij was, los van zijn spirituele betekenis, nog geen designobject dat leefruimtes “zen” moest maken. Het zou minstens nog tot eind zestiger jaren duren vooraleer Gautama Siddhartha alias Sjakyamoeni Boeddha, via de jeugd- en tegencultuur die de Oosterse toer opging, iets bekender raakte. Onlangs vond ik op een vroege zaterdagochtend op een stoep hier in de buurt zelfs een fors boeddhabeeld – “gratis mee te nemen”; ik ben met mijn armen vol Boeddha naar huis gestapt. Verleden week ontdekte ik dat iemand in het kleine perkje vlakbij mijn huis, dat meer een vergaarplek is van zwerfvuil dan een groen vlekje in onze leefstraat, een boeddhabeeldje aan de voet van het jonge boompje had geplaatst. Een bodhiboom in mijn straat ! De tijden zijn veranderd. Geen boeddhabeeldjes in de Vlaamse huiskamers in de vijftiger jaren, toen alles nog ademde naar het “Rijke Roomse Leven”.  Toen stond alles in het teken van het kruis, dat zelfs in stallen, hokjes en koterijen werd opgehangen.  Om nog maar te zwijgen over de devote beelden van het Heilig Hart van Jezus, van Moeder Maria, Sint-Jozef, Sint-Antonius, de Heilige Rita en van God-ziet-mij-hier-vloekt-men-niet-prenten. Vandaag de dag staat de boeddha in talloze tuinen, toen vond je daar aandoenlijke zelfgemetselde witgekalkte Lourdesgrotten zoals mijn grootvader er een maakte.  En toch hadden wij in die tijd een boeddhabeeldje in huis.  Het stond achter de glazen schuifdeurtjes van de kast waar moeder haar meest kostbare “postuurkes” etaleerde. Een Japanse boeddha in wit porselein, met zwarte, oranjerode en goudgekleurde gewaden. Hij zat in de klassieke meditatiehouding (zie illustratie).  Geen idee waar of waarom moeder dit gekocht had.  In elk geval niet omwille van de spirituele betekenis.  Ze moet het gewoon een mooi exotisch beeldje gevonden hebben. Als kind wist ik dat die corpulente man in kleermakerszit  “Boeddha” genoemd werd. Moeder had me dat gezegd. Meer wist ze niet over hem te vertellen en vader al evenmin, tenzij dat die man uit India kwam.

In het Expo ’58-jaar kocht vader ons eerste televisietoestel. Hij was er altijd snel bij wanneer er nieuwe elektronische gadgets op de markt verschenen.  Op ons gehucht waren er maar een vijftal gezinnen die een tv hadden. Moeder wou niet dat de antenne bovenop het dak werd geplaatst; die werd op zolder geïnstalleerd. Want wat zouden de mensen wel denken? Dat we verkwisters waren, boven onze stand leefden, ons rijker voordeden dan we waren of het hoog ‘in ons sterre’ hadden.  Ik behoor dus tot de eerste generatie die met tv opgroeide, toch zeker vanaf mijn 9de levensjaar.  Een “beeldbuiskind”, zoals Mijnheer De Uil van de Fabeltjeskrant ons aansprak. Elke avond mocht ik meekijken naar Het Nieuws. Van de miljoenen beelden die de voorbije zestig jaar mijn beide ‘beste kijkers’ passeerden, zijn er slechts enkele tientallen die echt op het netvlies gebrand staan. Voor de vuist weg die uit mijn jeugd : de moord op JFK, M.L. King en Robert Kennedy, The Beatles die uit vliegtuigen stappen en aan het kolkend oestrogeen proberen te ontkomen, Cassius Clay die het uitroept dat hij “the greatest” is, Roger Moens die op de Olympische Spelen in Rome in 1960 onzeker achterom kijkt naar Peter Snell die hem in de finale van de 800 meter voorbijsnelt, de spurt op het WK wielrennen te Ronse 1963 waar mijn idool Rik Van Looy geklopt werd door ‘verrader’ Benoni Beheyt, het napalmmeisje Kim Phuc uit de Vietnamoorlog, de maanlanding van Apollo 11… Allemaal spectaculaire gebeurtenissen. Hoewel helemaal niet zo ophefmakend zoals de vorige, behoren tot mijn meest beklijvende herinneringen ook korrelige zwart-witbeelden van een jongeman in monnikspij met een ziekenfondsbril zoals koning Boudewijn er een droeg op de foto boven het klasbord.  Die jongeman was de toen 23-jarige Dalai Lama bij zijn aankomst in India op 17 maart 1959, na zijn vlucht uit Tibet, waar in de hoofdstad Lhasa een week eerder een opstand was uitgebroken tegen de Chinese bezetting. Waarom blijft zo’n beeld hangen? Een jaar later verscheen “Kuifje in Tibet” waarin ik iets meer vernam over datzelfde raadselachtige land, waar de Verschrikkelijke Yeti reuzevoetstappen in de sneeuw achterliet en waar de helderziende, leviterende, boeddhistische monnik Gezegende Bliksem in een visioen Bobbie herkent. Maar Tibet is nog niet het land van de Rijzende Zen.

Mijn weinige kennis over de Boeddha of het boeddhisme ontleende ik aan  stripverhalen, vooral die van Suske en Wiske. In de  De Witte Uil (1948), dat zich grotendeels afspeelt in China, komt Lambik in een tempeltje waar een magisch boeddhabeeldje hem zegt dat zijn door Sjam Foe-sjek gevangen genomen, vliegende tjip-tjip broer Arthur die nacht zal gedood worden wanneer de maan boven de Gouden Pagode staat. ‘Sjam Foe-sjek’ is zo’n typische Willy Vandersteen-naam, een verbastering van ‘sjamfoeter’, wat in de gewesttaal ‘schelm of bedrieger’ betekent, en van ‘Tsjang Kai Sjek’, nationalistisch politicus, voorzitter van de Kwomintang en president die in 1948 vluchtte naar Taiwan, waarna de communisten de macht grepen en Mao Tse Tung voor vele jaren de sterke man werd. De strijd tussen de kortstaarten en de langstaarten – nationalisten en communisten ? – wordt beëindigd wanneer een atoombom, die aan een touwtje rond de nek van de vredesduif hangt, ontploft en openbarst in een fall-out van gouden hartjes. En met de A-bom zitten we in het Japan van Hiroshima en Nagasaki.  De Stemmenrover (1957) speelt zich af in het middeleeuwse Japan van shoguns en samoerais. Lambikoe, Wisoeko en Soesoeko schieten prinses Sholo-Fly te hulp die na de dood van haar ouders een land in chaos moet besturen. Zij wordt geadviseerd door een malafide sterrenwichelaar Komikio (heb je ‘m?), die de stemmenrover blijkt te zijn. Volgens zijn wichelarij mag ze pas de troon bestijgen wanneer het beeld van Butagasaki gesproken heeft. Ik vond het geweldige verhalen, vooral vanwege de oosterse geheimzinnigheid die eigen is aan China en Japan, twee landen waar zen zijn oorsprong vond. 

Toen ik twaalf was vergezelde ik vader naar dorpsfeestzaal Concordia, waar een collegeklasvriend van hem, een jezuïet die missionaris was in Japan, een missietentoonstelling gaf. Ik kreeg een devoot prentje van de pater waarop hij mijn naam schreef, in Japanse karakters ! Daar kon ik uiteraard niks van maken, maar vond het wel heel speciaal en bewaarde het in mijn missaal. Het leek wel de voorafspiegeling van wat dertig jaar later gebeurde, toen mijn zenleraar – ook een soort “Japanse pater” – bij mijn wijding tot zenmonnik mijn boeddhistische dharmanaam – Do Nin – in Japanse karakters op mijn rakusu kalligrafieerde, waardoor ik zelf een “Japanse monnik” werd. In de humaniora kwam de Boeddha wel eens ter sprake in de lessen godsdienst, maar verder dan de gebruikelijke clichés over die “nihilistische religie zonder god” kwam het niet.  Op de iconische hoes van Sgt Pepper’s van The Beatles staat links vooraan, tussen de bloemen, een boeddhabeeldje, dat leek op dat uit moeders kast.  Vader schafte zich de in 1956 door Uitgeverij Heideland opgestarte “Pantheonreeks der Nobelprijswinnaars” aan. We bezaten alle laureaten vanaf de start in 1901 tot 1955 : vijftig dikke volumes met veelkleurige ruggen in namaakleder. Ze stonden te slapen achter de gesloten deuren in een kast op de slaapkamer van mijn ouders.  Toen ik omstreeks mijn Plechtige Communie een eigen kamer kreeg, verhuisden de boeken naar mijn bibliotheekkastje. Ik nam me voor ze allemaal te lezen, maar zover is het nooit gekomen. Als tiener las ik wel fragmenten van auteurs van wie ik de naam wel eens hoorde vallen : Hemingway, Pirandello, Thomas Mann, Momssen, Maeterlinck, Kipling, T.S. Elliot, Faulkner, Yeats, maar ervoer dat dit mijn begripsvermogen vooralsnog te boven ging. Te moeilijk, behalve twee auteurs die me bijzonder aanspraken : Hesse en Tagore.  Rabindranath Tagore was een Bengaals auteur, dichter en wijsgeer. Als mysticus predikte hij, los van spirituele praktijken zoals yoga of meditatie, een vreugdevol opgaan in God in het dagelijks leven. Ik was toen vooral geïnteresseerd in zijn poëzie, die ik verwerkte in mijn liefdesbrieven en -gedichten aan mijn geliefde, Gerda. Hermann Hesse, nobelprijswinnaar in 1946, werd door de hippies herontdekt; toen ik ‘m las voelde ik meteen verwantschap.  In het Pantheonboek was “De Steppewolf” opgenomen. Dat verhaal sprak me sterk aan vanwege de bevreemdende, Jungiaanse, psychedelische elementen. Ik wist toen nog niet dat Hesse bevriend was met C.G. Jung en zelfs bij hem in therapie ging. De Amerkaanse rockgroep “Steppenwolf” ontleende zijn naam naar dit verhaal. Ontelbare keren heb ik meegebruld met hun monsterhit uit 1968 “Born to be wild” dat ook in de cultfilm Easy Rider zat : “Like a true nature’s child, we were born, born to be wild, we can climb so high, I never wanna die; Born to be wild ! Born to be wild !”  In De Steppenwolf er zat niets boeddhistisch of Oosters, wél in dat ander cultboek Siddhartha, dat Hesse schreef na een verblijf in India in de jaren 1910. In deze  allegorische roman onderneemt de Indiase jongeman Siddharta een spirituele reis. Hij doet dat ten tijde van de Boeddha, die eigenlijk Gautama Siddharha heette en naar wie ook verwezen wordt als Gotama. Dit boek was erg invloedrijk in de jaren zestig en inspireerde velen van mijn generatie om via de hippie trail naar Nepal en India te trekken.  

Ook ik droomde ervan om naar India te gaan, maar vanwege mijn (over)gevoeligheid voor extreme hitte, lawaai, chaos en mensenmassa’s, zou ik het daar, achteraf beschouwd, nauwelijks een paar dagen uitgehouden hebben, vrees ik.  Toch maakten we met enkele vrienden stoute plannen om in zo’n typisch psychedelisch geverfd V.W.-busje,  daarheen te rijden, met tussenstop in  Kathmandu uiteraard.  Het bierviltje met onze handtekeningen die onze dronkemanseed bevestigen, bewaar ik nog steeds. Niet de Boeddha lokte ons, maar Sri Aurobindho (zie foto). In 1971 waren we met ons vriendengroepje immers in de ban geraakt van een boek over Auroville, in Pondicherry, India.  Ik wijdde er een boekbespreking aan in ons undergroundblaadje “De Hobbit”. Auroville, zo heette de in 1968 opgerichte stad in Pondichery. Een stad die van niemand was, maar de hele mensheid toebehoorde. De ideeën van Sri Aurobindho werden er in praktijk gebracht. Zijn filosofie dat de mens een “wezen in transitie” is leek ons vanzelfsprekend, maar we voelden ons vooral aangespoken door het commune-idee van universele broederschap. De hippie-trail naar India hebben we nooit gevolgd. Tussen droom en daad, weet je wel. Bijna twintig jaar later, enkele weken voor zen me overviel, dook Aurobindo nog eens in mijn leven op. Toevallig raakte ik bevriend met buurman Wim Vd P, een jonge kunstschilder die zwaar into Aurobindo was.  Hij leende me een boek uit van Satprem : “Moeder, De nieuwe soort”. Deze Franse auteur was een volgeling van Aurobindo en van Mira Alfassa alias De Moeder, de spirituele vriendin van Aurobindho. Zij was de weg van Aurobindo’s “Integrale Yoga” tot het uiterste gegaan. In haar gesprekken met Satprem, die de basis vormen van dit boek, beschrijft zij de ervaringen en veranderingen die in haar plaatsvonden toen de cellen van haar lichaam bewust begonnen te worden en zich transformeerden… Ik probeerde het boek te lezen, maar het beroerde geen innerlijke snaar.  Dat is opmerkelijk want ik stond toch wel open voor “oosterse spiritualiteit” en zaken die later het predikaat New Age kregen. “De Goden” hadden echter voor mij iets anders in de maak : zen-boeddhisme.  

In 1974 kocht ik een boek waarvan de belangrijkheid en de impact zich pas vijftien jaar later zou tonen. Door een vage vriend had ik me een lidmaatschap van ECI-Boekenclub laten aansmeren. Regelmatig moest je dan een boek bestellen, maar zelfs voor de boekenveelvraat die ik ben, was dat toch altijd een opdracht.  Niet omdat het aanbod geen kwaliteit bood, maar omdat ik mijn boekenkeuze altijd laat afhangen van wat me op een bepaald moment boeit of wat zich opdringt of spontaan aandient. Noodgedwongen kocht ik dan klassiekers die ik te gelegener tijd zou lezen : Alzo Sprak Zarathustra van Nietzsche, Het Kapitaal van Marx, Goethes Faust.  Met die instelling bestelde ik ook het boek van de bekende Britse Boeddholoog Christmas Humphreys: “Concentratie en Meditatie – een handleiding tot bewustzijnsontwikkeling”, ook een klassieker in zijn genre. Humphreys biedt in dit boek vanuit verschillende boeddhistische tradities – en ook wel vanuit de theosofie – materiaal voor innerlijke ontwikkeling aan. Door concentratie en meditatie komt men tot bewustzijnsverruiming die leidt tot herkenning van het Hoger Zelf. De auteur leidt de lezer via eenvoudige adviezen over het hoe en waarom van concentratie naar een reeks praktische oefeningen. Vervolgens wordt aandacht besteed aan eenvoudige meditatie-oefeningen, aan vormen van ‘hogere meditatie’ en ten slotte aan contemplatie.  Ik las het boek toen ter tijd niet uit.  Niet zozeer vanwege gebrek aan interesse, maar omdat het lastig lezen was. Stroeve zinnen en ouderwets taalgebruik bevorderden niet bepaald een vlotte lectuur. Ik heb toen wel nog gedurende enkele weken halfslachtige concentratie-oefeningen en yoga-asana’s uitgeprobeerd, maar daar is nooit een echte dagelijkse praktijk uit gegroeid. Elders op deze blog vertel ik hoe ik vijftien jaar later dit boek weer te hand nam in een crisissituatie en dat het toen wél raak was (zie : Mens van de Weg, Het pad van meditatie als levensweg)

Toen we als jonggehuwden in ons kelderappartementje in de buurt van de Vrijdagsmarkt woonden – van september 1972 tot november 1978 – bracht echtgenote Gerda op een dag een poes mee naar huis. Een dikke grijze kater die ze van de straat had geplukt. Ik gaf hem de naam Boeddha. De kennismaking met onze zwarte huiskat Loki verliep allesbehalve geweldloos-boeddhistisch. Ze vochten dat het haar stoof, echt om bang van te worden.  Op een keer was het zo heftig dat Boeddha letterlijk de muren op rende. In paniek zette ik het raam op de straat open, hij vond de uitweg en we hebben hem nooit meer teruggezien. Het was natuurlijk geen goed idee om twee katers in een piepklein appartementje vreedzaam te laten samenleven, zelf niet als één van de twee Boeddha heet. Waarom ik hem zo noemde? Niet omdat ik toen al met de boeddha-dharma bezig was. Het moest gewoon een speciale of mythologische naam zijn, zoals Loki er een was, de trickster god van de chaos uit de Noordse mythologie. Zo gaf ik later ik onze siamese kater de naam Harpo, een afkorting van Harpocrates, een aliasnaam van de Egyptische god Horus voorgesteld als kind. 

In de esoterische literatuur die ik vanaf 1973 tot mij nam, botste ik uiteraard regelmatig op de Boeddha, maar dat triggerde niets, nog niet. Toch kocht ik in 1979 in de Brusselse “Passage 44” waar ik klant aan huis was “Le Bouddisme Zen” van Alan Watts (zie foto). Ik schafte me dat boek niet zozeer aan omwille van de inhoud, maar voor de naam van de auteur die regelmatig in interviews met rockartiesten of artikels over de rockcultuur gedropt werd.  Watts was immers één van de grote inspirerende figuren van de hippiecultuur. De man was veel in één persoon : filosoof, schrijver, spreker, anglicaans priester, hoogleraar. Hij verdiepte zich in de zenfilosofie, het boeddhisme en het taoïsme. Zo leverde hij een belangrijke bijdrage bij de introductie en de popularisering van Oosterse religies en Oosterse filosofie in het Westen. Ook onderzoek naar hogere bewustzijnstoestanden kreeg zijn aandacht. Samen met andere pioniers op het gebied van religie en menselijk bewustzijn zoals Aldous Huxley en LSD-profeet Timothy Leary, waarschuwde Watts voor de gevaren van een al te drastische ontheiliging en objectivering van de werkelijkheid, zoals dat in het Westen gebeurde. In dat pocketboekje uit de Payot-reeks raakte ik toen niet verder dan de inleiding… Pas tien jaar later haalde ik Watts weer van de boekenplank en las hem in één gebiologeerde ruk uit. 

In 1982 kreeg ik voor mijn verjaardag van mijn gewezen kotmadam een imposant “gouden” boeddhabeeld cadeau (basis : 30 cm; hoogte 40 cm). Het beeld had ze bij wijze van sponsoring gekocht op een missietenstoonstelling in de buurt van Sint-Jacobs, waar ze woonde. Geen idee waarom ze dat deed. Beeldde ze zich in dat ik iets met boeddhisme had? Was er in haar overvol biedermeier interieur geen plekje meer vrij? Of mocht dat niet vanwege het behoudende katholicisme dat ze aanhing? Die Boeddha zit in de klassieke lotushouding, de linkerhand rustend in de schoot met de handpalm naar boven geopend, de vingers van de rechterhand raken de aarde aan: de Bhumisparsha mudra. Toen Gautama onder de Bodhiboom bijna de verlichting bereikt had, deed de duivelse Mara een laatste verleidingspoging om hem te saboteren. Op dat moment raakte Boeddha met zijn rechterhand de aarde aan om deze als getuige te nemen voor de waarheid van zijn woorden. Deze houding verwijst naar het moment dat Gautama ontwaakte en wordt daarom ook wel het gebaar van de Verlichting genoemd. Het prachtige beeld kreeg een ereplaats in onze living op de hoek van het dressoir. Later stond het bovenop de etagère met Gerda’s mineralenverzameling. Vanuit die positie overschouwde hij heel de leefkamer.  Vandaag staan in mijn living alleen al acht boeddha’s groot en klein. Zouden dergelijke met betekenis geladen beelden op onmerkbare wijze de ruimte en de mensen die erin leven beïnvloeden? Ik denk dat je niet zonder goed gevolg jarenlang in de aanwezigheid kan vertoeven van afbeeldingen van Jezus, Boeddha of Shiva, ook al hou je er geen specifieke spirituele praktijk op na. Hetzelfde geldt evenzeer in negatieve zin met afbeeldingen van rattenvangers van laag allooi. Je wordt er onbewuste en ongemerkt door beroofd of gezegend.

Zeven jaar later, enkele dagen nadat de zenbliksem had ingeslagen, verhuisde ik het Boeddhabeeld naar mijn werk- en meditatiekamer. Ik installeerde het bovenop mijn bibliotheekkast, daarmee symbolisch alle boekenwijsheid transcenderend. Daar staat hij nu al vierendertig jaar. Pal tegenover hem, aan de overzijde van de kamer, hangt een foto op posterformaat van het levensgrote gezicht van Jezus op de  Heilige Wade van Turijn. Mijn jongste zoon en schoondochter kochten dit voor mij in Turijn, wetende dat ik een grote devotie koester voor deze uitzonderlijke relikwie.  Die net verrezen Jezus en die verlichte Boeddha hebben allebei de ogen gesloten. Mochten ze die openen, dan zouden mijn twee spirituele leraars elkaar pal in de ogen kijken en een blik van diepe verwantschap en herkenning uitwisselen.  Tussen die twee polen speelt mijn spiritueel leven zich af.

Zijn al deze aan voorvalletjes of herinneringen aan passages van de Boeddha in mijn leven dan voortekens? Is dat niet allemaal vergezocht? Laten we niet te snel oordelen en luisteren naar wat de Boeddha daar zelf over te zeggen heeft. Die anekdotes waren misschien wel “handzame middelen” om mij tot de boeddhadharma te brengen. Je hoeft immers geen uitgemergelde naakte woudasceet te zijn of zestien uren per dag te mediteren om de Boeddha te laten infiltreren in je leven of om je boeddhanatuur te ontdekken. Dat kan op tienduizend manieren gebeuren, van de meest doortastende spirituele praktijken tot de meest bescheiden gebaren. In dit verband citeer ik uit de “Drievoudige Lotus Soetra”, een van de belangrijkste basisteksten van het Mahayana Boeddhisme. Eén van de kernideeën ervan is dat alle wezens het potentieel hebben om Boeddha te worden. Hier gaan we.

Tijdens een bijeenkomst op een berg geeft Shakyamoeni Boeddha onderricht aan duizenden volgelingen. Hij zegt dat zijn onderricht moet worden uitgelegd op een manier dat degene voor wie het bedoeld is het kan begrijpen. A la tête du client. Dit is de les van de “zinvolle” of “handzame middelen”. Er is maar één Groot Voertuig (Mahayana), één Dharma, maar er zijn talloze hulpmiddelen om die te ontdekken en te verwezenlijken. De boeddha’s hebben door middel van ontelbare “handzame middelen” de dharma verkondigd die de mensen ertoe aanzetten om het boeddhapad te bewandelen. Ik citeer : “Zelfs kinderen die al spelend zand vergaren voor de stoepa van een boeddha; zelfs jongens die tijdens het spelen met bamboe, hout of een pen of zelfs met een vingernagel afbeeldingen van de boeddha tekenen, verzamelen langzaam verdiensten om het Grote Mededogen in hun hart te laten ontluiken; zelfs zij die met een verstrooide geest, al was het maar met één enkele bloem de beeltenissen eer betonen, zullen geleidelijk ontelbare boeddha’s aanschouwen;  zelfs zij die met een vertrooide geest een stoepa of tempel betreden, hebben het boeddha-pad reeds gevonden”. Waarom zouden een novelle, een stripverhaal, tv-beelden, een boek, een boeddhabeeld, dan geen handzame middelen kunnen zijn? Ik zie ze als even zovele stapsteentjes richting de boeddhaharma en het zen-boeddhisme.

Misschien reikt de vooraankondiging van het zen-pad nog veel verder terug dan de novelle die mijn vader een paar jaar voor mijn geboorte schreef.  Tijdens één van de eindeloze uren zazen (zitmeditatie) gedurende een zensesshin (retraite) in Drongen in de hete zomer van 1997, zag ik voor mijn geestesoog plotsklaps, als in een heldere flash, wat ik ervoer als een tafereel uit een vorig leven als zenmonnik in het middeleeuwse Japan. Misschien triggerde de Belgische hitte wel die verre herinnering. Het ging zo. “Over het Japanse bergklooster waar ik leef  hangt een verschroeiende hitte. Uitgedroogd, oververhit en dorstig na het urenlange zitten in de zendojo stap ik naar buiten. Bij de deuropening, in de schaduw van een afdakje, staat een ton met water. Met de houten lepel neem ik een schep en breng die naar mijn mond. In slow motion zie ik één waterdruppel naar beneden vallen en in één ondeelbaar moment totaal opgeslorpt worden en verdwijnen in de kurkdroge plankenvloer. Dit verwekte toen, in dat leven, mijn Ontwaken. In mijn huidig leven is het mijn betrachting om zoals die waterdruppel volledig opgeslorpt worden, mezelf uit te wissen tot er van mij geen spoor meer achterblijft. Opgegaan in het Geheel. Zoals Paul Snoek schreef in zijn Vierde Gedicht voor Maria Magdalena : “Zoals een weinig wijn verdwijnt in rode zijde”.

Herman Meirhaeghe

EN HET WOORD IS … BLA BLA BLADVULLING GEWORDEN

“Meirhaeghe !! Voor u zien en zwijgen !”, riep de meester. Was ik bal(h)orig, dan moest ik een tijdlang ofwel mijn tong met wijsvinger en duim vasthouden, ofwel vooraan in de klas op mijn knieën zitten, met de handen op het hoofd en mijn gezicht naar de muur gekeerd. Dertig jaar later zat ik weer te zwijgen, op mijn knieën, met het gezicht naar de muur, in de zen-meditatie, dit keer naar eigen keuze. De handen niet meer op mijn hoofd maar in de meditatie-moedra gevouwen. En zonder lange rode kartonnen babbeltong die met een elastiekje op mijn kin was voorgebonden. Zwijgen en mediteren, ze horen samen als twee oren op een hoofd. Ze zijn niet alleen bijna inwisselbaar, maar ook een medicijn in een oorverdovende wereld met zijn almaar aanzwellende, nooit wegebbende informatievloed en woordendiarree.  Even in alle stilte en rust mediteren om op adem te komen langs de speedway van het leven,  noem ik mediteren in seculiere zin. Meditatie wordt transpersoonlijk als we duiken in de Levensbron die we G*d of het Zelf noemen, om dan weer in te voegen in het snelwegverkeer. Na de contemplatie, de actie. Ik verzon een nieuw woord voor dat soort contemplatieve actie : “contemplactie”. Actie vanuit het niet-ik. Dit soort actie omvat niet alleen “het juiste handelen”, maar ook “het juiste denken (inzicht, visie)” en “het juiste spreken”, drie attitudes die we ook via  “Rabbi Jezus Yoga” inoefenen (zie elders op deze blog).  In onderhavige tekst  wordt gefocust op een aspect van het “juiste spreken”. In tijden van fake news, taalmanipulatie, desinformatie, complottheorieën en de smeerpijperij van de sociale media, is het “juiste spreken” meer dan ooit nodig. Niet alleen wàt je zegt, maar ook hoe je het zegt, doet ertoe. Vanuit onze meditatiepraktijk, die ons de dingen toont zoals ze zijn,  kunnen we de valstrikken van taal ontmaskeren. Taal kan de werkelijkheid versluieren waardoor we alleen nog onze verwrongen perceptie ervan waarnemen. Kijken naar wat is, dat is wat we tijdens de meditatie doen.    

“Het juiste spreken” maakt deel uit van het “Edele Achtvoudige Pad” dat de Boeddha predikte. Dat Pad omvat een stappenplan met acht punten, die ons helpen onze geest te bevrijden door de oorzaken van lijden aan te pakken, met als doel Ontwaken of Verlichting realiseren.  De derde stap is “het juiste spreken”, zowel in gesproken als geschreven taal. Niet liegen, zich ver houden van lastertaal, geen harde woorden gebruiken, zich onthouden van onzinnig gepraat, van roddelen, kwaadsprekerij, enz.  In een tijdsgewricht waarin “onjuist spreken” de regel lijkt te worden, is dit actueler dan ooit. En dan hebben we het nog niet gehad over de alomtegenwoordige gebakkenluchtbakkers van allerlei aard. Maar ook minder schadelijk misbruik van woorden valt onder deze noemer, zoals het zich (niet) in acht nemen wat betreft small talk, tateren, tetteren, kwebbelen, kletsen, lullen, lallen, laméren, lamenteren, beuzelen, bazelen, zeveren, enz. Niet voor niets verloopt de meditatie in stilte en focussen we ons op de ademhaling of op één enkel welgekozen waardevol woord.

Zoals het leven in overdrive gaat, zo ook taal als uitdrukking ervan. Dat resulteert o.m. in turbotaal. Woordinflatie. Je kent het wel, die toevoeging van adjectieven – meestal superlatieven – bij een woord dat op zich al genoeg zegt. “Bedankt” omdat je deze tekst leest volstaat niet, neen, je bent “vreselijk bedankt”. Een ervaring was niet “intens” maar “ongelooflijk intens”. Dat nieuwe boek van Penny Schrijvers is niet “interessant”, maar “razend interessant”. We sliepen niet “goed”, maar “supergoed”. Het promoten van meditatie is niet “belangrijk” maar “ontzettend belangrijk”. Middelmatige zaken worden perfect, briljant, geniaal, fenomenaal of “de max” genoemd. Op een eenvoudige vraag antwoordt men niet meer met een simpel “ja”, maar met “absoluut”. Onderzoek gebeurt niet meer “grondig” maar “tot op het bot”. De Supercup gaat naar de nieuwe trainer van Club Brugge die op zijn eerste persconferentie zei dat hij niet 100 %, maar “1 miljoen %” inzet van zijn spelers verwachtte.  En zo kan ik nog wel even doorgaan. Gezwollen, opgeblazen taal, overdrijving. Net zoals je bij economische inflatie steeds meer centen moet betalen om hetzelfde product te kopen, worden er bij woordinflatie steeds ‘grotere’ woorden gebruikt om hetzelfde te zeggen. En net als bij munt-inflatie stijgt je loon misschien, maar je wordt er niet rijker van, integendeel.  

Woordinflatie en woorddevaluatie, twee kanten van één muntstuk. Woorden verliezen hun kracht, worden ont-waard. Verbalisme, woordenkramerij leidt tot uitholling, betekenisloosheid.  Verbalisten vrezen de stilte tussen de woorden, zoals rationalisten irrationele feiten vrezen. Als mediteerders en beoefenaars van de woordeloze stilte, springt ons dat meteen in het oor. In mijn studententijd in de jaren ‘60, toen ik me nog aan poëzie waagde en me een dichter in de dop waande, werd het woord “transparant” alleen door poëten en schrijvers gebruikt. Poëzie is natuurlijk het genre bij uitstek waar elk woord op een goudschaaltje gewikt en gewogen wordt. Vandaag de dag laten politici, managers en CEO’s dat woord in ongeveer ieder interview een paar keer van de gespleten tong rollen. Hoe ondoorzichtiger en mistiger hun discours, des te meer hebben ze het over “transparantie”. Zo devalueerde dit poëtische woord tot een nietszeggende, zelfs verhullende stoplap. Dit is niet het enige woord dat vandaag de dag door oneigenlijk gebruik zijn zeggingskracht verliest. Als we het waardevolle oude woord “meditatie” achteloos gebruiken, devalueren we de waarde ervan. Want dat gebeurt vandaag op grote schaal in de feelgood- en wellnessindustrie. Alles wat ook maar iets met “ontstressen” te maken heeft, wordt “meditatie” genoemd. Op die wijze wordt een spirituele discipline herleid tot louter een ontspanningstechniek om zich even beter te voelen om daarna weer in de ratrace te springen. Ook het onderscheid tussen “meditatie” en “mindfulness” vervaagt. Ze worden op één hoop gegooid, als synoniemen beschouwd, hoewel in het boeddhisme het laatste slechts een voorbereiding is op het eerste. En dan is er ook nog het wollige “het een plaats of een plek geven”. Verdriet, tegenspoed, ziekte, overlijden, we moeten het allemaal “een plaats geven”. Alsof het omgaan met en verwerken van die gevoelens een wilsdaad zou zijn, alsof dat met een vingerknip kan geregeld worden. Waar bevindt die plaats zich trouwens? In de linker benedenhoek van je ziel? In je blindedarm? Onder een stolp op de kast? In een bestandje op je laptop? In je hippocampus? In het zicht of uit het zicht? Neen, dan liever “Let it be” van The Let it Beatles.

Ook het woord “spiritualiteit” komt in de verdrukking. In een interview in “Kerk en Leven” (18.8.2020) met theoloog Bert Roebben en psychiater en zen-boeddhistisch leraar Edel Maex, zegt deze laatste dat hij het woord “spiritualiteit” zoveel mogelijk probeert te ontwijken. Begrijpelijk, want ook dat begrip is inderdaad de laatste decennia danig gedevalueerd. Ik citeer:  “Onze tijd heeft het moeilijk met religie en dan lijkt spiritualiteit makkelijker behapbaar, maar dat begrip is ontlichaamd”.  Bij gebrek aan beter gebruikt hij het dan toch maar.  Maex hanteert als werkdefinitie: “De spirituele mens is wie kan omgaan met het spanningsveld van behoefte aan zekerheid en controle – die er nooit zijn – en wie met een zeker vertrouwen in het leven staat”. Volgens Roebben – auteur van “Volharden in de broosheid, Spiritualiteit in tijden van Corona” – gaat spiritualiteit over je toewijden, je toevertrouwen en uit jezelf treden, je concreet durven over te geven aan het andere dan jezelf. Een korte zoektocht leverde me in een recordtijd een 20-tal definities en omschrijvingen van “spiritualiteit” op, de ene al duidelijker of vager, beknopter of uitgebreider dan de andere. Het zou ons te ver leiden om die hier allemaal te citeren. Toch een drietal die illustreren hoeveel uiteenlopende ladingen die vlag dekt. Deze bijvoorbeeld : “Spiritualiteit is de richting en inrichting van je leven met een intuïtieve levensstijl”. Of deze: “Spiritualiteit is het geestelijk fijnstoffelijke werkgebied dat zich bezighoudt met het pure bewustzijn. Het is de relatie tussen wat gedacht, gevoeld, geweten en ervaren wordt, ofwel het bewustwordingsproces van een wereld die wij zelf geschapen hebben en herscheppen”. Of deze : “Spiritueel leven is niets anders dan luisteren naar de energie die op je afkomt en die van jezelf uitgaat. Het is leren leven met de kosmische wetten en zien dat alles energie is”.  Samenvattend zouden we kunnen zeggen dat spiritualiteit een bijzondere, maar niet noodzakelijk confessioneel begrepen religieuze levenshouding is die zich op het transcendente of immanente goddelijke Zijn concentreert, waarbij de nadruk ligt op persoonlijke innerlijke ervaring.  Sommigen kleven zelfs op heel de New Age beweging en de complete esoterie, die de meest uiteenlopende thema’s omvatten, de sticker “spiritualiteit”. Nou, kies maar uit… Maex vindt het woord spiritualiteit “ontlichaamd”, maar ik zou eerder zeggen “ontkracht” en “ontzield”.

De titel van voormeld interview in “Kerk & Leven” luidt : “Loslaten maakt de mens vrijer – Is de spirituele mens beter in staat om crisissen zoals corona aan te kunnen?” Daarmee zijn we bij nog zo’n gedevalueerd woord aanbeland, dat vooral in spirituele (!) en psycho-therapeutische middens te pas en vooral te onpas valt : loslaten. Hoe vaak word je daar niet mee om de oren geslagen? “Laat het los !” Ik krijg puisten van die uitdrukking of toch zeker aan het oneigenlijk gebruik ervan.  Je zou verdorie de dingen al moeten loslaten vooraleer je ze echt te pakken hebt.  Zeker, loslaten is een levenskunst, maar vaak is zo’n uitspraak niet méér dan vrijblijvende, goedkope goede raad. Het is niet méér dan het niet  willen of kunnen onder ogen zien van wat ons of de ander bedrukt, pijn doet, frustreert. Het is zo makkelijk om “laat het los” te zeggen aan iemand die zijn probleem met jou wil delen. Dan zijn wij er vanaf, maar die persoon schiet er niets mee op. Laat dit soort loslaten maar los. Die uitspraak laat ook uitschijnen dat loslaten een wilsdaad is. Alsof je zomaar kunt beslissen “het los te laten”. Zo zitten we niet in mekaar. Vaak gaat aan het loslaten een lange(re) periode van losweken vooraf. Iedereen met enige meditatie-ervaring weet dat je niet zomaar iets kan loslaten, dat het voortdurend weer voor je geestesoog opduikt, dat we tienduizend keer moeten terugkeren naar onze ademhaling, onze lichaamshouding of onze mantra. Meditatie leert ons ook dat het loslaten zich op onbewust niveau voltrekt. Op een dag constateer je dat er geen lading meer zit op het probleem dat je zo in de ban hield. Alsof niet jij het probleem, maar het probleem jou losliet.

Wanneer we mediteren doen we eerder het tegenovergestelde van loslaten : erbij blijven. We blijven bij onze mantra, bij de uitwendige en innerlijke werkelijkheid waarin we hebben plaatsgenomen. Merkwaardigerwijs laten we daardoor automatisch, op een natuurlijke wijze… alles los.  Dit is geen loslaten op bevel, maar een natuurlijk gevolg van onze beoefening. Ik neurie wel eens het bekende liedje van Louis Neefs : ‘k Zag Twee Beren.  Bij mij gaat het zo : “ ‘k Zag twee beren mediteren, en hun mantra reciteren, ‘k bleef erbij en ik keek ernaar.” Uiteraard zijn er dingen die we moeten loslaten, en wel meteen ende stante pede. Dingen zoals de flauwekul, de hersenspinsels en de triviale verstrooiingen die tijdens de meditatie ons door het hoofd schieten. Gooi ze er meteen uit, blijf er niet bij. Snij negatieve gedachten die je in de loop van de dag of bij nacht overvallen meteen de pas af.  Maar échte gevoelens die zowel binnen als buiten de meditatie opborrelen – verdriet, irritatie, angst, verveling – kunnen we beter gezelschap houden. Erbij blijven terwijl we onze mantra blijven herhalen; zo ontstaan sowieso afstand en ruimte. Erbij blijven en loslaten tegelijk, dat is wat we in de meditatie doen. Roebben: “Loop niet weg van boosheid of angst, maar leer leven met de dubbelzinnigheden van het bestaan”. Gewoon erbij blijven, zonder oplossingen te zoeken, zonder te analyseren of er voedsel aan te geven. Zoals we een geliefde gezelschap houden wanneer hij/zij ons diepe dingen toevertrouwt. We hoeven niet meteen klaar te staan met “goede raad”. Ook hier : in plaats van “laat het los”: “laat het (zijn)”.

Het tweelingzusje van loslaten” is “Alles komt goe(d)”, nog zo’n ergerlijke dooddoener.  Een positieve levensinstelling is uiteraard prima. Het is zelfs één van de vruchten van meditatie. En vanuit spiritueel oogpunt komt alles inderdaad uiteindelijk goed, maar  ook deze uitspraak is verworden tot clichématig psycho-spiritueel jargon. Vaak is het, net als “laat het los”, alleen maar een excuus om niet te hoeven luisteren naar jezelf of naar de medemens die zijn zorgen of problemen met je wil delen. In bijna elke aflevering van tv-soap “Thuis” – en niet alleen daar – wordt minstens een paar keer gezegd : “Alles komt goed”. Het lijkt wel een mantra. Ooit heb ik het een week lang zitten turven en ik totaliseerdeeen 20-tal streepjes in 5 afleveringen. Elk probleem dat zich in en rond de Withoeve aandiende of werd aangekaart, elke rimpeling, werd sofort ende meteen afgeblokt met “ ‘t Komt goe”. Ook in de zondagavondserie “1985” op Eén, over de Bende van Nijvel, hoorde ik die luchtledige uitspraak al enkele keren vallen, in dramatische situaties. Veertig jaar na datum kwam het bij mijn weten nog altijd “nie goe” met die zaak en lopen de moordenaars vrij rond.  Onder het mom van positief begrip en hoop biedende steun, betekent dit eigenlijk : ik wil het niet horen, laat me met rust, ik wil er niet bij betrokken worden, ik wil het niet onder ogen zien, ik wil er niet mee geconfronteerd worden. Het lijkt wel dat, hoe slechter het gaat met de wereld, hoe krampachtiger we ons aan die bezwerende woorden vastklampen. “Alles komt goed” impliceert dat het nù, op dít moment, in déze situatie, niet goed is en dat het later anders of beter zal zijn. Dat “beter” beantwoordt dan aan het beeld dat we ons (of de ander) voorhouden. Dat kan dan niet iets anders zijn dan een voorstelling die overeenstemt met onze beperkte visie op wat goed of beter is voor ons of de ander. 

Anderzijds is er ook het diepe inzicht dat alles goed is, altijd, wat van een heel andere orde is.  En al die ellende in ons persoonlijk leven en in de wereld dan? Is die dan ook goed? Ja, in een ruimer perspectief wel. Dit is even slikken. Het getuigt van een diep vertrouwen dat alles uiteindelijk goed is – en niet goed komt. Alles is goed, ook zonder de valse hoop van “alles komt goed”. “Alles is goed, altijd” spreekt van acceptatie van wat is, waarin ook het – vanuit ons beperkt oogpunt althans – negatieve zijn plaats heeft. “Alles komt goed” klopt wél als we kunnen aannemen dat niet alles goedkomt.  Kunnen we dat wat is omarmen en niet alleen maar aanvaarden? Kunnen we alles overlaten aan G*d? Mogen we dan niet hopen, hoor ik ons vragen? Ontnemen we de mens dan niet alle hoop? De vraag is of we kunnen hopen zonder ons een beperkte voorstelling te maken van wat de toekomst zou moeten zijn. Kunnen we hopen zonder te hopen? Wat is hopen zonder te hopen? Dat is zich openstellen voor om het even wat er op ons afkomt. Hopen als synoniem van vertrouwen hebben.

In 1949 – mijn bouwjaar  – publiceerde George Orwell zijn dystopische toekomstroman “1984”. Daarin ontwerpt een totalitair systeem “newspeak” en hanteert die “nieuwtaal” als een instrument om vrijheid van gedachten en ideeën, zelfexpressie, individualiteit en vrede, die een bedreiging voor het regime vormen, in te perken. Zo wordt het woord “goodthink” gebruikt voor ideeën die door De Partij zijn goedgekeurd en die overeenstemmen met haar beleid en haar doelstellingen. 1984 ligt inmiddels al bijna veertig jaar achter ons en nu zijn er wereldleiders uit democratieën die non-stop  newspeak en fake news spuien.  Nietzsche sprak over “Umwertung aller Werte” (herwaardering aller waarden).  Zijn we niet toe aan een “herwaardering aller woorden”? Onze stiltetraditie is daar bijzonder geschikt voor. Uit ervaring weten we immers allemaal dat we vanuit het zwijgen komen tot “het juiste spreken”.

Maar wat is “juist spreken”? Ik zou kunnen antwoorden dat zwijgen het juiste spreken is, maar dat lijkt me ietsje te makkelijk. Met Pinksteren spraken de apostelen in tongen na de uitstorting van de Geest. Ze spraken voor hen onbekende talen die toch door tientallen anderstalige toehoorders werden begrepen. Was dit een vorm van “juist spreken”?  Geliefden spreken dan weer woordeloos in tongen als ze kussen, eveneens een universele taal. Is dit een vorm van “juist zwijgen”? Want er is ook zoiets als “het juiste zwijgen” : weten waar en wanneer je beter je mond houdt.  Als men echter zwijgt waar men zijn stem moét laten horen, is dat geen zwijgen maar “verzwijgen”.  Veel mystici waren grote zwijgers, maar ook grote sprekers en schrijvers. Jezus zelf was een vaardig beoefenaar van het juiste spreken, daar getuigen zijn parabelen van en zijn talloze treffende uitdrukkingen die tot op vandaag in onze spreektaal beklijven. Maar Hij wist ook wanneer Hij zwijgen moest, zoals die keer toen men hem vroeg wat er met een op heterdaad betrapte overspelige vrouw moest gebeuren : hij zweeg en tekende met de vinger in het zand. Of toen hij voor zijn rechters en voor Pilatus stond, zich niet verdedigde en er het zwijgen toe deed. Een welsprekend, veelbetekenend zwijgen.  Ook de Boeddha was als leraar een groot spreker, maar ook een zwijger, zoals in deze beroemde anekdote.  Toen zijn verzamelde leerlingen zaten te wachten tot de meester zijn “dharma talk” zou beginnen, zat hij daar maar te zitten met een bloem in zijn hand. De stilte bleef maar duren… Zijn leerlingen zaten er wat ongerust en ongemakkelijk bij.  Wat was er aan de hand? Toen de Boeddha opkeek zag hij zijn leerling Mahakasyapa glimlachen. Hier gaf Boeddha onderricht door één enkel stil gebaar – het tonen van een bloem –  en Mahakasyapa liet zijn inzicht blijken met de stille glimlach van herkenning. Dit moment van “woordeloze overdracht” wordt trouwens gezien als de geboorte van zen. Maar kort en concreet nu. Vóór we overgaan tot spreken (smartphone, e-mail, sms, twitter, WhatsApp, etc) kunnen we ons, zonder al te veel te moraliseren, vier basisvragen stellen.  Is het echt nodig om iets te vertellen?  Levert dat wat ik wil zeggen iets positiefs op? Weet ik zeker dat wat ik wil vertellen waar is? Gebruik ik de juiste woorden op de juiste toon? Als je deze vier vragen positief kan beantwoorden, kan je overgaan tot het juiste spreken. Als je het goede niet kan zeggen, bijt dan op je tong. Proef je woorden eerst voor je ze uitspuwt. Of deze simpele volkswijsheid van mijn grootmoeder  : “Draai je tong driemaal rond in je mond voor je reageert op een hard woord” (maar dan in ’t West-Vlaams). Juist spreken en juist zwijgen doet men op het juiste moment en op de juiste plaats. Als zwijgen goud is, laat ons spreken dan minstens zilver zijn.  En laat het woord geen bla-bla-bladvulling zijn.

Herman Meirhaeghe

DE FORMULE VAN BYZANTIUM

De naam van de Zwitserse diepte- of moet ik zeggen hoogtepsycholoog, Carl Gustav Jung, is hier al menig keer gevallen. Hij was dan ook doorheen alle fases van mijn leven een bron van inspiratie, op velerlei vlak. Zo sprak zijn benadering van het verschijnsel dromen me sterk aan. Veel meer dan Freuds aanpak, die zich grotendeels beperkte tot de exploratie van het gelijkvloers en het souterrain van de ziel, en zich principieel niet waagde in de archetypische grotten van het Onbewuste of op de transpersoonlijke hoogvlakten, wat Jung wél deed. Dromen waren altijd al mijn medicijn, d.w.z. iets wat me spirituele genezing en kracht geeft.  Het kan geen toeval zijn dat ik me dromen herinner uit mijn kleuterjaren en kindertijd. Jung zei dat de vroegste dromen die men zich kan herinneren de toon aangeven voor en het doel bepalen van het leven dat eraan komt. In zijn autobiografie “Herinneringen, dromen en gedachten” vermeldt hij er zelf een paar indrukwekkende.  Ik herinner me twee dromen van omstreeks mijn vijfde levensjaar. In de eerste droom – een bloederige nachtmerrie – worden moeder en ik tijdens de christenvervolging in Rome gevangen genomen en tot voor de keizer gesleept die moeder voor mijn kinderogen eigenhandig met een groot mes onthoofdt. De tweede gaat over Sint-Antonius (zie verder). Beide dromen hebben onmiskenbaar een religieuze of spirituele setting en bevatten sterke beelden en elementen uit de christelijke sfeer. Ze zetten inderdaad de toon van mijn levensmelodie die toen pas was ingezet. Spiritualiteit zou gedurende “mijn jonge jaren” een niet onbelangrijke bijrol en in de tweede levenshelft de hoofdrol spelen. Al in mijn adolescentie werd duidelijk dat mijn aandacht en energie gericht zouden zijn op zelfkennis en de spirituele weg en dit tot wanhoop van mijn ouders die voor hun enige zoon een succesvolle aardse  toekomst… euh… gedroomd hadden. Helaas, dat was niet waarom mijn ziel nog eens vlees was geworden. Wereldse ambities, diploma’s, carrière, status, interesseerden me maar zeer matig.  Genoeg verdienen om ons gezin probleemloos te helpen onderhouden volstond.  Mijn echtgenote was het daar volkomen mee eens. Zelfverwerkelijking domineerde al mijn doen en laten. Tot op vandaag.  

Nu de droom over “Toontje”: “Sint-Antonius van Padua staat plots in onze keuken. Hij gaat gekleed in zijn bruine monnikspij en draagt sandalen. Ik herken hem meteen van het heiligenbeeldje op de kast. Ik zit op de zwart-wit-tegels van de vloer. Hij tilt me onder de oksels op en plaatst me bovenop het dikke boek dat hij vasthoudt, precies zoals bij het beeldje waar het Kindje Jezus bovenop de Heilige Schrift staat. Ik sla mijn armen om zijn nek.”  Het verhaal gaat immers dat Antonius, toen hij al ernstig ziek was, zich liet overhalen om zich op het landgoed van een bevriende graaf te laten verzorgen. Op een avond zag de graaf door de deurkieren van Antonius’ kamertje een fel licht schijnen. Brand vrezend, gooide hij de kamerdeur open. Tot zijn verbijstering zag hij Antonius staan met het stralend Christuskind op zijn arm. Mijn droomtafereel was een duplicaat van het typische heiligenbeeldje in messing van “Sintantonius” bovenop onze keukenkast dat nu op mijn werkkamer staat. Deze droom zou, archetypisch gezien, mijn eerste prille ontmoeting kunnen zijn met het Zelf, hier voorgesteld als het Jezuskind : het Goddelijk Kind als beeld van het Zelf, dat bovenop het Boek der Wijsheid staat dat doormijn innerlijke gids, Antonius, wordt gedragen.  De droom bevat ook een soort van Heilige Drievuldigheid :  Antonius als de Vader, Jezus als zijn zoon(tje) en het Boek als de Heilige Geest. Deze droom van bijna 70 jaar geleden liet me nooit meer los en ik ben “Toontje” altijd blijven opzoeken in kerken en kapellen, ook in agnostische levensperioden.

Als Jung gelijk heeft, dan zou deze droom iets kenmerkends bevatten voor mijn leven dat nog moest beginnen.Een eerder banale uitleg zou kunnen zijn dat de droom de voorafkondiging is van mijn levenslange liefde voor boeken, op mediteren na mijn enige verslaving. Ik lees er meestal drie tegelijk. Een vorm van vraatzucht,  niet zozeer om mijn kennishonger te stillen, maar om te vertoeven in het fijne gezelschap van zielsverwante auteurs die mijn ervaringen in steeds weer nieuwe woorden vertalen en vertellen. Een diepere verklaring van de droom is dat ik een religieus of spiritueel gekleurd leven zou leiden. Dit werd bewaarheid, zeker vanaf mijn veertigste. Ik werd zelfs monnik, zoals Antonius er een was, zij het van een ander (zen)merk. De nog altijd populaire Sint-Antonius van Padua, volgeling van Sint-Franciscus, predikte voor de vissen omdat de mensen niet wilden luisteren naar zijn boodschap. Hoe vaak zou ik niet voor lege kerk gepredikt hebben? Misschien doe ik dat zelfs nu weer via deze blogtekst. Antonius wordt aangeroepen om verloren zaken terug te vinden. Zou ik een verliezer of een vinder worden? Of een zoeker, naar inzicht? Verliezen zet aan tot zoeken en “zoeken”  werd inderdaad het hoofdthema van mijn leven. Ik werd een zogenaamde “spirituele zoeker”.  Zoeken leidt tot vinden, van de hoofd-zin, de bijzinnen, de waanzin, de onzin of de zin van het leven, bijvoorbeeld.  Mijn zoeken was echter nooit een krampachtig, wanhopig najagen, maar eerder een mij openstellen voor wat zich lààt vinden. Alle wezenlijke dingen in mijn leven werden gevonden zonder te zoeken. Dat soort vinden heet serendipiteit : iets waardevols vinden waar je in eerste instantie niet naar op zoek was. Om die betekenisvolle toevalligheden te zien is wél opmerkzaamheid en intuïtie nodig. Maar op een bepaald moment stopt het zoeken en wordt alles wat zich aandient een vondst. Mijn levensmotto zou kunnen luiden : “non quaerens, inveniar” ofte “ik zoek niet, ik word gevonden”. Zo wordt het gevondene de vinder en omgekeerd. Uiteindelijk is er geen verliezer, zoeker noch vinder meer.

Volgens Jung doet zich aan het begin van een psychoanalytisch of individuatieproces vaak een initiaaldroom voor. Dit is een droom waarmee het Grote Werk naar Inzicht een aanvang neemt. Daarin wordt niet alleen het startpunt geschetst, maar laat het eindpunt zich ook al vermoeden, net als de weg daar tussenin. Bij uitbreiding kan je zeggen dat, wanneer je het besluit neemt de innerlijke weg te gaan, het Onbewuste je een zogenaamde openingsdroom presenteert. Mijn belofte om een leven lang elke dag mijn dromen te noteren was het startpunt van de weg naar binnen. Die dagelijkse discipline was een niet te onderschatten opdracht waartoe ik me verbond. Het daartoe bestemde schrift mocht geen ordinair schoolschriftje zijn. Na enig zoeken vond ik een geschikt cahier, groot formaat, met zwartlinnen rug en harde donkerrood gemarmerde kaft. Op 13 april 1973 – toevallig de sterfdag zes jaar eerder van mijn geliefde grootmoeder die een tweede en soms ook een eerste moeder was voor mij – noteerde ik de eerste droom die ook een openings- of initiaaldroom bleek te zijn.  “Ik bevind me in een soort klaslokaal. Samen met elf andere leerlingen zit ik in kleermakerszit op de grond, in vierkantformatie, met het gezicht niet naar elkaar toe, maar naar buiten gekeerd, naar de oude leraar die rondom ons cirkelt terwijl hij doceert. Plots stopt hij bij mij en vraagt me : “Kent gij de Formule van Byzantium : A = OM = A ?” Ik weet dat deze formule de oplossing bevat van ‘de kwestie van leven en dood’. Dat dit gaat over de zin van mijn leven.  Voor mijn geestesoog  verschijnt de bijbehorende meetkundige figuur : twee elkaar snijdende rechten in de vorm van een andreaskruis, met een loodrechte lijn op het snijpunt. Ik blijf het antwoord schuldig…” 

Een formule begod?! Wiskundige en scheikundige formules – die combinaties van letters en cijfers met welbepaalde betekenis – waren in mijn studietijd niet bepaald mijn ding. En hier krijg ik er zowaar een voorgeschoteld. We kennen allemaal de formule voor koolstofdioxide – CO2 – of water – H2O. En de beroemdste van alle, die van Albert Breinstein : “e = mc²” of “energie = de rustmassa van een elektron of proton x het kwadraat van de lichtsnelheid”. Daar houdt het bij mij ongeveer op. Maar nu legt een soort professor me, met aandrang, de “Formule van Byzantium” voor, waar ik nooit eerder van hoorde. Hij leek me niet het type gekke, kwaadaardige of goedhartige professor uit strip- en andere verhalen en films. Geen verstrooide, excentrieke professor, geen professor Barabas, Zonnebloem, Gobelijn of Adhemar; geen dokter Frankenstein, Jekyll, Strangelove of Mabuse. Ook geen tovenaar met een hoge punthoed, want ook die zijn in de weer met formules, toverformules om bovennatuurlijke krachten te manipuleren. Hij leek me nog het meest op Herr Professor Jung himself, de wijze oude meester. Een formule kan ook een recept zijn. Werd me hier het recept voor een zinvol leven aangereikt?

Deze korte, heldere, gebalde initiaaldroom is in al zijn eenvoudige symboliek uitgesproken archetypisch. De wijze leraar met zijn twaalf leerlingen.  Het vierkant als symbool van aardse heelheid en de cirkel  als eeuwigheidssymbool. De cirkel ook die de leraar rond het vierkant beschrijft en het onoplosbaar meet- en wiskundig vraagstuk van de  ‘kwadratuur van de cirkel’ voorstelt, waar de alchemisten zich over bogen. De leerlingen die met gekruiste benen op de grond zitten, als mediteerders. De orakelachtige formule of levensvraag : een element uit zoveel sprookjes en mythes. Moet  ik deze pseudo-wiskundige formule oplossen? Is dit mijn levensopdracht? De vraag van de goeroe luidt eigenlijk: “Hoe ga je deze formule in je leven realiseren?” Dat ik een leerling ben wijst erop dat ik aan het begin van de inwijdingsweg sta. Ik blijf het antwoord schuldig, heb nog alles te leren. Byzantium (Constantinopel, Istanbul) is het geografische punt waar het Westen en het Oosten elkaar raken. Deze oeroude stad wordt “de poort naar het Oosten” genoemd. “Het Oosten” staat natuurlijk voor de geografische windrichting, maar ook voor het onbekende, het spirituele, het geheimzinnige, het vooralsnog onbewuste of niet-gerealiseerde. Komt alle wijsheid niet uit het Oosten? In Byzantium staat de Hagia Sophia, de kathedraal-moskee wiens naam ‘Heilige Wijsheid’ betekent. Op het raakpunt van het Avondland met het Morgenland staat de Heilige Wijsheid die in zich het Oosten (moskee) en het Westen (kathedraal) verenigt. “Heilige Wijsheid”, dàt is het antwoord op de vraag van de oude leraar, dàt behelst de Formule van Byzantium. In de formule herken ik in de ‘A’ de ‘Alfa’ en in de ‘OM’ de ‘Omega’, de eerste en de laatste letter van het Grieks alfabet.  In het Boek Openbaring zegt Jezus : “Ik ben de alfa en de omega”, het begin- en eindpunt van alles. In de christelijke symboliek wordt het Christusmonogram XP of  [Griekse ‘chi’ (X) en ‘rho’ (P)], de eerste twee letters van Zijn naam, vaak afgebeeld met links en rechts daarvan de Alfa en de Omega (zie illustratie). De bijbehorende meetkundige figuur in mijn droom lijkt een onvolledige versie van dit  monogram : aan de P ontbreken immers bovenaan de lus en het lijnstuk onder het snijpunt. Ook dit wijst erop dat het werk onaf is, dat er nog een weg is te gaan.

Dit zou ik de westerse droomduiding noemen. Maar er is ook een oosterse benadering mogelijk. ‘OM’ is immers de kosmische oerklank uit de Upanishads, de mystieke heilige lettergreep waaruit het universum is ontstaan, zoals we die o.m. terugvinden in de bekende boeddhistische mantra “Om mani padme hum” (Ik eer de parel in de lotus) of de vredesmantra “Om shanti”. Mijn vorige bijdragen toonden aan dat Oost en West zich in mijn spiritueel leven verenigden in mijn liefde voor de Boeddha en voor Jezus. OM wordt ook geschreven als AUM : A staat voor het menselijk bewustzijn; U (oe uitgesproken) het droombewustzijn en M : het diepe slaapbewustzijn.  En daaraan voorbij : OM of het kosmisch bewustzijn. In deze zin betekent de Formule van Byzantium – A = OM = A – voor mij zoiets als:  “Atman / individuele ziel = Brahman / universele Zelf = Atman”. De mantra ‘OM’ wordt voorgesteld door een symbool dat niet ‘Om’ maar ‘Omkar’ heet (zie illustratie). Er valt over deze droom nog veel meer te zeggen maar ik hou het hierbij. Zoveel decennia later denk ik wel eens: had ik, in plaats van er mijn hoofd over te breken om het vraagstuk op te lossen, de formule maar simpelweg meteen als meditatiemantra gebruikt (‘A’ bij het inademen en ‘OM’ op de uitademing). Dat doe ik inmiddels regelmatig, in bed, wanneer ik de slaap niet kan vatten.

Toen deze droom mij ingefluisterd werd, was ik 23 jaar en zat middenin een donkere zingevingscrisis waar ik elders op deze blog over schreef.  De droom opende een hoopgevend perspectief waarvan ik me toen niet ten volle bewust was. Toch klampte ik  me eraan vast omdat ik voelde en wist dat “ik” hem niet gedroomd had, maar dat hij mij gegeven werd door Iets wat mijn problematische situatie te boven ging. Het zou minstens nog vijftien jaar duren voor een begin van een oplossing van de Formule van Byzantium zich aandiende. Ik herinner me dat ik, met veel teveel promille in mijn bloed, aan de toog van onze alternatieve kroeg, met het bierschuim op de lippen, stond te lallen over mijn “Formule van Byzantium”. “Kende gij de Formule van Byzantium?” schreeuwde ik mijn revolutionaire drinkebroers in het oor, boven de decibellende blues van Muddy Waters en Howlin’ Wolf uit. Ze bleven, net als ikzelf,  het antwoord schuldig. Ik leek wel bezeten. En net daarvoor waarschuwde die andere droom me die ik die nacht had.

Diezelfde nacht van 13 april 1973 ontving ik een tweede droom die me waarschuwde voor het gevaar dat inhouden uit het onbewuste me dreigden te overspoelen, nu de bres geslagen was. Droom : “Ik bevind me in een zomerhuis aan zee in het gezelschap van mijn vrouw en schoonmoeder. Ik stap naar buiten op het strand en zie drie kolossale spiralende wervelwinden op me afkomen. De middelste is oranjekleurig, de andere blauw en zwart.  Ze komen dichterbij en wijken terug, steeds opnieuw, zoals eb en vloed.  Staartsterren vallen uit de hemel.  Het schuimende zeewater stuwt zich het strand op.  Het dreigt ons huis binnen te dringen door de kier onder de deur. Mijn ongeruste vrouw en schoonmoeder zeggen gejaagd dat ik een dweil en wat kartonnen dozen vóór de kier moet leggen om het water buiten te houden. Ik weet dat dit geen zin heeft, deze spullen kunnen het water onmogelijk tegenhouden”.

Bij de aanvang van de spirituele reis word ik gewaarschuwd door deze droom die kosmische en apocalyptische aspecten heeft: orkanen, overstroming, vallende staartsterren. Mijn avontuur zal niet zonder gevaar zijn.  Het “ik-bewustzijn” moet immers sterk genoeg zijn om de confrontatie met het Onbewuste aan te gaan.  De kans bestaat verzwolgen te worden en te verzuipen in de diepzee van het onbewuste. Halve maatregelen zullen niet helpen (dweil, dozen). Het getal ‘3’ is prominent aanwezig, tweemaal zelfs : de 3 wervelwinden en 3 menselijke figuren. In de getallensymboliek is ‘3’ het heilig getal van de volmaaktheid (Drie-Eenheid). ‘Drie’ betekent ook : klaar zijn voor een nieuw begin en voor groei. Dit cijfer herinnert eraan meer aandacht aan het spirituele leven te besteden en te geloven dat hogere krachten zullen helpen je doel te bereiken. Het is risicovol om het pad van individuatie in je eentje te gaan, zonder levende leraar, gids, analyticus of therapeut.   Ik heb het erop gewaagd, met vallen en opstaan, de wapenspreuk van Zee-land indachtig, gebied dat vaak met stormen en overstromingen kreeg af te rekenen. Ze stond op de medaille die ik als kind bezat: “Luctor et Emergo” : ik worstel en ik kom boven. Zoveel jaren later is het worstelen verleden tijd en beheers ik de kunst van het zwemmen, of beter die van het drijven op de golfslag van het leven.

Toen ik aan de ruwbouw van deze tekst werkte (zomer 2021), ontving ik een perfect getimede droom als volmaakte afsluiter van het groeiproces dat in Byzantium begon. Een droom zonder zware symboliek, maar doodgewoon en alledaags. Ook is de “3” weer aanwezig. Vijftig jaar nadat ik het antwoord schuldig bleef op de vraag wat de “Formule van Byzantium” betekent, wordt me in dezelfde leraar-leerling-setting opnieuw een belangrijke levensvraag voorgelegd.  Droom : “Ik zit achter een tafeltje in een klaslokaal. Er zijn nog enkele leerlingen aanwezig. Vooraan zit de Nederlandse zenleraar wijlen Maarten Houtman van de Tao Zen-school, waar ik in de jaren ’90 een tijdlang oefende (zie foto).  Hij draagt geen klassiek zen-habijt maar een gewoon pak, zit niet in lotushouding op een meditatiekussen op de grond, maar op een stoel, de benen informeel over elkaar geslagen. In zijn handen houdt hij geen wijsheidsboek, maar een exemplaar van een doordeweeks tijdschrift. In zijn zen-onderricht heeft hij het over drie schokkende actuele politieke gebeurtenissen, o.m. over de chaotische toestand in Afghanistan en de IS-zelfmoordaanslag aldaar. Plots richt Maarten zich tot mij met deze vraag: “Hoe zijn deze negatieve feiten in overeenstemming te brengen met de geest van zen?” Meteen begin ik een antwoord te bedenken : over dualiteit en non-dualiteit, en dat deze drie vreselijke gebeurtenissen, net als al het negatieve in de wereld, deel uitmaken van het Grote Geheel, het Ene, enz. Seconden verstrijken. Ik weet dat zo’n bedachte, geconstrueerde, filosofische of spirituele uitleg, hoewel inhoudelijk juist, toch fout is. Mijn antwoord moet immers  ‘zen’ zijn, d.w.z. spontaan, levend, kort, to the point, raak. Dan, plots, rollen deze woorden uit mijn mond: ‘Het zijn moet gezijnd worden’. Maarten knikt instemmend : dat is het juiste antwoord.”  

“Het zijn moet gezijnd worden”. Ik ga de Taalunie voorstellen om de vervoegingen van ‘zijn’ aan te passen. In plaats van “ik ben, jij bent, hij is, …” wordt het dan “ik zijn, jij zijnt, hij zijnt, wij zijn, jullie zijn, zij zijn”. Als we vervolgens alle persoonlijke voornaamwoorden laten vallen, Zijn we zonder meer. Dan Zijn we (bij) G*d.  Zijn is groter dan leven; het omvat het en vormt er de grond van. Het kleine leven moet geleefd en het Zijn moet gezijnd worden. Niet gedroomd of verdroomd. Niet louter bekeken, besnuffeld, betast, besproken, beluisterd, beschreven, bestudeerd, beoordeeld, begrepen. Voor de levensjaren die me nog resten hou ik dat “zijn” simpel. Voor mij geen Formule 1-race in de finale jacht naar de allerlaatste genietingen en ervaringen. Liever zing ik met één van mijn lievelingsrockbands uit de sixties, The Small Faces, en hun hit “My Mind’s Eye” : “I sit here every day, looking at the sky, ever wondering why, I dream my dreams away, and I’m living for today, in my mind’s eye”. Krishnamurti, één van de grote wijzen van de 20ste eeuw, zei:  “De politicus, de hogepriester, de fatsoenlijke zal altijd werken volgens een formule en anderen dwingen volgens die formule te leven; de dwazen zullen altijd door hun woorden, hun beloften, hun verwachtingen verblind worden. Elke godsdienst heeft zijn formule, om de goden te bereiken”. K heeft het hier over een ander soort formule dan die van Byzantium. Deze laatste impliceert geen dogma maar een open weten waaraan je je kan toevertrouwen. Een weten dat vóór de ervaring komt. Nu het einde van mijn trip in zicht komt, zie ik dat de ziel of het Zelf op elk moment overzicht hield over de levensweg die ik ging, van het beginloze begin tot het eindloze einde.  

Herman Meirhaeghe

POLAROID VAN DE VERRIJZENIS

Al vijftig jaar kom ik bijna elke week in boekhandel De Slegte om mijn portie dagelijks boekenbrood in te slaan.  Zo ook op 3 november 2011 – dag op dag zes jaar na mijn ayahuasca – ervaring met Jezus en dag op dag één jaar vóór mijn ervaring als lijdend voorwerp van “zinloos geweld” (zie ook op deze blog: “Op de thee met Jezus” en “Niet over rozen”).  Om mijn klantenkaart vol te krijgen kocht ik voor amper 3 euro een beduimeld Amerikaans paperbackje. Het zag er niet uit, maar het wou bij me zijn. Dit boekje van Brad & Sherry Steiger bevat een verzameling anekdotes en verhalen van gewone stervelingen die Jezus op enigerlei wijze ontmoet of ervaren hadden. Titel : “He walks with me, true encounters with Jesus”. Het prikkelde mijn nieuwsgierigheid vanwege mijn eigen ontmoeting met Jezus tijdens het ayahuasca-visioen waar ik het eerder al over had en dat ik niet als een hallucinatie, maar eveneens als een true encounter had ervaren. Hoofdstuk 7 van het boekje handelde over de Lijkwade van Turijn en de vraag of dit veelbesproken linnen doek werkelijk de afbeelding van Jezus draagt? Omdat het makkelijk hanteerbaar was, las ik dit pocketje in bed vóór het inslapen. Ik weet nog precies dat ik met een zekere stelligheid dacht : “Ik moet nu toch eindelijk eens onderzoeken hoe dat zit met die fameuze Lijkwade”.  Wat ik erover wist beperkte zich op dat moment tot wat ik in de media gelezen, gehoord en gezien had. Dat sommigen beweerden dat de Wade het doek was waarin de gekruisigde Jezus in het graf werd gelegd, wat anderen dan weer mordicus ontkenden. Zo is er de van de verfpot gerukte theorie dat Leonardo Da Vinci de schepper van de Wade is : hij zou de afbeelding op het doek geschilderd hebben. De Lijkwade werd echter al een eeuw eerder gesignaleerd in Frankijk. In 1988 wezen koolstof-14-tests uit dat ze uit de late middeleeuwen zou stammen, meer bepaald uit de tijd toen ze halfweg de 14de eeuw plots opdook in Lirey, Frankrijk, bij de adellijke familie de Charny, nadat ze tijdens de vierde kruistocht spoorloos was verdwenen uit de Kapel van H. Maria van Blachernae in Constantinopel. Dat was gebeurd bij de plundering van de Byzantijnse hoofdstad door de kruisridders in 1204.  Niet de “Moren” (moslims), maar de christelijke broeders uit Constantinopel, toen de rijkste stad van het westen, moesten eraan geloven… Menig adellijk geslacht legde met de buitgemaakte kostbaarheden de basis van haar fortuin. Die C-14 datering kwam toen in het tv-nieuws. Ik herinner me de persconferentie waarop drie wetenschappers met enige triomfalistische arrogantie hun resultaten presenteerden die, naar eigen zeggen, onomstotelijk uitwezen dat de Lijkwade middeleeuws menselijk maakwerk en dus een vervalsing was. Op een schoolbord achter hen stond de datering in krijt:  “1260-1390!”  Mét uitroepteken. Ook ik ging er toen vanuit dat daarmee alles gezegd was. Later zou blijken dat het met dit C14-onderzoek grondig fout was gegaan. Nieuwe testen kwamen tot heel andere bevindingen en bevestigden dat het doek wel degelijk uit de 1ste eeuw stamde. Zo zaaide de Wade twijfel bij deze twijfelaar die opheldering wou, zeker nu Jezus zo’n belangrijke plaats in mijn leven had ingenomen.     

Je kent inmiddels mijn tactiek. Na de lectuur van het boekje, startte ik een ware leesmarathon over de Lijkwade. Ik begon met de klassiekers van Ian Wilson en las vervolgens alles wat ik in het Nederlands te pakken kreeg. Ik bestelde belangrijke boeken in de USA en Engeland en plunderde ook de ongemeen rijke en door vele miljoenen bezoekers bezochte Shroud of Turin website (https://shroud.com/) van de aimabele Barrie Schwortz, onderzoeker van het eerste uur en wereldautoriteit inzake Wade. Al snel werd duidelijk dat de Wade het meest onderzochte archeologische object ter wereld is.  Zij werd door een waaier van wetenschappelijke disciplines onderzocht en alle – op dat ene omstreden C14-onderzoek uit 1988 na –  ondersteunen ze de authenticiteit van de Lijkwade. Wanneer er op tien onderzoeken negen in éénzelfde richting wijzen en één in een tegenovergestelde, betekent dat meestal dat er iets loos is met dat ene onderzoek. En zo was het ook. Het sample dat voor de eerste C14-tests was gebruikt, werd immers geknipt uit de meest ongeschikte plaats op de Wade, met name de plek waar ze gedurende de voorbije 20 eeuwen werd vastgehouden om ze te tonen aan het publiek, ze op te hangen, weer op te plooien, enz. Een zwaar gecontamineerd stukje stof dus. Bleek dat het staal afkomstig was van een door kloosterzusters verstelde slijtageplek, m.a.w. van een stukje linnen dat tijdens de middeleeuwen in het originele doek werd ingeweven. Dit stukje werd gedateerd tussen 1260 en 1390. Dit had het eerste C14 onderzoek ook correct uitgewezen, alleen ging het hier niet om een deel van de Lijkwade zelf, maar om een middeleeuws invoegsel.  Het grote publiek is er van overtuigd dat koolstofdatering onfeilbaar is, wat absoluut niet zo is. Daardoor blijft het idee hangen dat de Wade een middeleeuwse vervalsing is. Zo gaat het nu eenmaal bij fake news: een rechtzetting achteraf krijgt in de media altijd veel minder aandacht. Na het doornemen van een berg wetenschappelijke informatie – botanisch, genetisch, historisch, iconografisch, pictografisch, ambachtelijk, forensisch (Jezus  had bloedgroep AB, dezelfde bloedgroep die teruggevonden werd op het al even beroemde Sudarium van Oviedo, het zweetdoek dat op het gezicht van Jezus lag – werd de milde scepticus die ik was een echte believer van de authenticiteit van de Lijkwade.

Men zegt me soms: “Je hebt toch de Lijkwade niet nodig om te geloven dat Jezus echt bestaan heeft?” Neen, inderdaad niet, maar het helpt wel om van geloven weten te maken. Er zijn immers nog steeds legio rabiate ontkenners van de historiciteit van Jezus.  Mensen die dus volhouden dat Jezus nooit geleefd heeft, een fictief personage is waar naderhand een religie omheen werd opgetrokken. Alsof levende religies uitgedacht kunnen worden?!  Alsof een aantal mensen op een dag de koppen bij mekaar stak en zei : “Laten we vanavond eens een religie uitvinden en een personage verzinnen waaromheen alles zal draaien”. Absurd. Maar dit is een andere discussie. Dé vraag is hoe de afbeelding van de gekruisigde op de Wade is gekomen?  Multidisciplinair onderzoek wees uit dat de print op geen enkele ambachtelijke wijze is aangebracht. Er werden geen kleurpigmenten, geen penseelstreken of wat voor sporen van menselijke technieken aangetroffen. Zoals al eeuwenlang in de traditie wordt gezegd, is afbeelding “acheiropoetos”, wat betekent: “niet door mensenhanden gemaakt”. De afdruk ontstond evenmin door verkleuring van lichaamssappen. De vage afbeelding zoals wij die te zien krijgen, blijkt op een onverklaarbare wijze ook nog eens als een foto-negatief te fungeren. Dat is een uniek fenomeen  dat op geen enkele andere afbeelding – foto, schilderij, tekening – van toepassing is. Een ontwikkelde foto van het Lijkwade-negatief levert het gedetailleerde “positieve” beeld op van een gekruisigde man, zoals de Italiaanse fotograaf Secundo Pia in 1898 tot zijn verbijstering in zijn donkere kamer ontdekte, toen hij als allereerste foto’s van Lijkwade ontwikkelde. Onder zijn verbaasde ogen verscheen een “foto” van een dertiger, ongeveer 1 m 85 groot, met halflang haar en gevorkte baard, die alle zichtbare sporen draagt van wat hij de uren vóór zijn dood onderging, precies zoals het in de evangelies beschreven staat : de geseling en doornenkroning, gezwollen oogkassen en jukbeenderen en gebroken neus door de vuistslagen in zijn gezicht, schaafwonden aan de schouder door het dragen van het zware kruis, kneuzingen aan de knieën door het vallen onderweg naar Golgotha, de spijkerwonden in handen en voeten, de lanssteek in de borst. Het blijft tot op vandaag een compleet mysterie hoe de afbeelding op het doek verscheen. Waar de meeste onderzoekers het over eens zijn, is dat ze door een plotse intense “ontlading” of “straling” moet ontstaan zijn, toen het in de Wade gewikkelde dode lichaam van Jezus in een fractie van een seconde a.h.w.  dematerialiseerde, “oploste” en verdween. Daarom noemt men de Wade “een polaroid van de Verrijzenis”, een foto – en dus een tastbaar bewijs – van Jezus’ Opstanding uit de dood.   

In het evangelie van Johannes, die een ooggetuige was, lezen we hoe Maria Magdalena, als eerste, op zondagochtend het lege graf ontdekte en aan de andere leerlingen meldde “dat iemand het lichaam van de Heer had gestolen”. Daarop waren Petrus en Johannes naar het graf gerend om de situatie te bekijken. Johannes keek als eerste naar binnen in het lege graf en, zoals de Schrift zegt: “hij zag en geloofde”. Wat zag hij en wat geloofde hij? Dat het graf leeg was, betekende nog niet dat Jezus uit de dood was opgestaan, zoals Hij had voorspeld. Zijn lichaam kon inderdaad gestolen zijn, zoals de Magdaleense logischerwijze dacht. Dit is het tafereel dat Johannes zag : op de plek in het rotsgraf waar ze op vrijdag het in een linnen doek gewikkelde en gebonden dode lichaam van hun Meester hadden neergelegd, lag nu alleen nog de Wade en de bindwindsels. Het lichaam was dus uit de lijkwade én de bindbanden verdwenen. In hun haast zouden mogelijke dieven heel zeker het in de lijkwade gewikkelde, bebloede lichaam van Jezus mee gegrist hebben en het niet eerst uit het doek gehaald hebben, toch? Dat zou absurd zijn. Maar zo was het dus niet gegaan. Het lichaam was, van binnenuit, uit de Wade verdwenen.  Dat was blijkbaar met een dermate grote energie-ontlading gebeurd, dat het een gedetailleerde fotografische afdruk naliet van de voor- en rugzijde van de overledene. Na alles wat ik gelezen had over het wetenschappelijk onderzoek van de Lijkwade, kon ik alleen maar besluiten dat het op deze wijze moet gegaan zijn. Hier was dus geschied wat Hij voorzegd had : “Op de derde dag zal ik uit de dood verrijzen”. Blijkbaar was dit geen loze uitspraak of valse belofte, maar fact en geen fictie.

Vanuit deze mysterieuze Opstanding zag ik ook veel zaken die Jezus bij leven verricht had plots in een heel ander licht. Als Hij werkelijk uit de Lijkwade was verdwenen en uit de dood was opgestaan, dan kon ik al die andere wonderlijke daden van Hem niet langer afdoen als verzinsels of overdrijvingen van zijn enthousiaste fans die het imago van hun held tot in het absurde wilden verfraaien.  Als de Verrijzenis een feit is, waarom zou Hij dan ook niet al die andere paranormale en bovennatuurlijke dingen verricht kunnen hebben : wonderen, genezingen, voorspellingen, materialisaties, bilocatie, etc.  Ik ben opgevoed met het idee dat Jezus’ mirakels zo uitzonderlijk waren dat ze het impliciete bewijs vormen dat hij geen gewone sterveling was zoals jij en ik, maar “de zoon van God”, want alleen God kan dergelijke wonderen verrichten. Later kwam ik erachter dat soortgelijke sterke verhalen bekend zijn van Indiase yogi. Ook zij zijn in staat om de meest wonderlijke dingen te verrichten, ja, ook mensen uit de dood opwekken en zelfs de dood overleven. Lees er maar de klassieker op na van Paramahamsa Yogananda “Autobiografie van een Yogi”. Niet dat deze dingen in India alledaagse kost zijn, maar ze behoren daar gewoon tot hun cultuur. Net als die straffe oosterse yogi, moet Jezus op zijn minst een volledig gerealiseerd mens geweest zijn, een ontwaakte, een verlichte. Overigens zien ze in het Indiase hindoeïsme probleemloos Jezus als een verlicht yogi en avatar, d.w.z. een mens waarin God vlees is geworden, geïncarneerd is.  

Deze polaroid van de Verrijzenis deed me op een andere manier naar Jezus kijken. Ik kreeg een vollediger beeld van de man en hoefde niet langer die op het eerste gezicht irrationele dingen uit zijn leven te verwijderen of te negeren. We hebben immers de neiging om uit de evangelies datgene te kiezen wat ons het beste ligt of bij de tijdsgeest past en de ongemakkelijke stukken buiten beschouwing te laten.  Dat kan en dat mag. Elke tijd zal wel zijn eigen selectieve benadering kennen, maar zelf heb ik het daar moeilijk mee. Ik had altijd al het gevoel dat zo’n houding niet correct  is. Je selecteert bij je geliefde toch ook niet enkel die aspecten die je bevallen. Liefde omvat het totaalpakket. Kon ik naar eigen goeddunken zomaar passages uit de evangelies elimineren die niet in mijn santeboetiek en denk(k)raam pasten? Ik realiseerde me dat met het arbitrair deleten van alles wat niet “Woord” was – mirakels, exorcismen, genezingen, voorspellingen, verschijningen, materialisaties – ik  de helft van wat de evangelies vertelden schrapte.  Zo bleef alleen een puur humanistische Jezus over, die zeer de moeite waard is maar die toch ook erg onvolledig.  Die bovennatuurlijke, vaak ronduit paranormale gebeurtenissen aanvaarden, was geen makkelijke opdracht, vooral niet wat zijn Opstanding uit de dood betreft. Tot op dat moment had ik Jezus enkel gezien als een groot wijsheidsleraar, genre Boeddha of Socrates. Dat betekende dat ik vooral zijn woorden, zijn parabels, zijn boodschap kon smaken. Al die wonderen waar de evangelies van bulken, ik kon er weinig mee. Laat staan met zijn Verrijzenis en Hemelvaart. Dat leken me eerder elementen met een rijke symbolische betekenis weliswaar, maar fictieve gebeurtenissen die aan het verhaal werden toegevoegd om aan zijn persoonlijkheid het halo van goddelijkheid te geven. De biografie van Jezus hield voor mij dan ook op bij zijn kruisdood en graflegging op Goede Vrijdag. Wat daarna volgde – Pasen en Zijn Verrijzenis, zijn post-mortale verschijningen, Pinksteren, Hemelvaart – liet ik over aan de “echte” gelovigen, voor wie deze zaken overigens de kern en de basis van hun geloof uitmaken. De Heilige Wade leerde me de figuur van Jezus  dus in haar totaliteit te zien : als mensenzoon, godszoon, wijsheidsleraar, genezer, exorcist, profeet, wonderdoener, etc. De authenticiteit van de Lijkwade als tastbaar teken van zijn Opstanding wijst er volgens mij ook op dat de evangelisten geen fictie schreven, maar feiten vastlegden, weliswaar gekleurd en op veel punten incorrect zoals alle verslagen van ooggetuigen, maar toch wezenlijk en in de geest juist.  Toen ik, na zoveel jaren, de vier evangelies met nieuwe ogen herlas, trof me de frisheid en de waarachtigheid die er na 2000 jaar nog altijd van afspatten. En vandaag zie ik al die wonderlijke daden van Hem als concrete toepassingen van Zijn boodschap, als daden die Hij bij zijn Woorden van Liefde voegde. Al heel lang zoeken historici naar een verklaring voor de plotse, explosieve groei van het christendom tijdens de eerste eeuwen na Christus.  Als het wonder van de Opstanding verworpen wordt, wat zelfs de meeste gelovigen vandaag de dag doen, wat is dan de reden dat zovelen zich bekeerden tot een religie waarvan de volgelingen door de Romeinse overheid zo streng werden vervolgd en waarvan de spilfiguur een “loser” was die een schandelijke dood aan het kruis stierf? Volgens mij is dat te danken of te wijten aan Jezus’ Opstanding en het materieel bewijs ervan.

Vind je het ook vreemd dat christenen als belangrijkste symbool van hun religie kozen voor het weinig uitnodigende beeld van een dode man aan een kruis. Een permanente confrontatie met onnoemelijk lijden en sterven, wie wil dat nou? Elk reclamebureau zou dit een blunder van formaat noemen. Zo voer je geen wervende promotiecampagne voor je zaak. Waarom dan toch dit beeld?  Omdat het verwijst naar iets buitengewoons. Vanaf de Oudheid tot in de 19de eeuw vormt de afbeelding van Jezus op de Wade immers de enige “foto” van een mens. Ik denk dat Jezus’ Verrijzenis uit de dood die vreemde keuze voor het symbool van het kruis bepaalde. De Heilige Wade als symbool is natuurlijk veel moeilijker voor te stellen in een eenvoudig aanschouwelijk beeld zoals een kruis dat is. Pas enkele eeuwen na Zijn dood kreeg Jezus een gezicht: dat zo herkenbare gelaat dat er tot op vandaag in al de voorstellingen grotendeels hetzelfde uitziet.  Hoe kan dat? Er bestond toch geen portret van Hem? Dat was er wel degelijk. Het gezicht van Jezus van de lijkwade stond immers model voor de eerste – zoals dat van de Jezus Pantocrator in de Aya Sofia in Constantinopel – en alle daarop volgende portretten van Hem. Vanaf dat moment zien we de typische Jezus : lang haar met scheiding midden het voorhoofd, grote ogen, lange neus, snor en gevorkte baard. De hippielook van de jeugd uit de jaren ‘60. Het verbaast me dat er in kerken, kapellen en abdijen haast geen afbeeldingen te vinden zijn van de Wade of van Jezus’ ware gezicht. Toch zeer eigenaardig dat een zo volstrekt uniek object in de wereldgeschiedenis zo weinig aandacht krijgt in religieuze gebouwen. Twijfelt men ook in de kerk nog altijd aan de authenticiteit ervan? Vooroordeel of gebrek aan informatie of kennis? Ondanks de overdonderende bewijskracht van de echtheid, blijft de scepsis bestaan. Ik denk dat dit enkel en alleen zo is, omdat het om Jezus gaat. Ik ben ervan overtuigd dat onze seculiere wereld en wetenschap veel minder moeite zou hebben met een gelijksoortige “polaroid” van farao Thoetmosis, van Plato, Julius Caesar of Karel de Grote. Maar Jezus? Ho maar ! Jezus blijft immers een struikelsteen des aanstoots. In 1888 schreef Nietzsche in zijn boek “De Antichrist”: “Het is tegenwoordig onbehoorlijk om christen te zijn”. Dat is het nog steeds, zeker in het Westelijk halfrond.

Wat ik tot hier toe over de Wade schreef, kan de indruk wekken van een louter intellectuele benadering. Dat is het óók, maar veel meer nog is het een zaak van het hart. Mijn nieuw verworven kennis injecteerde ik in mijn spirituele praktijk. De Wade gaf Jezus persoonlijke trekken.  Ik kon er een gezicht opplakken, zoals men gemeenzaam zegt. Daardoor werd mijn band met Hem veel intiemer.  Bij gebed en meditatie richt ik me nu tot een man van vlees en bloed, een ware zoon des mensen. Het viel mij op dat de comeback van Jezus in mijn leven via de twee visioenen en de Wade, zich aanvankelijk grotendeels afspeelde rond Jezus’ lijden en dood, niet rond zijn wonderlijke woorden en daden. Dat verbaasde me, want eertijds vond ik dat er teveel nadruk werd gelegd op de eerste aspecten, daar waar het volgens mij toch vooral om Zijn Goede Boodschap ging. Altijd al keek ik met kritische blik naar het geëxalteerd christelijk dolorisme van sommigen, dat lijden als een hoge morele en religieuze waarde op zich beschouwt. Het verheerlijken van de martelgang van Jezus en zwelgen in lijden en pijn vond ik eerder een psychologische afwijking dan een mystiek beleven, en nu dit… Was ik op weg om zelf een “dolorist” te worden? Neen. Mijn ontzag en respect voor de Wade is geen vorm van dolorisme. De relikwie maakte eerder van Jezus een mens van vlees en bloed en dus herkenbaar, benaderbaar en bereikbaar.  Toen mijn jongste zoon en schoondochter, die weet hebben van mijn liefde voor de Wade, op vakantie waren in Italië, maakten ze een ommetje naar Turijn.  Daar kochten ze voor mij verschillende afbeeldingen van de Wade, o.m. een poster op ware grootte van het gezicht van Jezus.  Die liet ik inkaderen en hing ‘m aan de muur van mijn meditatiekamer. Ook de vele afbeeldingen die ik van het internet plukte kregen een functie in mijn beoefening.  In de devotionele praktijk die ik spontaan ontwikkelde neemt de  Wade een belangrijke plaats in. Het bhakti-pad of pad van devotie was nooit mijn ding, maar daar kwam nu verandering in.  Ik maakte er gebeden en schreef er haiku’s over, brandde kaarsen en wierook, offerde Hem de hartjes die ik op straat vond. Ik ontwikkelde zelfs een nieuwe “bhaktische” meditatiemethode – Rabbi Jezus Yoga – die ik via deze blog aan wereld aanbied. Met deze nieuwe ontwikkelingen voelde ik me overigens in goed gezelschap, want mystici zoals Carolus Borromeus, François de Sales, Ignatius van Loyola, Jeanne de Chantal en Thérèse van Lisieux koesterden evenzeer een grote verering voor de Lijkwade Wade die “het vijfde evangelie” wordt genoemd.

Het kon geen toeval zijn dat er zich rond mijn Golgotha-ervaringen, waarover ik het eerder al had, een sterk betekenisvol toeval voordeed. Dit manifesteerde zich via mijn levenslange interesse voor mijn voorouderlijke geschiedenis. Als stambewaarder van het geslacht Van Meirhaeghe deed ik gedurende 40 jaar research naar onze roots (zie ook “Van de Meermin en de Magische Keien” elders op deze blog). In 2010 was mijn onderzoek afgerond en legde ik de laatste hand aan de voorbereiding van de publicatie van “Het Geslacht Van Meirhaeghe, Acht eeuwen familiegeschiedenis”, mijn levenswerk. Op de vallende reep deed ik nog een unieke vondst. Ik werd getipt dat bij het bekende Veilinghuis Bernaerts in Antwerpen een mij onbekend beschilderd rouwpaneel ter veiling werd aangeboden. Titel van het werk, dat dateerde van omstreeks 1745: “De familie Van Merhaege bij Christus bij het kruis”. (Zie illustratie). Op dat schilderij, dat ooit boven hun graf in de kerk van onze bakermat Wortegem hing, stonden mijn voorouders afgebeeld. Rechts van de gekruisigde, als een “stabat mater”, staat Janneke Van Meirhaeghe. Links van het kruis: haar echtgenoot, naamgenoot en achterneef, tevens koster, Joos Van Meirhaeghe, hun jong gestorven zoon Joos Van Meirhaeghe en hun zoon-koster Arent Van Meirhaeghe. Helaas ontglipte het familiestuk mij nog in extremis. Ik kon immers niet op de veiling aanwezig zijn om het te  kopen omdat ik net toen wegens hartfalen zelf een kleine kruisweg moest gaan. Deze onverwachte aandoening kaderde immers in een hele reeks moeilijke lotgevallen in de aanloop naar een niet rimpelloze oude dag waar ik over schreef  in “Niet over Rozen” (zie elders op deze blog).Kameelsgewijs kroop ik toen door het oog van de naald. Het scheelde geen haar of het antieke rouwpaneel kon boven mijn graf opgehangen worden, in afwachting van de Opstanding, met of zonder polaroid…

Herman Meirhaeghe

Boekentips Lijkwade

Er is onnoemelijk veel gepubliceerd over de Lijkwade van Turijn. Hierbij enkele degelijke boeken die de vele aspecten van het onderzoek behandelen.

“De lijkwade van Turijn” en “Het bloed en de Lijkwade”, van Ian Wilson. Fascinerende verslagen van een wetenschappelijke speurtocht.

“Ik ben de Lijkwade” van Jacques Anquetil. Dit boek is anders dan alle voorgaande literatuur over de Lijkwade. Het vertelt de geschiedenis van de Lijkwade door de Lijkwade zelf aan het woord te laten en haar eigen levensverhaal te laten vertellen.

“Het Teken – De lijkwade van Turijn en het mysterie van de Opstanding”, van Thomas de Wesselow. Ook dit boek biedt een mooi overzicht van de erg avontuurlijke tocht die de Heilige Wade maakte van Jeruzalem tot bij ons.

OP DE THEE MET JEZUS

“And the people who gain the world and lose their soul”

George Harrison

Het pad van meditatie, dat ik al meer dan drie decennia ga, maakt deel uit van de zogenaamde spirituele zoektocht, van de Weg. De Boeddhaweg en die van Jezus. Hoofdwegen, zijwegen, dwaalwegen, rechte, slinkse en kronkelwegen, sluipwegen, snelwegen, trage wegen, binnenwegen en omwegen, geplaveide en modderige wegen, gebaande en overwoekerde wegen, brede, smalle, doodlopende wegen, ik ben ze allemaal gegaan en allemaal maken ze uiteindelijk deel uit van de Ene Weg. Alle heirwegen mochten dan al naar Rome leiden, er is niet één godverlaten of door de duivel vergeten weggetje dat wegleidt van de Weg.  Mijn Weg omvat dus vele paden, zoals reeds bleek, ook mijn dwaalwegen naar Jezus. Ben ik dan toch een zoeker? Wat is een zoeker? Wat zoekt de zoeker? Er schuilt iets paradoxaals in dat begrip. Als je op zoek gaat naar diamanten, weet je vooraf al wat je zoekt, zo niet dan kom je met kiezelsteentjes naar huis. Wat dan met wie zoekt naar God of Waarheid? Logischerwijze moet hij (zij) ook weet hebben van God en Waarheid, anders zou hij niet weten waarnaar hij zoekt. De zoeker is dus al vertrouwd of heeft weet van wat gezocht wordt. Waarom zoekt hij dan nog? Ik zeg altijd van mezelf dat ik een vinder ben, geen zoeker, maar is dat wel zo? Hoe dan ook, de vind- of zoektocht naar Jezus, waar ik het in “Een dosis gnosis” over had, ging verder.

Als schrijven verzilverd spreken is, dan is zwijgen spreken met een gulden tong en een mond vol gouden tanden. Een Johannes Chrysostomos of Sint-Jan Guldenmond ben ik echter niet, wél een stilteminnaar. En dat niet alleen omwille van mijn hypersensitieve zintuigen die snel overprikkeld raken en geen lawaai en drukte verdragen. (Was ik in een vorig leven een Groot Lawijt en is het nu payback time?). Stilte nodigt immers uit tot contemplatie of, met een mooier woord: mijmering. Mijmeren is denken zonder nadenker. Je oor te luisteren leggen aan de fluisterlippen van je ziel. Ik hou van musea, bibliotheken, archiefzalen, kloosters, meditatieruimtes. Ze bewaren niet alleen kunstschatten, kennis en erfgoed, maar ook het inmiddels zeldzame kleinood ‘stilte’. Alhoewel dat laatste steeds minder het geval is. Ook deze plekken van rust worden almaar meer ontmoetingsplaatsen waar van alles georganiseerd wordt en waar de stilte zich zwijgend terugtrekt in de schilderijen, de boeken, de perkamenten, de muren. Ik hou van kerken, in zoverre hun gewelven niet galmen van toeristisch tumult. Als ze al niet een herbestemming kregen als buurthuis of shopping center. Dat ik vanaf vroege jaren 1970 geen pratikerende katholiek meer was, belette me niet om regelmatig een kerk binnen te stappen, hier in Gent uiteraard, maar ook in Brussel waar ik veertig jaar als ambtenaar in het Beleidsdomein Onderwijs werkte. Dat deed ik niet uit nostalgie of omwille van de kunstschatten, maar om de werkstress en de stadsdrukte in te ruilen voor enige verpozende verstilling. Zo trok ik tijdens de ministeriële middagpauzes regelmatig naar het immer rustige Begijnhofplein, waar ik twee huizen van stilte bezocht: het verrukkelijke antiquariaatsboekenwinkeltje “Het Ivoren Aapje” en de Sint-Jan-Baptist-ten-Begijnhofkerk, die een paar jaar later regelmatig in het nieuws kwam vanwege de acties van pastoor Alliet en zijn medewerkers voor de opvang van Sans-Papiers. Toen mijn vader voorjaar 2003 dodelijk ziek werd, kwam ik er wekelijks een paar keer om hem vanop afstand gezelschap te houden en te mijmeren over zijn lijdensweg en nakende dood, over het rouwverdriet dat ik bij voorbaat al voelde en over onze vader-zoon-relatie.

Met mijn vader had ik een complexe verhouding. In mijn kinderjaren was hij een voor die tijd    – jaren 1950 – begin jaren ’60 – een uitzonderlijk betrokken papa die inspeelde op mijn (en zijn) interesse voor taal en geschiedenis en me stimuleerde op velerlei vlak. Nooit een pedagogische tik gekregen, daar waar bij vriendjes thuis nog de martinet – een stok met lederen riempjes – als strafwerktuig gehanteerd werd. Ik had een opperbeste verstandhouding met mijn interessante papa die ik mateloos bewonderde. Daar kwam verandering in toen ik als adolescent een eigen mening ontwikkelde en een eigen weg begon te gaan. Mijn tienerjaren vielen samen met de roerige “sixties” en dat zou hij geweten hebben. De spirit van toen voer in mij : het vrijheidsideaal, het contesteren van alle gezag en oude waarden, de milde anarchie van het “langharig werkschuw tuig”. De paden die ik bewandelde ontbraken op de denkbeeldige wegenkaart die hij voor mij had uitgetekend. We hadden heftige meningsverschillen en felle ideologische conflicten, hij als Vlaamsgezind katholiek, ik als linkse revolutiepredikant. Ik ontgoochelde hem danig in de maatschappelijke en beroepsmatige verwachtingen die hij in zijn enige zoon koesterde. Geld, status, carrière, het interesseerde me niet echt – en nog altijd niet. Mijn materiële ambities beperkten zich tot genoeg verdienen om mijn gezin een redelijk zorgeloos en comfortabel leven te waarborgen.  Niet meer maar ook niet minder. Mijn persoonlijke behoeften beperk(t)en zich tot de wekelijkse aankoop van een paar boeken en het deelnemen aan stilte-retraites. De wegen van de wereld zegden me niets. Aanvankelijk ging mijn aandacht naar politieke, maatschappelijke verandering, later volledig naar het innerlijke pad. Vader kreeg veel te slikken van zijn zoon, maar toen ik met zen-meditatie begon bleef dit als een dwarsige visgraat in zijn keel steken. Dat kreeg hij niet doorgeslikt. Toen ik hem ook nog eens als kaalgeschoren zen-boeddhistisch monnik onder ogen kwam, stond het voor hem vast : ik was het slachtoffer van valse profeten en blindelings in de klauwen van een oosterse sekte beland. (Illustratie: rakusu: kledingstuk dat door zen-boeddhisten wordt gedragen die de  geloften hebben afgelegd en de wijding ontvangen)

Op Pasen 1992, een paar weken na mijn wijding, schreef hij me een melodramatische, niet van emotionele chantage gespeende brief van acht bladzijden. En schrijven kon ie. Ooit werd hij immers als “veelbelovende jonge dichter” omschreven. Dat had hij niet waargemaakt, maar het schrijven was hij niet verleerd. In die brief sprak hij zijn ontgoocheling, zijn bezorgdheid en zijn ongenoegen uit over mijn manier van leven en mijn levensfilosofie en wees me scherp terecht. Deze twee zinnen vatten het pijnlijk goed samen: “Ik kom alleen tot de conclusie dat ik totaal mislukt ben als vader én als opvoeder. Maar was er ooit een gewilliger leermeester met een onwilliger leerling?”  Nu was het mijn beurt om te slikken en me te verslikken. In mijn evolutie en de levenskeuzes die ik gemaakt had, zag ik net het bewijs van het tegendeel van wat hij beweerde: dat hij als opvoeder en vader met glans geslaagd was! Hij had me immers opgevoed in openheid en verdraagzaamheid, waarden die ik ook aan mijn kinderen doorgaf. Als ouders hebben we allemaal wel eens gedacht dat we als opvoeder “mislukt zijn”, maar dat ook met scherpe woorden je kinderen onder de neus wrijven en aanrekenen is een ander paar broekspijpen. De vraag is of een vader wel een leermeester moet zijn? Dat ik, ondanks mijn daaropvolgende slapeloze nachten, niet in de verdediging ging en hem niet van antwoord diende, was één van de eerste en meest opvallende vruchten van mijn zen-meditatiepraktijk. Vanaf dat moment reageerde ik, op aanraden van mijn zenleraar, nooit meer op zijn kritische opmerkingen. Op vaders scherpe woorden volgde geen wederwoord meer en zo werd debrandstoftoevoer voor een mogelijk conflict aan één kant afgesloten, met goed gevolg. Een paar jaar later zei hij spontaan dat “dat ding wat ik deed” – zenmeditatie dus – “toch wel goed was, want dat het mij ten goede had veranderd”. Hij bedoelde daarmee dat het onze getroebleerde relatie sterk had verbeterd.  Toen hij die brief schreef was hij 73, ik 43. Nu ik zelf 73 ben kan ik alleen maar begrip opbrengen en vooral dankbaar zijn voor mijn zorgeloze kindertijd waar de basis gelegd werd voor wie ik later werd.  Tijdens zijn laatste levensjaren waren we weer in harmonie. Dat nam niet weg dat het rouwproces, vooral omwille van die vele jaren van wederzijds onbegrip, heftig was. In zijn fameuze paasbrief schreef hij ook nog : “Niet Boeddha, maar Jezus is de weg”. Hij heeft het nooit meer meegemaakt dat ik toch nog de Weg van Jezus ging. Daar zou hij erg blij om geweest zijn, misschien wel getriomfeerd hebben om zijn groot gelijk, tenzij hij te weten zou komen op welke wijze dat gebeurde : door een toch wel heel speciaal soort theekransje met Jezus, waarover zo meteen meer.

In de Brusselse Begijnhofkerk stond ik niet alleen stil bij vaders overlijden, maar ook bij mijn eigen eindigheid. Mijn ogenblik haperde steevast aan een gebeiteld opschrift op één van de grafmonumenten aldaar: “HODIE MIHI, CRAS TIBI” : “Vandaag aan mij, morgen aan jij”. Die gedachte droeg ik mee en herhaalde ik regelmatig als een mantra. Ik mediteerde er telkens een kwartiertje in de “Interreligieuze Kapel”, maar vertoefde vooral bij de “Man van Smarten” in een donkere zijbeuk wat verderop. Toen ik dat levensgroot beeld van “Jezus op de koude steen” ontdekte, trof het mij van bij de eerste aanblik diep in mijn hart. Ik voelde een levend contact met Hem, “i shin den shin” zoals ze in de zen zeggen, “van hart/geest tot hart/geest.” Niet voor niets wordt de beeltenis van “Jezus op de koude steen” gelijkgesteld aan de Man van Smarten. Gezeten op een stenen sokkel, naakt, de handen samengebonden, doornen nepkoningskroon op het hoofd gedrukt, lichaam bedekt met de wonden van de geseling, een purperen mantel van echt fluweel om de schouders gegooid. Moederziel alleen zit Jezus op die koude steen te wachten tot zijn beulen Hem naar de Golgotha zullen drijven.  Denkt hij aan de nakende kruisiging, die meest verachtelijke en pijnlijke van alle executiemethodes? Of overdenkt Hij het failliet van zijn missie? Hij, de gekroonde en bemantelde schertskoning zonder Beloofd Land en zonder Uitverkoren Volk die een week eerder nog in Jeruzalem enthousiast door het klootjesvolk werd binnengehaald en toegejuicht. Ik kwam telkens terug naar de Begijnhofkerk voor dít beeld dat me zo trof door de desolate aanblik van de Mensenzoon. In die schemerige verloren hoek van de kerk leek Hij ook hier door god en iedereen verlaten. Ik waakte daar dan een tijdlang met hem, vaak in tranen, en streelde zijn kille voeten met de daarin verwerkte relikwie. Geen beeld drukte voor mij treffender uit wat “Man van Smarten” betekent.  Op een dag waren zijn purperen koningsmantel en de relikwie verwijderd of gestolen. Had een asielzoeker die mantel, waar de Romeinse soldaten om hadden gedobbeld aan de voet van Zijn kruis, geleend als deken tegen de kou in het kampement van het Maximiliaanpark enige straten verderop, waar de vluchtelingen toen in mensonwaardige omstandigheden verbleven? 

Na het overlijden van vader in de zengende zomer van datzelfde 2003 volgde het rouwproces, de zorg voor moeder en de slopende zeer gecompliceerde afwikkeling van de nalatenschap waar ik als enige zoon, zonder enig talent voor fiscale, notariële en bancaire zaken, alleen voor stond. Ik zeg altijd dat het me vijf jaar van mijn leven kostte om alles rond te krijgen. Begin november 2005 nam ik deel aan een bewustzijnsverruimende driedaagse waar, in een spirituele rituele setting, samen met enkele andere deelnemers, de hallucinogene thee ayahuasca werd gedronken. Daarmee wou ik het intense rouwen om vader en de administratieve calvarie op zinvolle wijze afronden. Veel méér dan persoonlijke rouwtherapie, werd het één van de meest indringende ervaringen van mijn leven. Het zou, na de kennismaking met de gnostiek (zie vorige blog-tekst : Een dosis gnosis), de volgende ongewone stapsteen zijn op weg naar Jezus.  Eén en ander gebeurde onder het toeziend oog van M., de vrouwelijke sjamaan bij wie ik eerder al inipi uitzweette en die in 1996 mijn vision quest begeleidde (zie ook “Hartvinder” elders op deze blog). M. was in Peru geïnitieerd door inheemse sjamanen en had zich o.m. bekwaamd in het gebruik van de psychedelische drank ayahuasca.  Ayahuasca is afkomstig uit de taal van de Quechua en betekent “slingerplant van de ziel”. In het Queshua betekent aya : geest, dode, voorvader of ziel; huasca betekent touw of liaan, naar de lianensoort Banisteriopsis caapi, hoofdbestanddeel van het brouwsel (zie hoger illustratie). Gedurende drie opeenvolgende nachten dronken we de heilige thee die door de Zuid-Amerikaanse oorspronkelijke bewoners sedert de oertijd wordt bereid van twee lianen uit het Amazonewoud. Ayahuasca heeft niet alleen een zuiverend effect op het lichaam – wat gepaard gaat met hevig braken en diarree – je kotst en spettert werkelijk je darmen uit je lijf – maar heeft ook een ongemeen sterke therapeutische en bewustzijnsverruimende werking. Het wordt gebruikt in religieuze ceremonieën en bij sjamanistische  healings. In mijn wilde jaren rookte ik een enkele keer een jointje of dronk ik een aftreksel van de peyote cactus, maar ook niet meer dan dat. Altijd een gezonde terughoudendheid gekoesterd tegenover “drugs” en als ik die al zou gebruiken, dan zeker niet als consument of voor de kick, maar onder begeleiding en met een welbepaald psycho-spiritueel doel. Er bestaat trouwens een Braziliaanse en ook in Nederland officieel erkende christelijke Santo Daime kerk – “daime” is ander woord voor ayahuasca – waar het drinken van de heilige thee wordt gebruikt als sacrament. Als ik het goed heb was die kerk ooit ook in Gent actief.

Aan mijn driedaagse gingen weken van vasten vooraf, waarin ik me moest onthouden van lekkere dingen des levens zoals koffie, alcohol, zoetigheden, vlees en seks. De typische voorbereiding op spirituele initiaties. Het bruine, modderige, bittere, walgelijke brouwsel werd telkens ’s avonds rond 20 u gedronken en de werking duurde tot de vroege ochtend. Kort nadat ik ging liggen – ik kon trouwens nauwelijks op mijn benen staan en moest door de begeleidsters naar buiten gesleept worden om mijn maag en darmen te ledigen op de mesthoop – begon een urenlange snelle opeenvolging van visioenen. Een “trip” is een te banaal en te oneerbiedig woord voor de zielenreizen die ik maakte. Tijdens die drie nachten werd ik bezocht door een reeks buitenzintuigelijke en paranormale ervaringen van allerlei aard waarvan ik, voor zover ik het allemaal kon bijhouden, achteraf uitgebreid verslag deed in mijn dagboeken. Waar ik voor gekomen was, gebeurde al in de eerste nacht. Ik beleefde aan en in den lijve tot in de kleinste details ervaringen en scenes uit het stervensproces en het  zieltogen van mijn vader, waar ik getuige van was geweest. Ik had sterk het gevoel dat zijn geest mij in bezit had genomen, wat een angstaanjagende gedachte was. Ik vreesde hem nooit meer van me af te kunnen schudden, maar plots was de “bezetenheid” voorbij. Verwerkt, verlost, blijkbaar. Bevrijd ook, want het kan geen toeval zijn dat ik vanaf die dag op volle kracht begon te publiceren in geschiedkundige en spirituele jaarboeken en tijdschriften. Zelfsabotage is misschien te sterk uitgedrukt, maar met terugwerkende kracht zag ik dat ik me decennia lang onbewust had ingehouden om vader niet te overvleugelen, zowel op studie- en professioneel vlak als wat betreft mijn drive om te schrijven.

De thee opende mijn geestesoog voor taferelen uit vorige incarnaties en toekomstige levens. Ik bezocht futuristische werelden op verre planeten in andere sterrenstelsels. In het vlees van mijn lichaam herbeleefde ik traumatische voorvallen uit mijn jeugd, o.m. de vuistslag die een priester-leraar me in het volle gezicht gaf toen ik 14 jaar was : in een paar ogenblikken voelde ik mijn puberwang weer opzwellen en ontzwellen. De pijn die meer dan 40 jaar zat opgeslagen in mijn weefsels loste zienderogen op.  Er waren ook eindeloze, caleidoscopisch wentelende geometrische patronen in betoverende fluorescerende kleuren. Ik beleefde buitenlichamelijke ervaringen, uittredingen en bilocatie of op twee plaatsen tegelijk zijn. Zo werd mijn vrouw, die dertig kilometer verder thuis in bed lag te slapen, plots wakker en zag me levensecht naast het bed over haar heen gebogen staan. Het realiteitsgehalte was zo hoog dat ze zich half oprichtte en verbaasd en luidop vroeg: “Herman, zijt gij zo vroeg weeral thuis?” Dan weer was ik een banneling op een onbewoonde barre planeet in een verre uithoek van het universum. Ik zat er gevangen in een obsederende loop waar ik niet uit kon ontsnappen, veroordeeld om ten eeuwigen dage zinloze gedachtenrondjes te moeten draaien. Voor eeuwig vervloekt, naar mijn gevoel. Dat wekte in mij ongemeen grote angst voor psychotische waanzin. Ik was ervan overtuigd dat ik alleen door te sterven uit deze hel van eenzaamheid kon ontsnappen. In gedachten nam ik afscheid van mijn geliefden thuis en bereidde me voor op een verlossende dood. Later schreef ik in mijn dagboek : “Nu pas wéét ik wat bedoeld wordt met een abstract en zo vaak ijdel gebruikt concept als “existentiële eenzaamheid”. Pas nu weet ik écht wat waanzin betekent. Eenzaamheid en waanzin zijn het grootste lijden. Liever niet-zijn dan deze ondraaglijke zielenpijn. Deze ervaringen leverden me blijvende diepe empathie op met vereenzaamden en met medemensen die tot de planeet waanzin veroordeeld zijn.  Mijn sterven werd meteen gevolgd door wedergeboorte. Vanuit een alles overziend bewustzijnsperspectief – het Zelf – zag ik mijn dode lichaam onder een verschroeiende zon op de uitgedroogde en gebarsten aarde liggen. De ontbinding voltrok zich in een razend tempo, zoals je soms ziet in versneld afgespeelde natuurfilms. Mijn vlees smolt weg, mijn stoffelijk overschot verschrompelde en viel uiteen tot de allerlaatste moleculen van mijn gebleekt skelet in de aarde verdwenen en er geen spoor van mezelf achterbleef. Alsof ik nooit had bestaan… Meteen daarna werd ik door een smalle schacht geperst. Vóór mij, aan het einde van die tunnel, lokte Licht me naar zich toe. Ik floepte uit het geboortekanaal naar buiten en lag van aangezicht tot aangezicht met … mezelf als pasgeborene.  Ik keek mij in de ogen en herkende mezelf meteen van de foto’s die vader daags na mijn geboorte in 1949 genomen had. Een blijde uitroep van verbazing ontsnapte me : “Hermantje !?”

Maar van al het wonderbaarlijke wat dat weekend voor mijn geestesoog voorbijtrok, overtrof één visioen alle andere. Er dook iemand op waar ik totaal niet op voorzien was. Vooraf had ik immers gedacht vooral archetypische wezens en entiteiten uit het exotisch sjamanistisch universum te zien opduiken waarover ik in de betreffende literatuur gelezen had, maar wie ik daar absoluut niet op de thee verwachtte was… Jezus van Nazareth ! Ik citeer uit mijn dagboek: “Plots sta ik tussen de toeschouwers aan de kant van het pad dat naar de top van Golgotha leidt.  Op dat pad strompelt Jezus, gebukt onder het kruis op zijn schouders. Onderweg naar zijn executie. Ter hoogte van de plek waar ik sta stopt Hij, wendt het hoofd opzij, zoekt me tussen het publiek, vindt me en kijkt me onpeilbaar diep in de ogen.  Een onthutsend moment. Eén stilzwijgende, alleszeggende blik, want geen woord wordt gewisseld. Tussen Hem en mij voltrekt zich een woordloze overdracht.  In Zijn ogen zie ik, tegelijk, het lijden van heel de schepping, van alle tijden en plaatsen en van alle mogelijke universa én het verdriet omwille van de grote onwetendheid van de mensheid, wat betreft de oorzaken van het leed dat door de mens veroorzaakt wordt.  Ik weet dat de triestheid in Zijn ogen niets te maken heeft met Zijn persoonlijk lijden, met dat wat hem hier concreet wordt aangedaan, met zijn kruisiging.  Dat is een verpletterend inzicht.  De totale onbelangrijkheid van het persoonlijke verhaal, tegenover het Allesomvattende Mededogen met de verblinde mensheid. Die blik van Jezus zegt me, bijna verontschuldigend, maar toch indroef: “Ze weten niet wat ze doen”. Dan voltrekt zich een plotse omkering : ik ben Hém en Hij is mij ! Jezus staat nu tussen het publiek als toeschouwer en ik ben het die met het kruis op mijn schouders Golgotha beklim….”  

Tot nu deelde ik dit verhaal, dat een beslissende impact had op mijn verdere spiritueel leven, alleen met een paar intimi. Dit waren zo’n intieme en heilige ervaringen dat ik ze liever voor mezelf hield.  Er teveel over praten zou ze ontheiligen. Nu doe ik het toch. Telkens ik dit deelde, werd ik door emoties overmand – tranen, huiveringen, trillende stem – zelfs vijftien jaar na datum. Ook terwijl ik dit schrijf vullen tranen mijn ogen. Ontroering is voor mij het waarmerk van echtheid. Dit was niet zomaar een hallucinatie of een waanvoorstelling van mijn overkokend brein, maar een levensechte gebeurtenis, zij het in een andere werkelijkheid. Sedert die dag verpoos ik bij kerkbezoek altijd even bij de zevende statie van de Kruisweg, waar Jezus ook even stopt en het hoofd wendt om zich troostend én vermanend tot de vrouwen van Jeruzalem te richten. Ik herken me ook in Simon van Cyrene die onder dwang Jezus’ kruis hielp dragen. Door de persoonsverwisseling in het visioen voltrok zich een volledige identificatie met Jezus. Daardoor gaf ik, buiten mijn bewuste wil om, gevolg aan Jezus’ oproep: “Neem uw kruis op en volg mij”. Voor mij wordt met dat “kruis” niet  alleen het aanvaarden van de zogenaamde “lasten van het leven” bedoeld, alsook de bereidheid om te sterven aan mezelf, als voorwaarde om Jezus te kunnen volgen. Sterven aan mezelf is me volledig overgeven aan Hem. Zonder verklaringen te zoeken of verantwoording te vragen voor de ellende die de schikgodinnen over mij – zoals over iedereen – uitstorten.

Had ik vóór deze ervaring, via gnostiek en mystieke lectuur, een grote interesse, ja zelfs liefde voor Jezus opgevat, vanaf dat thee-moment groeide een persoonlijke, intieme onverbrekelijke band met Hem. Een band die ik nooit met de Boeddha had, ook niet na 30 jaar zen-beoefening.Dat komt heus niet door de 4 à 500 jaar die Jezus en de Boeddha van elkaar scheiden of door het grote cultuurverschil. Ten slotte komt Jezus ook uit een totaal andere cultuur dan de onze. De Boeddha bleef voor mij altijd een redelijk abstracte figuur, hoezeer hij mijn leven ook ten goede beïnvloed en getransformeerd heeft en hoe dankbaar ik hem ook ben voor de dharma. Kort door de bocht gezegd: de Boeddha stelt voor mij eerder het transcendente en Jezus het immanente aspect van mystiek voor. Boeddha-geest en Jezus-hart. Inzicht en mededogen. Hoe beiden meestal worden afgebeeld is veelbetekenend. De Boeddha : in lotushouding en meditatieve rust; Jezus : ofwel dramatisch stervend aan het kruis of wijzend naar zijn vlammend Heilig Hart. Uiteraard vinden we beide aspecten bij beide wijsheidsleraars en  in de na hen ontstane tradities terug.  Toch is er in het Golgotha-visioen ook een raakpunt tussen de Boeddha en Jezus. Jezus vergeeft allen die hielpen bij zijn arrestatie, zijn veroordeling en zijn terechtstelling.  Hij vergeeft het hen “omdat ze niet weten wat ze doen”, d.w.z. omdat ze onwetend zijn. Nu is onwetendheid volgens de Boeddhadharma één van de drie “vergiften” die ons leven verzieken. Die drie vergiften zijn : willen hebben wat je niet kan krijgen (begeerte); niet willen hebben wat je wél hebt of wat je overkomt (afkeer, haat, weerstand); en niet willen (in)zien of onwetendheid, d.w.z. geen goed zicht hebben op het grotere geheel waartoe je behoort, waar je een onderdeel van bent. Niet inzien dat, als je schade toebrengt aan jezelf, je ook het geheel beschadigt en omgekeerd. Onwetendheid is niet zien dat je nooit afgescheiden bent van het Algehele en het Heel-Al. Zen-boeddhistisch leraar Thich Nhat Hanh schreef een boekje “Jezus en Boeddha als broeders”, een dialoog tussen boeddhisme en christendom. Een wonderlijk toeval zorgde ervoor dat beide broeders in mijn dharma-naam verenigd zijn. Bij mijn wijding tot bodhisattva en zenmonnik kreeg ik immers de Japanse naam “Do Nin” wat “Mens van de Weg” betekent. Twintig jaar later kwam ik erachter dat de eerste christenen “Mensen van de Weg” genoemd werden. Mooier kan je het niet verzinnen, toch?

Op maandagochtend 9 augustus 2010 deed ik op mijn kamer, in mijn “zithoekje”, omstreeks 8u30 mijn stille ochtendmeditatie. Die keer gebruikte ik een mantra : tijdens het inademen reciteerde ik inwendig “Heer Jezus”, tijdens het uitademen “Heer Boeddha”. Na een tiental minuten ontplooide zich plotsklaps dit tafereel voor mijn geestesoog: “Ik zie diep onder mij een onmetelijke, kolkende, woeste oceaan, waarvan het smerige, bruine sop eruit ziet als dat van een beerput.  In die afstotelijke drab en smurrie worstelen miljarden mensen – de mensheid – om het hoofd boven “water” te houden.  Hun gezichten zijn getormenteerde maskers van angst, wanhoop en pijn. De wriemelende drenkelingen slaan wild om zich heen om niet kopje onder te gaan; ze doen dat ten koste van iedere soortgenoot in hun onmiddellijke buurt. Een Stem zegt me : “Dit is de Oceaan van Lijden”.  Uit die Oceaan rijst een enorme berg op die tot hoog in de hemel reikt en waarvan de top niet zichtbaar is.  De Stem zegt : “Dit is  Golgotha”. En verder : “De meeste mensen in de Oceaan van Lijden durven of willen Golgotha niet beklimmen, omdat ze vrezen dat hen daar een zekere executiedood wacht. Liever proberen ze zichzelf te redden ten koste van alles en iedereen, hoewel ze nooit iemand zichzelf uit deze zee van lijden zagen redden. Nochtans wacht Boven niet de dood maar de Verlossing en het Leven”. Op het strand aan de voet van de berg die door de Oceaan omspoeld wordt, liggen mansgrote houten kruisen. Slechts enkelingen gaan aan wal, nemen hun kruis vrijwillig op de schouders en vatten de beklimming aan. Dan wordt me een blik gegund op wat er zich “Boven” bevindt. Het is inderdaad geen executieplaats, maar een overweldigende Zee van Licht die gevormd wordt door een in zaligheid dansende massa van miljarden witte, quasi doorzichtige engelen. Ik weet – of de Stem zegt – : “Deze Engelen van Licht zijn identiek aan de ploeterende mensen in de Oceaan van Lijden. De onwetende lijdende mensen beneden in de Oceaan zullen ooit Engelen van Licht zijn; ze zijn het nu reeds, maar weten het niet”.  Boven de Oceaan van Licht uit priemt de top van Golgotha. Van ver zie ik de drie klassieke kruisen staan. Alleen aan het centrale kruis hangt een mens; de twee andere kruisen zijn “leeg”. Aan het middelste kruis hangt, glimlachend, Shakyamoeni Boeddha! Schokkend beeld. Aan de voet van het Kruis zit Jezus in lotushouding. Beiden stralen een bovennatuurlijk Licht uit.” 

Het zielenwater lekte uit mijn ogen. Dit leek me aan te sluiten bij de ayahuasca-ervaring van vijf jaar eerder. In beide visioenen gaat het erom je kruis op te nemen en de berg te beklimmen, om, eenmaal boven, een transformerende dood te sterven en op de derde dag op te staan. Dit tweede visioen deed me denken aan “De Mythe van Sisyfus – een essay over het absurde” van de Franse existentialistische filosoof Albert Camus, auteur van o.m. La Peste en L’Etranger. Ik kocht het boek in mijn studententijd toen ik 19 was. Het was toen een tijdlang mijn humanistische bijbel. In de Griekse mythe dacht Sisyfus de goden te kunnen bedriegen maar werd uiteindelijk door hen veroordeeld om in de Onderwereld een zwaar rotsblok tegen een steile berg op te duwen, dat echter telkens van de top weer naar beneden rolde. Hij was  gedoemd om voor eeuwig het rotsblok opnieuw en opnieuw de berg op te duwen. Camus ontkent dat het leven zin heeft, maar baant zich als Sisyfus toch moeizaam een weg door het bestaan. Op zijn weg in een wereld zonder illusies of hoopgevend licht, is de mens een vreemdeling, een balling zonder hoop op een “beloofd land”.  Ik zie gelijkenissen tussen Sisyfus en Jezus : beiden dragen immers moeizaam een zware last naar de top van de berg. Maar er zijn ook wezenlijke verschillen; de eerste lijkt de schaduwbroer te zijn van de tweede. Jezus werd “zoon van god” genoemd en Sisyfus was een bedrieger van de goden. Eenmaal boven wacht Sisyfus geen eenmalige dood, geen bovennatuurlijk Licht, geen engelen,  geen “derde dag”, geen Opstanding, maar een eeuwig absurd herbeginnen. Sisyfus wordt zich niet bewust van zijn goddelijke essentie, realiseert zich niet dat hij zélf een engel is. Ik las en herlas het boek van Camus, maar kreeg er nooit echt voeling mee; het liet me telkens onbevredigd achter met vragen die voorbij het humanistisch perspectief en engagement reikten. In die dagen zat ik op mijn kot ook bepaalde songs van Beatles te vertalen, vooral die welke naar “het Oosten” verwezen.  Het door George Harrison met de Indiase sitar opgesmukte “Within you, Without you” van hun weergaloze Sgt Pepper-album was er één van.  “When you’ve seen beyond yourself then you may find peace of mind is waiting there. And the time will come when you see we’re all one, and life flows on within you and without you.” Waar dit over ging wist ik nog niet precies, maar het resoneerde in mij en opende de poort naar de oosterse spiritualiteit.

Waren beide visionaire tableaux vivants ook een voorafspiegeling van wat er zat aan te komen:  dat er voor mij in het atelier van het leven een kruis ineen getimmerd werd ?  Het zag ernaar uit dat ik in mijn ouwe dag niet zoetjes op geruite pantoffels naar Huize Avondvrede zou schuifelen. Het kan geen toeval zijn dat ik, dag op dag vijf jaar na de ayahuasca-ervaring, het lijdend voorwerp werd van zinloos geweld. Daar schreef ik al over in “Niet over rozen”, elders op deze blog. Met dit laatste visioen zat ik wat gewrongen. Ik vond het enigszins ongepast of not done om de Boeddha als de gekruisigde te zien en Jezus in de Boeddhahouding. Ze hadden van rol gewisseld alsof ze inwisselbaar waren en dat zijn ze uiteraard niet.  De boodschap was echter dezelfde : onwetendheid – en daardoor afgescheidenheid – als bron van alle lijden. De Jezus in lotushouding kwam vijftien jaar later verrassend terug als centrale figuur in “Rabbi Jezus Yoga meditatie”. De Boeddha en Jezus zijn natuurlijk de twee grote leraars en inspiratoren van mijn leven, de twee bronnen waaraan ik me laaf. Bij wijze van spreken ga ik het pad met een linker boeddhabeen en een rechter jezusbeen. Overigens volgde er na het door ayahuasca opgeroepen Golgotha-visioen van vijf jaar eerder onmiddellijk een met de Boeddha : “Ik bevind me in India of Nepal en ik zie de Boeddha met zijn leerlingen langs de straat lopen. Op een bepaald moment stopt hij bij een bedelaar en geeft hem een aalmoes. De manier waarop hij dat respectvol doet is van een onwereldse gratie, tederheid en liefdevolheid. In dit éne gebaar van groot mededogen ligt de totaliteit van zijn leer. Woorden zijn overbodig, dit is het ultieme onderricht”. Niet wat je doet of geeft is belangrijk, maar de manier waarop, de houding van waarmee en waaruit je handelt.

De twee visioenen brengen me onvermijdelijk naar de eerste lijdensvoorspelling van Jezus zoals o.m. Mattheus (16/24) die boekstaafde. Daarin zegt Jezus : “Wie Mijn volgeling wil zijn moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.  Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden. Wat voor nut heeft het de wereld te winnen en uw ziel te verliezen?” George Harrison citeert deze laatste zin in zijn al eerder genoemde  compositie “Within you, Without you”. Heel zeker bedoelt de Rabbi dat we ons ego-gestuurd leven moeten verliezen om te leven vanuit het Zelf. Dat Zelf krijgt concreet gestalte in de bijbelpassage die bij Mattheus onmiddellijk hierop volgt. Petrus, Jacobus en Johannes gaan met de Meester de berg Thabor op en zijn daar getuige van Zijn gedaanteverandering of transfiguratie, waarbij Zijn gelaat begint te stralen en Zijn kleed glanst als het licht van de zon. Dit wordt gezien als de aankondiging van zijn Verrijzenis. Hij drukt de drie leerlingen op het hart wat ze zagen stil te houden tot na zijn Opstanding, die uiteraard ook volgde na zijn kruisgang. Tweemaal lijkt dit te verwijzen naar de transformerende kracht van lijden die ons naar een andere staat van Zijn kan voeren. Over het materieel bewijsstuk van Zijn Opstanding – de Heilige Lijkwade – heb ik het een volgende keer. Deze uitzonderlijke relikwie, uniek in de wereldgeschiedenis, vormde de volgende stapsteen op mijn pad naar Jezus en mijn almaar intiemere band met Hem.

Herman Meirhaeghe

EEN DOSIS GNOSIS

Sedert anderhalf decennium ga ik niet alleen het pad van de Boeddha en Zen, maar ook dat van de Christelijke Meditatie en Rabbi Jezus Yoga. Het woord “christelijk” roept vandaag de dag in seculier Vlaanderen veel weerstand op.  Transcendente Meditatie, zen, tantra, mindfulness, dat vindt de medemens, in het beste geval, nog oké of sexy, maar christelijke meditatie beoefenen… Durfde ik daarmee naar buiten te komen en mijn cool zen-imago op het spel te zetten? “Zen” isinmiddels een modewoord geworden waar in de reclamewereld overvloedig oneigenlijk gebruik van wordt gemaakt en dat te pas en vooral te onpas wordt gedropt in interviews met BV’s van allerlei pluimage. Ook in de wellness business wordt “zen” gebruikt om zaken aan te prijzen die je in een handomdraai en zonder al teveel inspanningen gemoedsrust en geluk zouden brengen. Af en toe een lekker relaxt weekendje chillen, zonder de discipline om tweemaal daags op een meditatiekussen of -bankje te gaan zitten en in een oncomfortabele houding een halfuur naar de muur te staren, meer moet dat niet zijn voor de geluksconsument. Boeddha- en Kwan Yin-beelden hebben in veel Vlaamse huiskamers de kruis- en heiligenbeelden van weleer vervangen.  Zeggen, zoals ik doe, dat je niet alleen zen- maar ook christelijke meditatie beoefent en dat je plots into Jesus bent, stuit dan ook vaak op onbegrip of levert op zijn minst kritische reacties en een schampere scheve grimlach op, ook in spirituele kringetjes. Millennials lijken daar weinig tot geen last van te hebben, omdat ze bevrijd zijn of zelfs geen weet hebben van de beladen “katholieke erfenis”, waar mijn generatie en die van mijn kinderen nog altijd mee worstelen.  Hoe dan ook, de vraag was of ik me openlijk zou bekennen tot die zienderogen imploderende christelijke traditie? Want willens nillens word je geklasseerd bij het “Instituut Kerk” dat de laatste jaren ook nog eens in opspraak kwam door het onethisch gedrag van haar bedienaars.   De roep van Jezus was echter sterker dan mijn vrees of gêne om op één hoop gegooid te worden met een kerk waar ik zelf grote moeite mee had en waarvan ik toen al sedert decennia afstand had genomen. Als ik mezelf onder dwang een etiket moet opplakken, zou ik me een zenboeddhist en een “jezuïst” noemen. Neen, geen “katholiek”, maar een “jezuïst”, een zelf verzonnen woord voor iemand die zich door de geleefde boodschap van de Nazoreeër laat inspireren.  Immers, net zomin als Boeddha een boeddhist was, was Jezus een katholiek of een christen.  

Maar hoe kwam deze zen-boeddhist er dan toe om christelijke meditatie te beoefenen en de Rabbi Jezus Yoga praktijk te ontwikkelen? Dat kwam niet als een paasei met een roze strik uit de hemel op mijn schedeldak vallen. Het voltrok zich via ontmoetingen met Jezus van allerlei aard. Zoals zen en de Boeddha me overkwamen tijdens mijn midlifecrisis, zo meldde Jezus zich aan nadat ik me volledig klem had gereden in de studie van de gortdroge Advaita Vedanta. Advaita is een filosofisch-religieuze school binnen de Indiase Vedanta  en vertegenwoordigt het pure non-dualisme. Heel kort : advaita betekent “niet-twee”: “a”, negatie, betekent “niet” en “dvai” (dua/duo) staat voor “twee”. Hiermee wordt bedoeld dat de Uiteindelijke Werkelijkheid (die sommigen God noemen) één en ongedeeld is. Dit impliceert het einde van alle kennis en weten. Dat is ook de betekenis van “vedanta” : diep intuïtief Weten dat alles één is. Dit Weten  maakt een einde aan alle beperkt weten. Alles verschijnt en verdwijnt in (het) Bewustzijn dat geen tweede kent en eeuwig is. In wezen zijn wij dat eeuwige Ene. Non-dualiteit is niet-verdeeldheid of eenheid. Het omarmt de menselijke en goddelijke natuur. De tweeledigheid – goed/kwaad, rijk/arm, licht/donker, enz – wordt omarmd in  Al-eenheid. Het is de acceptatie van en het fundamenteel “JA” op dat wat is. Samen met Zen en Dzogchen (Tibetaans Boeddhistische variant) is Advaita de meest uitgepuurde oosterse school inzake non-dualiteit en kent geen rituelen, geen beelden, geen oefeningen, geen gebeden, geen spirituele praktijk zoals meditatie. Blijkbaar vond ik Zen toen nog niet sober, streng, ascetisch en puur genoeg… Ik nam niet alleen gretig kennis van wat briljante Indiase advaita-leraars zoals Ramana Maharshi (zie hoger foto), Nisargadatta, Ramesh Balsekar, Krishna Menon, Krishnamurti, e.a., te zeggen hadden over het onzegbare, maar ik racete ook door een stapel tijdschriften en boeken van westerse advaita-leraars: Amerikaanse, Franse en vooral Nederlandse leraars zoals Wolter Keers, Jan Van Delden, Douwe Tiemersma, Alexander Smit en vele anderen. En van het zich toen volop ontplooiende Internet downloadde ik ook massa’s informatie en soms heelder boeken.  Ik vrat me boulimisch een non-duale indigestie.  Ik had het gevoel dat advaita zich vooral in mijn hoofd afspeelde en dat mijn hart niet geraakt werd. Wél bleef ik al die tijd mijn zen-praktijk trouw. Al ruim tien jaar ging ik toen het pad van zen en ben dat altijd blijven doen. Welke spirituele avonturen ik ook ondernam, zazen (zit-meditatie) bleef de rode draad die me veilig doorheen doolhoven leidde, mijn sextant op woelige zeeën, mijn kompas in niet bewegwijzerde gebieden van de geest, tot op vandaag.

Hoe klaar, helder en vlijmscherp advaita ook was, het voerde me naar een impasse. Dit situeerde zich in de beginjaren van het nieuwe millennium. Ik was toen begin 50 en op velerlei vlak verliep mijn leven vrij plots en net als tien jaar eerder erg moeizaam. Daar heb ik het een andere keer over. Ik noem het geen driekwartlifecrisis of depressie maar eerder een woestijnperiode. Ik was me ervan bewust dat dit een bekende fase is waar elke zoeker doorheen moet en dat ik het advaitapad ten einde moest gaan,  maar ik kon het niet opbrengen. Er was geen diepe affiniteit met de advaita-traditie zoals ik die wél had met zen en sjamanisme en later met Jezus. En toen sloop die Galileeër ongemerkt mijn leven weer binnen. 

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Die van zijn Fils Unique nog raadselachtiger, als je ’t mij vraagt. De wegen die Hij me liet gaan om tot Hem te komen, zullen sommigen afdoen als regelrechte dwaalwegen. Amen.  De manier waarop  Jezus me te grazen nam – en waardoor ik als afgekoelde katholiek, agnosticus en later als zen-boeddhist weer bij Jezus aanbelandde – is immers redelijk onorthodox, soms dubieus en voor de theologen onder ons ronduit ketters. Controversiële boeken, gechannelde evangelies, ketterse gnostici, de nog altijd onterecht omstreden Lijkwade van Turijn, mystieke ervaringen, hallucinogene visioenen, betekenisvolle toevalligheden, meditatie, ze worden zowel vanuit religieuze hoek als vanuit het filosofisch en wetenschappelijk materialisme niet zelden met het scheve oog van de argwaan bekeken. Men heeft het dan neerbuigend of meewarig over “zogenaamde” bovennatuurlijke ervaringen, die niets anders zouden zijn dan zinsbegoochelingen, wensvol denken of stofjes die de hersenen afscheiden. Je wordt al snel afgeserveerd als fantast of aansteller. Of als new-ager, godbetert, en dat voor een oldtimer van 70-plus. Eigenaardig toch, want miljoenen gewone stervelingen zoals ik hadden gelijkaardige ervaringen. De scepsis vanuit spirituele hoek begrijp ik wel. Ik ga immers het no nonsense pad van zen, waar permanent gewaarschuwd wordt voor piekervaringen, visioenen of het najagen van speciale bewustzijnstoestanden.  Verlichting, Ontwaken, het zijn bijna vieze woorden geworden, hoewel ze, als oerervaring van hun stichters, aan de basis liggen van alle religies. Laat je begrippen als satori en samadhi – vaak onjuist vertaald als verlichting – over de tong rollen, dan spoort een beetje zenmeester je aan om meteen met biologisch afbreekbare zeep je mond te spoelen. Oké, het nastreven van transcendente ervaringen is niet de opzet van de spirituele praktijk, maar ze kunnen je ook totaal onverhoeds overkomen, als uit de hemel gevallen geschenken. Ze inspireren je en hebben vaak een beslissende impact op je leven. Ze revitaliseren ook je praktijk die na jarenlang oefenen soms bloedloos wordt en zijn kleur verschiet.

Eigenlijk zou ik dit alles beter stil houden, want het zal mijn geloofwaardigheid en mijn reputatie – mocht ik die al hebben – geen goed doen, vrees ik. Mag ik zeggen dat ik daar lak aan heb? Wanneer het erop aankwam om eigenzinnig mijn weg te gaan, heb ik nooit gemaald om goede naam ende faam. Inmiddels schonk mijn gezegende leeftijd alleen al me zoveel innerlijke vrijheid, dat het er helemaal niet meer toe doet hoe ik word gewikt en gewogen. Hoe lichter ik bevonden word, des te minder ballast te torsen. Een zegen voor mijn door artrose geteisterde gewrichten. Neen, een mannetjesputter of lefgozer was ik nooit, maar het vraagt toch wel enige moed om je vandaag de dag in dit ontkerkelijkte Vlaanderen tot Jezus of tot het katholicisme te bekennen. Niet dat ik dat laatste ook doe, maar onvermijdelijk word je daarmee geassocieerd als je het hebt over Jezus. Father Laurence Freeman, benedictijner monnik en bezieler van de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie en goede vriend van de Dalai Lama, zegt niet voor niets dat hij, van alle Europese landen, in België / Vlaanderen op de grootste weerstanden botst als het om religie en vooral christelijke religie gaat.  Het Rijke Roomse Leven in het katholieke Vlaanderen, zoals ik het nog gekend heb in mijn kinderjaren in de jaren ’50, is voltooid verleden tijd.

Voor mij is Jezus een universele leraar van de hoogste orde. Hij is niet het exclusief bezit van Rome. De oosterse religies – boeddhisme, hindoeïsme – hebben geen enkel probleem met Jezus als een wereldleraar of avatar.  Zo is er de hindoe-wijze Swami Paramahansa Yogananda (1893-1952, zie bovenstaande foto) die in verschillende publicaties, o.a. in “The Yoga of Jesus”, de leringen van Jezus van commentaar voorziet. Of de hindoeheilige Sri Ramakrishna (1836-1886) die ingrijpende visioenen had van Jezus. Vanuit het boeddhisme vernoem ik hier alleen de Vietnamese zenmeester Thich Nhat Hanh (1926-2022) en zijn boek “Jezus en Boeddha als broeders” en Z.H. de Dalai Lama die in “Het Goede Hart” het Nieuw Testament vanuit boeddhistisch perspectief becommentarieert. Deze respectvolle houding staat in schril contrast met uitspraken van hoge kerkelijke gezagsdragers die, niet gestoord door enige kennis, het hindoeïsme omschrijven als afgoderij en veelgodendom. Het hindoeïstische pantheon telt inderdaad talrijke goden en godinnen, die echter allen (slechts) aspecten en manifestaties zijn van het Ene. Zo is er dit citaat van paus Johannes Paulus II die schreef “dat het boeddhistische heilsdoel – nirvana – een toestand van perfecte onverschilligheid is met betrekking tot de wereld”. Duidelijk nog nooit gehoord van het bodhisattva-ideaal.  Of wat te denken van deze uitspraak van de latere paus Benedictus toen hij nog kardinaal Ratzinger was en in zijn functie van bewaker van de geloofsleer het boeddhisme omschreef als “een vorm van nihilisme en mentale auto-erotiek”. Mijn zen-beoefening was dus ego-masturbatie? Wat zouden zen-meesters zoals Enomiya Lassalle (jezuïet, auteur van het boek ‘Zen Meditatie’), Robert Kennedy (jezuïet en auteur ‘Zen en Christendom’), Willigis Jäger (Benedictijnermonnik, auteur van o.m. ‘Zen in de 21ste eeuw’), en dichter bij huis, Pierre de Béthune (prior van het benedictijnerklooster van Clerlande, Ottignies), Jeroen Witkam (abt van de abdij van Zundert, auteur van o.m. ‘Zitten in Stilte’) of Jef Boeckmans (trappistenmonnik) daarover gedacht hebben? Misschien dit : “Vergeef het hen, Vader, want ze weten niet wat ze zeggen”. Daarmee schoffeerden beide kerkvorsten vierhonderd miljoen boeddhisten en een 2500 jaar oude wereldreligie. Moedwilligheid? Kwaadwilligheid? Laat het me bij “onwetendheid” houden. In tijden van pauselijke excuses zou een welgemeend “nostra culpa” gepast zijn.

Voor mezelf zijn de in onderhavige tekst en in de volgende afleveringen beschreven kronkelpaden geen dwaalwegen zoals die door de goegemeente en het religieus en atheïstisch establishment weggezet worden. Voor mij persoonlijk is er maar één ding van belang : dat ze me naar Jezus en G*d hebben geleid. En is het niet wonderlijk dat je, via je allerindividueelste weggetjes, toch bij het Al-Ene uitkomt?  Neen, mijn wegen leidden niet nààr, maar weg van Rome, maar ze kwamen wel uit bij die wonderlijke Jezus, die amper drie of misschien zelfs slechts één jaar onderricht gaf en toch de wereld ingrijpend veranderde.  De ziel volgt een evolutionair pad dat tot ver voorbij de grenzen van geboorte en dood van één mensenleven reikt. Maar welke waren dan de stapstenen die ik betrad? Wat waren de eerste sporten van de Jacobsladder naar Rabbi Jezus of naar G*d?

Elke zomer zet ik mijn onstilbare honger naar spiritueel leesvoer even on hold voor ontspanningslectuur : literaire romans, poëzie, thrillers, fantasy, (pseudo-)historische non-fictie. In de zomer van 2001 wou ik eindelijk eens de bestseller van  H. Lincoln, M. Baigent en R. Leigh uit 1982 lezen: “Het Heilig Bloed en de Heilige Graal”. Ik herinnerde me dat dit boek indertijd ophef gemaakt had en dat het in sommige landen zelfs als blasfemisch werd verboden. Interessant boek dus. Aan dit werk ontleende Dan Brown trouwens de plot en het centrale idee van zijn “De Da Vinci Code”.Traditioneel wordt de Heilige Graal gezien als de beker van het Laatste Avondmaal of als de kelk waarin het bloed van Jezus bij de kruisiging werd opgevangen. Volgens de auteurs is de graal echter een symbool voor het nageslacht van Jezus. Jawel ! Ze stellen dat Hij gehuwd was met Maria Magdalena en met haar kinderen had. Legenden vertellen dat zij na de kruisiging van haar geliefde met deze kinderen naar Zuid-Frankrijk vluchtte en dat uit hun nakomelingen de eerste koninklijke dynastie van Frankrijk ontsproot: de Merovingen. De Heilige Graal – in het Oudfrans Sangreal – zou de aanduiding zijn voor de bloedlijn van Jezus. Sangreal moeten we immers niet lezen als San Greal of “Heilige Graal”, maar als Sang Real of “koninklijk bloed”. In deze optiek zou Maria Magdalena zelf de Heilige Graal zijn. Da’s even slikken. Een andere  overlevering wil dat zij, samen met Maria Klopas (halfzuster van Jezus’ moeder Maria), Maria Salomé (moeder van de apostels Johannes en Jacobus) en met Lazarus, Maximinus (één van de 72 leerlingen van Jezus) en Trofimus (een medewerker van Paulus), met een bootje de Middellandse Zee overstak. De drie Maria’s, die alle drie op Golgotha aanwezig waren, kwamen met hun gezellen aan land aan de kust van de Camargue bij wat later Les Saintes-Maries-de-la-Mer zou heten (zie lager illustratie). Maria Magdalena zou vervolgens dertig jaar in een grot in het massief van Sainte Baume hebben geleefd. Na haar overlijden zou zij in Aix-en-Provence of in Saint Maximin zijn begraven. In de basiliek van Saint Maximin is een graftombe waar zich haar stoffelijke resten zouden bevinden. Een andere middeleeuwse legende vertelt dan weer dat haar relieken zich in de basiliek van La Madeleine in Vézelay bevinden. Historici deden het boek Lincoln, Baigent en Leigh af als pseudo-geschiedschrijving, historische fictie of klinkklare kletskoek. Voor mij, onder mijn seringenboom in mijn stadstuintje, was het in elk geval fascinerende en spannende zomerlectuur. Ik dacht : “Si non è vero, ’t is toch ben trovato….”  

In hoog tempo las ik die zomer een achttal boeken in datzelfde genre waarin Jezus telkens aan bod kwam.  Pas later merkte ik dat deze zogenaamde “kletskoekboeken” de figuur van Jezus ongemerkt weer volop in mijn gezichtsveld en belangstellingssfeer hadden geplaatst ! Een niet onverdienstelijke verdienste, toch.  Het was immers geleden van in mijn kinderjaren dat ik nog zo intens met Jezus doende was geweest.  Al deze boeken verwezen naar de gnostische evangelies. In sommige ervan vind je inderdaad suggesties dat Maria Magdalena méér was dan alleen maar een hevige fan van Jezus. In het apocriefe evangelie van Filippus wordt gezegd: “Christus hield meer van Maria (Magdalena) dan van alle leerlingen. Hij kuste haar dikwijls op haar (mond?). De andere leerlingen zeiden tegen hem: “Waarom houdt u meer van haar dan van ons allemaal?” Waarop Jezus de bal terugkaatste : “De Verlosser antwoordde hun met de woorden: “Waarom houd ik niet van jullie zoals van haar?”  Of Jezus en Maria Magdalena geliefden waren of niet, in één van die apocriefe evangelies wordt gezegd dat zij de enige van de leerlingen was die Jezus’ boodschap écht begreep en dat Hij haar daarom, tot groot ongenoegen van haar mannelijke collega’s en vooral van Petrus, vaak apart riep om haar exclusief onderricht te geven (zie onderstaande illustratie). MM – niet te verwarren met die andere godin Marilyn Monroe – liet Hem niet in de steek toen de leerlingen bij Jezus’ executie, op één na, het bange hazenpad kozen en op Paasochtend was ze als eerste bij het lege graf en was zo de eerste getuige van zijn Opstanding.  

Dertig jaar eerder las ik al een boek over gnosticisme – de gelijknamige klassieke studie van Hans Jonas. Ik kocht dat boek toen n.a.v. de lectuur van Carl Gustav Jung – inderdaad, hij weer –  die ook sterk in gnostiek geïnteresseerd was. Hij zag immers een verwantschapslijn tussen het vroegchristelijke gnosticisme, de alchemie uit premoderne tijden en de archetypische dieptepsychologie die hij ontwikkelde. Hier leken twee krachtlijnen uit mijn leven van dertig jaar eerder elkaar weer te kruisen: Jung en de gnostiek. Maar met die gnostiekers viel ik ook van het ene uiterste in het andere : van de non-dualiteit van zen en advaita, in het dualisme van het gnosticisme. Kon het verschil nog groter zijn?

Gnosticisme is de verzamelnaam voor de leer van een aantal filosofisch-religieuze bewegingen uit de eerste eeuwen van onze tijdrekening, zoals het hermetisme, de gnostiek, het manicheïsme, het mandeïsme, e.a. Het combineert elementen van het christendom met (neo-)platonische filosofie. Het hoofdkenmerk van deze leer is een dualistische visie op de wereld : de goede wereld van het geestelijke versus de onvolmaakte materiële wereld. De eerste eeuwen na Christus was het gnosticisme een even sterke stroming als het christendom zoals wij dat vandaag kennen. Na de oecumenische Concilies van Nicea en Constantinopel (4de eeuw) viel het gnosticisme in ongenade. Alleen de drie synoptische evangelies van Mattheus, Marcus en Lucas en het semi-gnostische van Johannes werden in de officiële canon opgenomen. Alle andere – en dat waren er nogal wat – werden verketterd. Eén van de breekpunten was dat het gnosticisme een persoonlijk innerlijk pad naar God voorstond waarbij men geen kerkelijke bemiddelaars of tussenpersonen zoals priesters en bisschoppen nodig had. Gnostici hadden een rechtstreekse lijn met Jezus of God en dat was uiteraard een bedreiging voor het kerkelijk establishment dat dreigde overbodig te worden. Gnostici werden genadeloos vervolgd en niet zelden samen met hun ketterse geschriften verbrand. Dat gebeurde met zoveel  grondigheid dat tot vóór 1945 alleen enkele tekstfragmenten bewaard bleven. Al wat tot dan toe gekend was over de gnostici, kwam van de kerkvaders en dus van hun niet bepaald objectieve vervolgers en kwelduivels.

Ergens in de 4de eeuw kon een woestijnmonnik uit Midden-Egypte het niet over zijn hart krijgen het bevel vanuit Rome uit te voeren om een groot aantal verketterde evangelies en gnostieke teksten te verbranden. Hij  (ver)stopte ze in een kruik en begroef die bij Nag Hammadi, een plaatsje in Midden-Egypte. Meer dan anderhalf millennium later – in 1945 – werden die bij toeval ontdekt op een oude begraafplaats. Een wereldgebeurtenis ! Dit zijn de beroemde Nag Hammadi Geschriften (zie lager: replica codices Nag Hammadi). Er werden dertien codices of lederen kaften gevonden die in totaal tweeënvijftig geschriften bevatten, grotendeels gnostische, maar ook enkele hermetische teksten. Tot die schat behoren o.m. het Evangelie van Filippus, de Openbaring van Jacobus, het Geheime Boek van Johannes, de Openbaring van Paulus, de Handelingen van Petrus, De Wijsheid van Jezus, Het Evangelie der Waarheid en het inmiddels overbekende Evangelie van Thomas. In 1994 verscheen de eerste integrale Nederlandse vertaling van alle teksten door Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans.  Een prachtuitgave ! Twee dikke volumes waar ik maanden zoet mee was.   Gedurende tien jaar las ik alles wat ik vond over gnostisch christendom, o.m. de bestseller uit 1979 “De Gnostische Evangeliën” van Elaine Pagels, wereldautoriteit op het gebied van het vroege christendom en hoogleraar aan Princeton University. Ook de boeken van de Nederlandse neo-gnosticus Bram Moerland spraken me sterk aan: “Schatgraven in Nag Hammadi” , “Gnosis en gnostiek” en “De Katharen”, die ook een vorm van gnosticisme aanhingen. Toen ik het boek “Zenmeester Jezus” vond van de Nederlandse zenleraar Jos Stolman, waarin hij de lapidaire uitspraken van Jezus uit het Thomasevangelie als zen-koans ziet, was mijn cirkel natuurlijk rond. Hier vonden het schijnbaar onverenigbare zen-boeddhisme en gnosticisme elkaar in een ‘alchemische bruiloft’. En zo kreeg mijn zenpraktijk onverwacht een dosis gnosis geïnjecteerd.

In “gnostiek” herkennen we het Griekse woord gnosis, wat kennis betekent. Geen feitenkennis, maar een innerlijk weten, diep inzicht in de oorsprong, de huidige situatie en de bestemming van de mens. Kennis van het hart, kennis van het goddelijke. Centraal staat de gedachte dat de mens een goddelijke oorsprong heeft en een goddelijke kern in zich draagt. Die kern raakt verstrikt in de materie, verduisterd door de stoffelijke wereld. Alle gnostische stromingen delen de overtuiging dat de mens in een staat van onwetendheid leeft, in een toestand van slaap of dronkenschap. De aarde en de omringende hemelsferen zijn een gevangenis waarin negatieve krachten werkzaam zijn die de menselijke geest vervreemden van het goddelijke, dat buiten de kosmos staat. Daardoor vergeet de mens zijn goddelijke kern en afkomst. Gnosis functioneert dan als een wekker. Zij verdrijft onze onwetendheid omtrent onze ware aard, die goddelijk is. Verlossing is niet het vergeven van zonden, maar het opheffen van onwetendheid. Onwetendheid is immers de oerzonde. Wie weet heeft van zijn goddelijke kern en van de mogelijkheid tot terugkeer naar de goddelijke wereld, heeft gnosis. In de gnostiek vallen zelfkennis en godskennis samen. Wie zich bewust is van zijn goddelijke kern, kent zichzelf. Wie zichzelf ten diepste kent, kent ook God.

Wat sprak me zo aan bij de gnostici? Niet hun dualisme van materie tegenover geest, van goed versus kwaad. Wél de persoonlijke innerlijke weg van ontwaken uit de droom. “Ontwaken uit de droom van onwetendheid”, dat klonk me als zen-boeddhist zeer vertrouwd in de oren. Ook in het non-duale boeddhisme, hoe ver dat ook afstaat van de dualistische gnostiek, draait alles immers om wakker worden uit illusoire dromen. Het waanbeeld van het zogenaamde autonome soevereine ego doorzien. Het woord “boeddha” betekent “hij die ontwaakt is”. Ik ontmoette in deze apocriefe gnostische teksten ook Jezus als mysticus. Die stond mijlenver af van de Christus Koning uit mijn kindertijd of de Christus Guerillero en de Jesus Christ Superstar uit mijn “jonge jaren”. Deze mystieke Jezus openbaarde me een persoonlijke weg naar God, buiten de kerkelijke hiërarchie en alle theologie om. Daar was ik altijd naar op zoek geweest, eerst in de oosterse religies, en nu vond ik dit ook in de traditie waarin ik geboren ben.

Via neo-platonici zoals Plotinos en Pseudo Dionysius de Areopagiet, die door het gnosticisme werden beïnvloed, kwam ik terecht bij de christelijke mystici. Ik begon een leesmarathon over leven en werk van Meister Eckhart, Julian of Norwich, Hildegard von Bingen, Catharina van Genua, Catharina van Siënna, Margareta Porete (zie hoger : illustratie; ze eindigde in juni 1310 samen met haar boek “De spiegel der Eenvoudige Zielen” in Parijs op de brandstapel), Tauler, Jan van het Kruis, Teresa van Avila, Fénelon, Elisabeth van Dyon, Madame Gyon, Jacob Böhme, Swedenborg, William Blake, Thérèse van Lisieux, Thomas Merton, Evelyn Underhill, Dorothee Sölle en vele anderen.  Ook mystici van de tweede garnituur zoals Anna Catharina Emmerich, Marthe Robin, e.a., kregen mijn aandacht. Ik wilde immers weten hoe zij dat intieme contact met Jezus beleefden, hoe ze Jezus toelieten heel hun leven te bepalen. Hoe God niet langer een rol speelde in hun leven, maar er de regisseur van was. De vraag die ik me als zen-boeddhist stelde was ook hier van toepassing : “Hoe beleef ik Jezus in alle omstandigheden van mijn leven, of die nu goed of slecht zijn, comfortabel of precair? Kan ik de boodschap van Jezus in zijn volheid omarmen en dat in de goede en kwade dagen?”

Via de christelijke mystici belandde ik opnieuw bij de religie die me met de moedermelk en de paplepel had was toegediend. Niet door er bewust voor te kiezen, niet door me te laten overtuigen, maar wel op een spontane, soms overrompelende, altijd  intuïtieve manier.  Voor alle duidelijkheid : neen, zen of advaita waren geen oosterse omwegen om uiteindelijk weer bij het geloof van mijn jeugd thuis te komen. Het was dus zeker niet de goede raad van de Dalai Lama – dat westerlingen het beter in hun eigen traditie i.p.v. in het Oosten kunnen zoeken – die me terugbracht naar de spiritualiteit van het Avondland. Overigens heeft deze uitspraak van de Tibetaanse wijze, noch hebben gelijkaardige uitlatingen van C. G. Jung of Rudolf Steiner en vele anderen, me ooit kunnen overtuigen.  Ik heb immers nooit enig “cultureel” of psychologisch probleem ervaren op mijn lange omvaart naar het Verre Oosten. Tenslotte komt Jezus ook uit een totaal andere cultuur dan de onze. Die 4 à 500 jaar die Jezus en de Boeddha scheiden, maken voor mij het verschil niet. En hun boodschap is universeel. Ik zie dit dus niet als de terugkeer van een verloren schaap naar de stal. Zo makkelijk laat ik me niet recupereren. Ik ben niet het type dat zich laat bekeren. Ik werd gewoon onverhoeds door Jezus gegrepen. Hij riep me en de zen-beoefening had me geleerd om onvoorwaardelijk “ja” te zeggen in belangrijke levenskwesties. Ook door “ja” te zeggen tegen de “rare dingen” die op mijn kronkelpaden gelegd werden. En soms waren dat héél rare dingen … Dat is voor een andere keer.

Herman Meirhaeghe

VAN DE MEERMIN EN DE MAGISCHE KEIEN

“Stambewaarder van het geslacht Van Meirhaeghe”. Eretitel die me door de familievereniging gegeven werd en waar ik me kan in vinden. Vandaag de dag is genealogie een veel beoefende respectabele hobby, maar ooit was dat anders, althans in de perceptie van weleer.  Toen ik halfweg de jaren 1970 startte met stamboomonderzoek, was dat voor een halve hippie en een linkse rakker absoluut not done. Stambomen was op zijn best een oubollige bezigheid voor gepensioneerde  dorpsonderwijzers, rentenierende dorpsnotabelen en blauwbloedigen met teveel tijd. Ik was 26 toen ik ermee begon, sexy was het niet en leeftijdgenoten trof ik niet aan in de archiefzalen. “Stambomen” werd door mijn contesterende kompanen geassocieerd met de rassenleer van Nazi-Duitsland, waar “Ahnenkunde” aangewend werd om Arische raszuiverheid te bewijzen. Die dubieuze reputatie  kon me er echter niet van weerhouden om mijn kinderdroom te realiseren. Als knaap al was ik heel nieuwsgierig naar mijn familiale voorgeschiedenis. Ik zeurde mijn vader de oren van de kop om onze stamboom te maken. Ik zocht me alvast een cahier waarin ik rudimentaire stamboomschema’s tekende die amper drie generaties terug reikten – ouders, grootouders, overgrootouders. De rouwprentjes die ik uit de missaals van mijn ouders en grootmoeders plukte, kleefde ik erbij als illustratiemateriaal.  Waar kwam dit verlangen vandaan? Was het een uiting van mijn aangeboren voorliefde voor geschiedenis en voor alles wat “antiek” was? Of het gemis van een enig kind dat naar een grote familie verlangde? Was het de diepe behoefte aan bloedverwanten en een echte familienaam van de vondeling die ik was in een vorig leven dat zich eind 19de eeuw in Gent afspeelde en dat zich veel later tijdens een regressie-therapie aanbood?  Hoe dan ook, in de hete zomer van 1976, een jaar na de geboorte van ons eerste zoontje, klom ik in onze stamboom. Na veertig jaar vorsen publiceerde ik de resultaten van mijn zoekwerk, waar ik bijna dagelijks mee bezig was geweest. Twee forse boekdelen, samen 870 pagina’s: “Genealogie Van Meirhaeghe 1200 – 2016, Acht Eeuwen Familiegeschiedenis”. Het uitzonderlijk succes van mijn onderneming schrijf ik deels toe aan de zegen van mijn voorouders, die ik via rituelen bij het onderzoek betrok. Het is immers voor een niet-adellijke familie heel zeldzaam om in een ononderbroken lijn terug te kunnen gaan tot bij de eerste naamdrager die omstreeks 1200 leefde, tijd waarin de allereerste familienamen werden aangenomen. Bij een aloude familie hoort een familiewapen. Dat blazoen – waarop een zeemeermin en een dolfijn prijkte – vond ik niet alleen op de wassen zegels waarmee mijn voorzaten officiële stukken waarmerkten, het liet zich ook in natuurlijke versteende vormen vinden. Deze bijdrage is een getuigenis over het leven dat vol wondertjes zit die zich voordoen wanneer de niet-alledaagse werkelijkheid en de doordeweekse realiteit elkaar ontmoeten op bijzondere momenten of plekken.  

Een kei is een bolleboos, een genie, een crack. De laatste jaren is het een keilelijk prefix geworden om de overtreffende trap van iets uit te drukken: keigoed, keilief, keileuk, enz. Maar een kei is in de eerste plaats een doodgewone steen. Over die laatste soort wil ik het hier hebben. Voor ik jullie het verhaal vertel over de “magische meerminkeien van Walem”, eerst iets over de intuïtieve aanpak die ik bij het stamboomonderzoek hanteerde. Noem het flair, paranormaal of wat dan ook, het resultaat was overweldigend. Genealogie vraagt uiteraard eindeloos veel rationeel gericht zoekwerk in de archiefbronnen, maar de mooiste vondsten deed ik zonder te zoeken. Bij toeval.  Mijn levensmotto luidt trouwens: “Non quaerens, inveneris”, wat zoveel betekent als : “Ik zoek niet, maar ik vind”, “Ik vind zonder te zoeken” of “Niet-zoekend, vind ik”. Een duur woord voor “vinden zonder zoeken” is serendipiteit, d.i. het vinden van iets onverwachts en bruikbaars terwijl je op zoek bent naar iets anders. Het is de kunst een toevallige en onbedoelde vondst van iets nuttigs te doen, terwijl je er niet naar zocht of iets anders op het oog had.  Aan de basis daarvan ligt affiniteit tussen de vinder en het gevondene. Deze capaciteit om op een intelligente manier, maar op basis van toeval, iets te ontdekken waar ik op dat moment niet bewust naar op zoek was, heeft zich tijdens mijn stamboomonderzoek menig keer voorgedaan. In wat volgt, wil ik met jullie enkele spirituele, zeg maar magische ervaringen delen i.v.m. dergelijke verrassende vondsten en “ontmoetingen” met de totems uit ons familiewapen: meermin en dolfijn. Sommigen zullen dit afdoen als blind of stom toeval. Voor mij zijn het uitgesproken voorbeelden van serendipiteit of van haar zusje “synchroniciteit”, een begrip dat door de grote dieptepsycholoog Carl Gustav Jung werd uitgewerkt. Via gesprekken met Albert Einstein (Nobelprijs fysica 1921) en Wolfgang Pauli (Nobelprijs fysica 1945), geloofde Jung dat er parallellen waren tussen synchroniciteit en aspecten van de relativiteitstheorie en de kwantummechanica. We speken van synchroniciteit wanneer een innerlijke beleving een plotse overeenkomst vindt in de buitenwereld, zonder dat er sprake is van een causaal verband, zonder dat het éne het àndere veroorzaakt. “We spreken van den duvel en we zien zijne staart” is daar een simpel voorbeeld van. Tussen de innerlijke wereld en de gebeurtenis in de buitenwereld bestaat dan een niet-oorzakelijk verband, of toch niet een aanwijsbare, rationele, meetbare relatie zoals we die in de realiteit kunnen leggen. Synchroniciteit veronderstelt een onderliggend patroon waarin geest en materie een eenheid vormen (unus mundus : één wereld). Dat patroon werd door de oude wijzen de “anima mundi” of “wereldziel” genoemd.   We kunnen synchroniciteit kortweg omschrijven als “betekenisvol toeval”. Wanneer zoiets zich voordoet, heb je het onbetwistbare gevoel dat je in aanraking komt met het boven-natuurlijke, het numineuze, of in ieder geval met iets dat de rede en de redelijkheid te boven gaat.  Synchroniciteit is het universum dat “ja” zegt. Jung zei dat synchroniciteit een altijd aanwezige realiteit is voor zij die er oog voor hebben. Ik had er oog voor. (Hieronder : zegel van Meester Symoen V M, 1475-1519, pastoor van Wortegem)

Een tijdlang maakte ik jaarlijks minstens één keer een solitaire voettocht doorheen de voormalige heerlijkheid van Walem te Wortegem, het gebied waar onze stamboom begin 13de eeuw wortel schoot en er zich gedurende vele eeuwen verder ontwikkelde. Dan stapte ik door de Meirhaegstraat, waarvan de naam teruggaat op het 10de– eeuwse Frankische toponiem en domein “merahaga” (moerassig gebied omzoomd met laagstammig hout) en waaraan mijn voorouders de plaatsnaam als familienaam ontleenden. Dat landelijk straatje start vlakbij het Hof van Walem, waar ik het al over had in “Welkom in Falconia” (zie elders op deze blog). Soms deed ik die medicijnwandeling omstreeks Allerheiligen en Allerzielen, jaartijd waarin de grens tussen deze en de Andere Wereld vervaagt en contact maken met de overledenen makkelijker is. Altijd deed ik het om me te verbinden met voorouders en naamgenoten die mij waren voorgegaan en die zich hier – en elders – een weg door het leven hadden geploegd.  In 1996 maakte ik mijn vooroudertocht  echter niet in het najaar, maar op de mooie lenteochtend van zaterdag 1 juni. Dit keer deed ik mijn “medicijnwandeling”, zoals de oorspronkelijke Amerikanen dat noemen, om aan de Spirits van de Voorouders kracht en inspiratie te vragen voor de Vision Quest die ik een maand later zou ondernemen (zie ook “Hartvinder” elders op deze blog). Ik citeer uit mijn dagboek. “Opstaan om 4 uur, back to the roots!  Mijn vijf uur durende voettocht begint om 5 u 30 aan het kerkje van Ooike.  Ik stap richting Wortegem en Walem. In het glooiende landschap liggen de hoeven waar de voorouders ooit woonden nog te slapen. Niemand op pad, alleen deze wakkere stambewaarder.” Het is mijn gewoonte om van mijn wandelingen een souvenir mee naar huis te nemen.  Soms is dat een handvol aarde uit de Meirhaegstraat of de Walemse kouters, een andere keer een verloren muntstuk, een potscherf, een buizerd- of valkenveer. Dit keer viel mijn oog op een kei ter grootte van een kippenei die, vlakbij de inrijpoort van het Hof van Walem, in de wand van de verhoogde berm van de holle weg stak.  Ik vond ‘m dus op het plekje van mijn eerste ontmoeting met mijn zielengids Falco een paar jaar eerder (zie elders op deze blog: “Welkom in Falconia”). Ik peuterde de kei los uit de klei en stopte ‘m in mijn rugzak. Bij elke stap  hoorde ik ‘m omineus tegen mijn veldfles tok-tok-tokken. Als een klopgeest die me nadrukkelijk iets wou vertellen. Thuiskomen, de laatste restjes gele klei van de kei afspoelen, hem wegen in mijn hand en hem vanuit alle mogelijke hoeken bekijken. Een pokdalige, donkerbruine, bijna zwarte steen waarin een lichter egaal bruin-grijs gesteente zich aftekent… Met een schok herkende ik in dit lichtbruine gedeelte de contouren van een zeemeermin!(zie schets illustratie). De meermin op de kei toont zich in vooraanzicht : een rond gezicht met ogen, neus en mond; lange haren; haar lijf met de naar rechts gewende en opgekrulde vissenstaart; haar rechterhand uitdagend op de heup geplaatst; in haar linkerhand de klassieke ronde spiegel ter hoogte van haar hoofd. Precies zoals ze op ons familiewapen is afgebeeld ! Ik geloofde mijn ogen niet en riep er mijn huisgenoten bij. Zonder veel moeite herkenden ze in de lichtbruine omtrekken de afbeelding van de zeemeermin die er miljoenen jaren geleden bij toeval door Moeder Aarde werd op aangebracht!

Wanneer ik deze kei aan vrienden toon, wordt wel eens opgemerkt dat iemand anders daar wellicht iets heel anders in projecteert of ziet. Dat is best mogelijk, maar waar het om gaat is dat ik, in mijn hoedanigheid van stambewaarder, op deze plek die het eigenste hart van onze bakermat is, een kei vindt waarop ons familiewapen te herkennen is. Dit is méér dan blind toeval, toch?  This is magic ! In de loop van mijn stamboomonderzoek deed ik talloze verrassende, interessante, schitterende ontdekkingen in de archiefbronnen. De vondst van deze meermin-kei is niet alleen één van de allermooiste, maar voor mij persoonlijk is ze ook van een grote spirituele betekenis.  Ik bedoel, het lijkt wel of  “de Spirits van de Voorouders”  zélf deze steen op mijn pad hebben gelegd, bij wijze van zegen en bevestiging van mijn jarenlang doorgedreven onderzoek. Zou het een blijk zijn van hun dankbaarheid omdat ik hen van de naamloosheid en de vergetelheid heb gered? Ik wist meteen ook dat mijn voorouders me zouden beschermen tijdens mijn Vision Quest.  Deze meermin-kei kreeg uiteraard een speciale plaats op mijn huisaltaartje en ik zorg ervoor dat hij binnen de familie bewaard blijft en doorgegeven wordt aan mijn nageslacht. Ik vind dus niet alleen hartjes en centjes – pennies from heaven – maar ook betekenisvolle stenen.  Altijd al had ik een goede band met het “stenenvolk” zoals de oorspronkelijke Amerikanen dat zeggen. Als kind verzamelde ik niet alleen fossielen, maar ook doodgewone stenen waar iets speciaals mee was naar vorm of kleur. Toen ik huwde sleepte ik heel mijn collectie mee naar Gent en nu liggen ze rond de totem op mijn werkkamer en bij het beeldje van de deva in mijn stadstuintje. Daar ligt ook onze onvergetelijke hond Chico begraven met bovenop zijn grafje een steen die ik kort na zijn dood in ons tuintje vond en wonderlijk sterk lijkt op het profiel van zijn hondenkop!

Een kleine tien jaar later – op 11 juni 2005 – maakte ik nog eens een Walemse rootswandeling met als doel de Spirits van de Voorouders te vragen om de finale publicatie van de stamboom te helpen realiseren. Ik citeer uit mijn dagboek : “Ik doe deze medicijnwandeling om het rootsproject – de genealogie Van Meirhaeghe – volledig te kunnen afwerken, nog in dit leven!”  Om zoveel mogelijk de stilte te ervaren en zo weinig mogelijk mensen te ontmoeten, deed ik ook deze wandeling op een vroege zaterdagochtend van 5 u tot 8 u. Onderweg raapte ik willekeurig een zestal keien en natuurstenen uit de bermen of van de akkers. Op de Walem-kouter vond ik een grote eivormige steen, minstens tweemaal zo groot als de voornoemde meerminkei. Aanvankelijk merkte ik niet meteen iets speciaals op. Pas tien dagen later, bij een hernieuwd nazicht, zag ik dat er alweer magic in the air was. Op de voor- en achterzijde van de steen stonden respectievelijk een meermin én een dolfijn afgebeeld! Niet zo geprononceerd en gedetailleerd als op de eerste kei, maar duidelijk genoeg (zie bovenstaande illustratie/schets voorzijde) : een blauwgrijze meermin die zich aftekent tegen een witgrijze achtergrond. Geschubd lichaam en staart met vinachtige uitsteeksels.  Op de borststreek tekent zich een wit hartje af.  Eén (afgebroken) arm in de lucht, de andere op de heup. De meermin staat in de klassieke heraldische houding: rechtop, op haar staart.  Op de keerzijde tekent zich een zwarte dolfijn af, met kleine staart en twee vinnen.  Ook oog en snuit zijn herkenbaar.  Onze twee familiewapens op één enkele steen verenigd, willekeurig opgeraapt in het hartje van onze bakermat : alweer een synchroniciteit die kon tellen, toch?  Terwijl ik de bovenstaande schets van de meermin zat te maken – op 21 juni 2005, omstreeks 15 u 35 – stond Radio Klara op. Ik luisterde met een half oor naar “De Vuurproef” met Karel Nijs. Hij liet de luisteraar kennismaken met een nieuwe cd met pianomuziek : het adagio assai en vivace uit het Concerto voor klarinet en orkest door het Helsinki Philharmonic Orchestra o.l.v. Leif Segerstam. Driemaal had Nijs het over… “dit Ondine-album”. ‘Ondine’ blijkt een platenlabel uit Helsinki te zijn dat vooral klassieke muziek van Finse componisten uitgeeft. Hoorde ik dat goed? Ondine ? Een ondine is immers een waternimf of meermin ! Dit was een synchroniciteit bovenop een synchroniciteit en dit dubbel betekenisvol toeval kon alleen maar mijn magische vondst bevestigen. De kei bevestigde ook de intentie waarom ik deze wandeling had gemaakt, want, out of the blue, kreeg ik een telefoontje van de voorzitter van de geschiedkundige kring Oudenaarde die me spontaan het voorstel deed om (een deel van) mijn genealogie in vijf afleveringen te publiceren in hun gerenommeerde jaarboek ! Dit opende deuren en vanaf dat moment publiceerde ik jaarlijks gedurende een periode van 15 jaar ook historiografische artikels over zeer uiteenlopende onderwerpen in diverse geschiedkundige jaarboeken.

De keuze van mijn voorouders voor de meermin als wapenfiguur mag dan al van enige originaliteit getuigen, ze was niet zo evident. Al sedert een paar millennia was de mythische sirene en/of zeemeermin een op zijn minst dubbelzinnig fabelwezen. Ze had de kwade roep dat ze met haar onweerstaanbaar gezang zeelui en ander mansvolk lokte, verleidde en de dood insleurde… De positieve, goddelijke en spirituele eigenschappen die ze in de oudheid toch nog volop bezat – de Feniciërs vereerden de liefdesgodin Atergatis die half vrouw, half vis was – werden met de grove christelijke bezem de biechtstoel en de kerk uit geveegd. Zo werd Maria Kleophas, die volgens de overlevering enkele jaren na de dood van Jezus samen met Maria Salomé en Maria Magdalena het Heilig Land verliet, de Middellandse Zee overstak en in Saintes Maries de la Mer in de Provence aan wal ging, vaak afgebeeld met een vissenstaart en vereerd als heilige hoer.Voor de Roomse kerk was de langharige en fraai gewelfde maerminne of meerminne de belichaming van één van de zeven hoofdzonden, luxuria, beter gekend als wellust in al haar vormen. De kam en de spiegel waar ze steevast mee wordt afgebeeld, en die ze geërfd had van de Griekse liefdesgodin Aphrodite (Venus) die uit het schuim van de zeegolven werd geboren, werden beschouwd als de attributen van de prostituee, de lichtekooi… De zeemeermin werd dus een femme fatale die voor het godvrezende volk werd afgeschilderd als de vleesgeworden ontucht die mannen in het verderf stortte. In dit licht lijkt de keuze voor een meermin als wapenfiguur inderdaad niet zo vanzelfsprekend en het is minstens merkwaardig te noemen dat een priester als Meester Symoen Van Meerhaghe, die omstreeks 1520 pastoor van Wortegem was, met een zeemeermin zegelde en niet met een zedige geslachtloze dolfijn zoals zijn broers het deden.  De beslissing om een welbepaald familiewapen aan te nemen werd immers nooit lichtzinnig genomen, wel integendeel, een familieblazoen had altijd een specifieke symbolische betekenis. Wat dreef die Van Meirhaeghes ertoe om, ondanks haar dubieuze reputatie, tóch voor een meermin te kiezen? Vissers waren ze immers niet en in vogelvlucht woonden ze ruim 50 kilometer van de Vlaamse kust vandaan, waar van aloude tijden verhalen over meerminnen de ronde deden. In gebieden met een Keltische bevolking zijn sagen over waterfeeën en meerminnen wijd verbreid. In Wales, Schotland en Ierland worden ze ook met bepaalde families in verband gebracht. John Rhys, kenner van Keltische folklore, tekende verschillende sagen op waarbij bepaalde personen of families hun afkomst op zo’n waterfee terugvoeren en daar trots op zijn. Zou binnen de clan Van Meirhaeghe ooit het verhaal de ronde gedaan hebben dat ook zij van een meermin afstamden?  Ik vond nochtans nog nooit na het baden schubben in mijn badkuip.

Prehistorische rotstekeningen suggereren dat een groep van buitenaardse “vis-mensen” van achter de sterren naar de aarde kwamen. (Zie hoger illustratie: prehistorische meermannen en dolfijnen in elkaars gezelschap). Deze kosmische meermannen waren volgens hun verhalen extreem intelligent en spiritueel. Ze zouden geholpen hebben bij de evolutie van onze soort en de primitieve mens de beschaving bijgebracht hebben. Dolfijnen zouden de directe afstammelingen zijn van deze alien meermannen en meerminnen. Het Dogon-volk uit Mali, West-Afrika, en sommige Australische aboriginals beweren dat ze afstammen van dolfijnen en dat verklaart de dolfijn in hun rituelen. In het antieke Soemerië, Mesopotamië, bakermat van onze beschaving, wordt  melding gemaakt van wezens half-mens half-vis die de beschaving brachten. Zo was er de Babylonische god Oannes die elke dag als een meerman uit de oceaan opdook om zijn wijsheid te delen met de volkeren aan de Perzische Golf. Overdag onderwees hij hen in de geschreven taal, de kunsten en de wetenschappen, ’s nachts keerde hij terug naar de zee (zie lager: illustratie).

Afgezien van het negatieve imago waarmee het christendom haar in het Westen opzadelde, bleef de meermin op andere continenten een positief wezen. Zo zijn meerminnen en dolfijnen alom present in het sjamanistisch universum. In hun door plantaardige, bewustzijnsverruimende middelen (ayahuasca, ibogaïne, psylocibine paddenstoelen, mescaline, peyote cactus) of via andere methodes opgewekte trances en visioenen, ontmoeten de sjamanen heel frequent meerminnen en dolfijnen. Intelligenties of entiteiten uit andere (bewustzijns)werelden manifesteren zich vaak door middel van dieren en theriantropen, dit zijn wezens die half dier half mens zijn. Deze hybriden zijn dan vaak het vruchtbaar resultaat van seks tussen een mens en een entiteit uit die andere wereld. Een kind, geboren uit een meerminmoeder en een menselijke vader, blijft achter in de onderwaterwereld waar het een machtig sjamaan wordt. Hedendaagse Zuid-Amerikaanse sjamanen aanroepen, wanneer ze ayahuasca innemen en genezingen uitvoeren, de “vegetalistas” (genezers, sjamanen) die onder water leven en van wie de moeders meerminnen zijn. Ook 21ste- eeuwse, Westerse gebruikers van ayahuasca signaleren regelmatig ontmoetingen met meerminnen in hun visioenen. Daarvan getuigt onderstaande illustratie: een detail uit het ayahuasca-visioen van Peruviaanse sjamaan-schilder Pablo Amaringo.

Zou het kunnen dat de Van Meirhaeghes hun familiewapenfiguren niet aan de alledaagse werkelijkheid ontleend hebben, maar aan dergelijke psychedelische ervaringen of visionaire zielenreizen? Had de meid van de pastoor van Ooike – buurdorp van Wortegem-  in 1660 immers in een rechtszaak niet verklaard “dat het geweten was dat de Van Meirhaeghes van geslachte tot geslachte toveraers en toveressen waren ?” Dat was geen loze bewering, want dertig jaar eerder werd te Nokere de “heks” Clara De Vos verbrand – over wie ik elders uitgebreid publiceerde – wegens deelname aan heskensabbats op de Steenakker vlakbij Walem, waaraan ook Cornelia Windels deelnam, de echtgenote Paesschier Claerbaut, schepen van Ooike. Cornelia was de schoonmoeder van Willem Van Meirhaeghe, schepen en griffier van Ooike en zoon van Jan Van Meerhaeghe, baljuw van Ooike. Daarmee is het alom aanvaarde en wijd verbreide cliché uit de wereld geruimd dat heksen altijd arme ongeletterde vrouwen waren die aan de zelfkant van de maatschappij leefden. Heksen en tovenaars hadden blijkbaar een internationaal netwerk, want in datzelfde 1660 werd ene Catharina van Merhagen in Grossengottern, Thüringen, Duitsland, van hekserij werd beschuldigd.

“The Magical Mystery Tour is going to take you away”. In 1967 maakten mijn tijdloze idolen The Beatles hun gelijknamige, niet zo tijdloze film The Magical Mystery Tour. Genealogie was voor mij een mystery tour, een reis in de tijd, met magische momenten die mijn onderzoek richting gaven, en me zelfs in vervoering brachten.  Stambomen was nooit alleen maar een interessante hobby of een rationele hulpwetenschap van de geschiedschrijving die werkt met exacte namen en data en plaatselijke historische feiten. Genealogie was ook méér dan alleen maar de bevrediging van mijn nieuwsgierigheid naar mijn voorouderlijk verleden.  Dat ik sedert de ontdekking van ons familiewapen in september 1980  een zilveren meerminnetje om de hals draag, getuigt van méér dan alleen maar van de band met het blazoen dat mijn voorouders vanaf de 14de eeuw gebruikten om er akten mee te zegelen. (Zie bovenstaande illustratie: zegel van mijn voorvader Lodewijck VM, 1460-1520, schepen van Walem).  Evenmin bevat genealogie voor mij louter emotionele componenten – familietrots, familiegevoel, de voelbare bloedband – maar heeft ze ook een spirituele dimensie. Uiteraard wou ik op de eerste plaats een degelijke, historisch verantwoorde familiegeschiedenis schrijven, maar er speelden ook dingen mee die buiten het doordeweekse kader, ja, zelfs buiten de alledaagse werkelijkheid vielen.  Er waren plotse ingevingen, intuïties en dromen die mij de juiste zoekrichting aanwezen en er was serendipiteit en synchroniciteit die het heilige vuur aanwakkerden. 

Bij het gaan van een spiritueel pad gaat het erom dit niet te beperken tot het meditatiekussen, maar alle aspecten van je leven erbij te betrekken, ook je hobby’s. Zoals de andere dagelijkse bezigheden, probeerde ik ook die stamboomhobby van mij, waar ik onfatsoenlijk veel uren mee bezig was, te sacraliseren. Daartoe installeerde ik op mijn werkkamer een huisaltaartje voor de voorouders. Daarop plaatste ik enkele foto’s en afbeeldingen van ons familiewapen. Er staan ook enkele flesjes met voorouderlijke grond van de plekken waar mijn voorzaten de voorbije acht eeuwen gewoond hebben. De magische keien van Walem hebben er de ereplaats, dat spreekt.  Elke weekdag voer ik daar een kort en op zondagochtend een uitgebreid ritueel op voor de voorouders, waarbij ik wierook en water – element van de meermin – offer.  Luidop reciteer ik de stamreeks van 25 generaties, van bij mezelf tot bij onze stamvader en -moeder uit de 13de eeuw. Vervolgens zing ik, op een simpele melodie, het “Krachtlied voor de Voorouders” dat ik maakte, waarvan het keervers luidt : “Connecting with the Spirits of my ancestors”. Die connectie met de voorouders leverde, zoals gezegd, een onwaarschijnlijk resultaat op. Ik schreef ook een “Gebed voor de Voorouders” : “Spirits van de Voorouders, dank voor de zegeningen van de voorbije dagen, weken, maanden en jaren; geef me inzicht, inspiratie, liefde en kracht om het project waaraan ik werk tot een goed einde te brengen en stuur mensen op mijn pad die me daarbij kunnen helpen”. Die zegeningen zijn alle prachtige vondsten die ik ooit deed en het onbetaalbare genoegen dat ik eraan beleefde. Het project waarvan sprake is uiteraard de genealogie Van Meirhaeghe. Dat me overvloedig inzicht, inspiratie, liefde en kracht werd geschonken, bewijst ons zeer succesvol onderzoek. Ik mag dan al een begenadigd genealoog zijn en enig schrijftalent bezitten, het technisch realiseren van dit werk in boekvorm en het organiseren van een familiefeest waarop het boek op de buitenwereld werd losgelaten, is niet bepaald mijn ding.  Daar ontbreekt me het talent voor. Naarmate de jaren verstreken begon mijn hart soms onrustig te kloppen en brak het zweet me uit bij de gedachte dat mijn magnum opus nog altijd ongepubliceerd in de lade lag of begraven op de harddisk van mijn computer. Mocht ik plots naar de Overkant geroepen worden – ik stond al een paar keer met één voet in de oversteekboot van de veerman –  zou veertig jaar onderzoek tevergeefs geweest zijn…  Ik had dus dringend handige helpers nodig om de publicatie in boekvorm voor mekaar te krijgen. Vandaar mijn verzoek: “Stuur mensen op mijn pad die me daarbij kunnen helpen”.  Ook dit gebed werd verhoord, en hoe ! Niet één, maar vijf naam- en stamgenoten boden zich spontaan aan om mij te helpen bij de realisatie van wat ik toch wel mijn levenswerk mag noemen. Wat ik wil zeggen is : open je innerlijk oog voor de magie van het dagelijks leven. Het vrolijkt je niet alleen op, het geeft je ook het gevoel deel uit te maken van een groter geheel.  Leg je kritische functie af en toe het zwijgen op en durf een beroep te doen op krachten die buiten jou om bestaan en die je al bij al beperkte mogelijkheden en inzichten ver overtreffen.

Mijn wens wanneer mijn levensliedje hier is uitgezongen is dat aan de Overzijde een ontvangstcomité van de familie me verwelkomt en dat mijn vader Jan me voorstelt aan zijn vader Auguste Meirhaeghe, die kort voor mijn geboorte overleed, en aan diens vader Desiré, diens vader Karel Lodewijk, diens vader Pieter Frans, diens vader Pieter Joseph, diens vader Jan Frans, diens vader Augustijn, diens vader Pieter, diens vader Jan, diens vader Jan van Meirhaeghe, diens vader Roegier, diens vader Franchoys, diens vader Roegier, diens vader Lodewijck, diens vader Lodewijck, diens vader Joos, diens vader Willem, diens vader Fransois, diens vader Gillis, diens vader Jan, diens vader Wouter, diens moeder Gertrudis en aan haar vader Willem van Meerhage, de allereerste bekende naamdrager. En aan al hun echtgenotes, mijn voormoeders. Bien heureux de se retrouver ensemble ! Dan kunnen ze me eindelijk eens uitleggen waarom ze ooit kozen voor een zeemeermin en een dolfijn als familietotems.

Herman Meirhaeghe

NIET OVER ROZEN

Geboren op een zondag zag ik mezelf lange tijd als een zondagskind. Uiteraard kende ik, zoals elke sterveling, moeilijke periodes, maar die volgden elkaar niet  in snel tempo op, waren beperkt in duur en niet van die aard om van mij een Blue Monday Man te maken. Op de drempel naar de derde leeftijd kwam daar verandering in. Vanaf mijn zestigste ging mijn levenspad niet bepaald over rozen. Blijkbaar krijgt elkeen zijn portie levensleed voorgeschoteld.  Karma moet vroeg of laat ingelost worden, geen ontsnappen aan. Wanneer ik mijn dagboeken erop nalees vind ik haast elke dag vermeldingen van lichamelijk ongerief of kwaaltjes. Niets levensbedreigends, maar toch op zijn minst vervelend en zeker een forse rem op mijn elan, mijn drive en sociaal leven. Geen twee opeenvolgende dagen zonder enig ongemak. Alsof er een pijnbeestje in mijn lichaam rondzwerft van schedeldak tot voetzolen en zich nu eens hier dan weer daar vastbijt. La vieillesse avec son cortège de maux. Hoe leer je hiermee leven? Hoe ga je ermee om als de blauwe hemel na overwegend zonnige decennia plots haar grijze gordijnen dichtschuift en de motregen overgaat in stortregens.     

Van toen ik 10 jaar werd ging elke overgang naar een nieuw levensdecennium gepaard met opvallende gebeurtenissen, hetzij in mijn innerlijk leven, hetzij in de buitenwereld, of allebei. Het begon met een voorteken dat in deze krantenkop verwoord wordt: “Wolkbreuk boven Gent zet de straten blank”.  Niet alleen de straten maar ook vele huizen in Gentbrugge en Ledeberg liepen die donderdagavond 15 mei 2008 onder.  Bij ons thuis voltrok het onheil zich op zolder en op de tweede verdieping. Ik had net een klein ritueel gedaan om mijn wijding tot zenmonnik te herdenken, dag op dag veertien jaar eerder, toen de waterduivels het dak besprongen. In een mum van tijd stond het water op mijn werk- en meditatiekamer, die ik mijn Veilige der Veiligen noem, enkelhoog. Snel de zonen opgetrommeld om met man en macht water te hozen en te redden wat er te redden viel. Deel van het plafond losgekomen, behangpapier besmeurd, zompend tapijt. Een jaar eerder had mijn kamer een totale opfrisbeurt gekregen. Dagenlang de verwarming hoog om het tapijt te drogen. Twee weken later, op dinsdag 3 juni, toen vasttapijt, muren en plafond grotendeels waren gedroogd en alles min of meer opgekalefaterd of hersteld was, brak er weer een wolk boven dit deel van de stad. De dakgoot kon het water niet slikken dat via de zolder een tweede keer mijn werkkamer binnenstroomde. Gelukkig bleef mijn boekenschat ook dit keer gespaard. Bij plotse gebeurtenissen van dergelijke omvang vraag ik me altijd af wat dit zou kunnen betekenen. Wordt hier een boodschap gecommuniceerd? Is het een voorteken van wat komen zal? Werd ik niet neerslachtig van die neerslag, het was in elk geval een aanslag op mijn vluchtheuvel van schoonheid en stilte, mijn paradijsje twee hoog, opgetrokken uit boeken en vele objecten en snuisterijen waarvan er niet één zonder spirituele betekenis is.  Mocht dit voorval een droom geweest zijn, dan had ik mijn ondergelopen “bovenkamer” geduid als mijn “hoofd” en “brein” die door noodweer getroffen werden. En zo geschiedde.

Met ouder worden speelde mijn aangeboren hoogsensitiviteit me almaar meer parten.  Een te dunne huid, waardoor prikkels uit de buitenwereld ongefilterd binnenvallen. Mijn scheppers zegenden me met overgevoelige zintuigen waarvan mijn gehoor het meeste problemen oplevert. Hyperacusis dicteerde steeds grotere beperkingen aan mijn doen en laten. Altijd een last en een opdracht, vaak een beproeving, ook vanwege de bijbehorende spanningshoofdpijn en periodische slapeloosheid. Lastig omdat het mijn spirituele engagementen en initiatieven danig hypothekeert. Het dwingt me tot een relatief groot kluizenaarschap. Vooral mijn sociale contacten lijden daar fel onder. In mijn jeugd en jonge jaren kon ik nog vlotjes in het rood en over mijn grenzen gaan, maar dat lukte niet meer. Hoewel ik in die wilde dagen toch ook al forfait moest geven voor optredens van mijn favoriete rockgroepen wegens teveel decibels en te grote drukte.  En zeggen dat ik er ooit van droomde om rockjournalist te worden… Het heilig vuur brandt nog altijd hevig, maar er zitten barsten in mijn kacheltje. Noodgedwongen ontwikkelde ik vermijdingsgedrag. Ik schuwde drukke plekken en zelfs vrienden- en familiefeestjes werden problematisch wat, begrijpelijk, op onbegrip stuitte. Er werd mij verweten dat mijn zogezegde hooggevoeligheid eigenlijk passief dominant gedrag was, omdat iedereen zich naar mijn toestand moest plooien…  En dat terwijl ik me in  onmogelijke bochten dwong om aan wensen van mensen te voldoen. Zelfs mét oordoppen kwamen dergelijke opmerkingen toch wel binnen.

Er valt niet te ontkomen aan onze bulderende lawaaiwereld met zijn vele sociale verplichtingen. Gelukkig hou ik van alleen zijn. Ik zei het al eerder : stilteplekken zoals abdijen, musea, bibliotheken, archiefzalen en de natuur zijn sedert mijn jeugd niet voor niets mijn geprefereerde biotopen. Mijn aandoening dwong me a.h.w. het innerlijke pad van verstilling op te gaan en me te focussen op de spirituele dimensie van het leven. Een naam of etiket voor mijn “kwaal” bestond of kende ik niet. Dit was één van de redenen voor het onbegrip, zowel van de buitenwereld als van mezelf voor mezelf. Omdat het niet meteen een klassieke medische aandoening is, word je niet au sérieux genomen.  Je bent een watje, een oorwatje in mijn geval. “Het zit tussen je oren”, zei men. Neen, niet tussen, maar in mijn oren!  Op de duur zeg je tegen jezelf wat anderen zeggen: “Bijt eens op uw tanden, flauwerik !” Of nog beter: “Jij, als onverstoorbare zen-boeddhist zou daar toch tegen moeten kunnen.”  In 2004 trof ik in Fnac Brussel het inmiddels klassieke boek aan van Elaine Aron: “Hoog Sensitieve Personen – Hoe blijf je overeind als de wereld je overweldigt.” De ondertitel bevat de vraag die ik me dagelijks stelde. Ter plekke las ik enkele willekeurige passages : een  openbaring ! De herkenning was compleet. Eindelijk wist ik wat er met mij aan de hand was.  Het lastig kind had een naam : ik was een HSP’er. Maar een diagnose is nog geen genezing. In maart 2009 resulteerde mijn zintuiglijke overgevoeligheid en overbelasting in een uitval van mijn geteisterd brein en zijn bedrading, een crash die me maanden thuis hield. Geen burn out, eerder een meltdown.

Heel lang kon ik dit min of meer hanteren, tot ik op ’t werk wegens de reorganisatieziekte mijn bureau, dat ik deelde met mijn collega en vriend R. met wie ik 35 jaar een duo vormde, moest verlaten. Het voelde aan als een uitdrijving uit onze Tuin van Eden die er met zijn 65 planten uitzag als een mini tropisch regenwoud. Voortaan zouden we onze werkdagen uitzweten in een landschapsbureau. Dat was omstreeks de millenniumwissel de nieuwe uit de VS overgewaaide trend waar de directeuren, die lekker een eigen bureau hadden,  wild van waren.  Welk een cynicus verzon dit woord: “landschapsbureau”? Weinig groen of glooiende velden te bespeuren in dat vermaledijde landschap van zoemende computers, ratelende faxen, kreunende fotokopieerapparaten en rinkelende telefoons. Daar zaten we met een twintigtal collega’s samen op een plek met vier radio’s die ieder op een andere zender waren afgestemd en waar je alle telefoon- en andere gesprekken willens nillens moest aanhoren. Bovendien werkten we op de personeelsdienst, wat een permanent komen en gaan van werknemers met zich meebracht die hun problemen voor iedereen hoorbaar kwamen bespreken. Het vergde uiterste concentratie om bij de zaak te blijven. Om de paar uur trok ik me even terug in het ruime toilet voor minder-validen dat toch nooit gebruikt werd om er op adem te komen, er wat lichaamswerk te doen of er enkele minuten te mediteren. De laatste twaalf jaar van mijn loopbaan werkte ik er de dag door met oordoppen om het eeuwige gebabbel en getater niet te moeten aanhoren. Overigens betreed ik sedert vele jaren nooit de openbare ruimte zonder beschermende oordopjes. Om niet helemaal kopje onder te gaan werkte ik uiteindelijk halftijds; een financiële aderlating, maar een noodzaak. Al mijn kunstgrepen en hulpmiddeltjes konden niet langer verhinderen dat ik finaal crashte. Die dag was ik niet meer in staat om nog de trein naar huis te nemen. Gelukkig toeval: mijn zoon was die namiddag in Brussel en kwam me oppikken.

Daarna volgden drie maanden ziekteverlof met een sliert consultaties aan de huisarts, de neuroloog, de osteopaat en de acupuncturist, wat geen soelaas bracht, laat staan een oplossing. Stilte en rust waren en zijn het enig doeltreffend medicijn. Een blokje om wandelen lukte niet meer. Ik voelde me zo onzeker en overweldigd dat mijn vrouw me aan de arm moest vergezellen. Toen ik weer alleen de straat op kon, liep ik op de terugweg van de dokter naar huis verloren in de straten van de stad die ik als mijn broekzak kende… Ik vond gewoon de weg niet meer… “I’m not half the man I used to  be”. Deze woorden uit Yesterday  van Paul Mc Cartney schieten me  sedertdien zeer regelmatig door het hoofd. Vanwege de beperkingen die mijn hooggevoelig “systeem” me oplegt, bots ik immers constant op mijn grenzen, wat frustrerend is. Uiteraard had ik het liever anders, maar als alles deel uitmaakt van de Ene Werkelijkheid of van G*d, dan ook alles wat ik als negatief ervaar. Met de woorden van mystica Catharina van Genua (1447-1510) : “We moeten niets anders willen dan wat zich van ogenblik tot ogenblik aandient”. Haar woorden verwerkte ik in een gebed dat ik dagelijks bid na mijn ochtendmeditatie : “Rabbi Jezus, Heer Boeddha, geef me vandaag de kracht om mijn lasten te dragen zonder een last te zijn voor de anderen en om de dingen te omarmen die mij van ogenblik tot ogenblik overkomen en vervul mij met liefdevolle vriendelijkheid jegens alles en iedereen”. Na mijn ziekteverlof ging ik terug aan ’t werk. Tot aan mijn pensionering zou ik het in dat schandlapbureau moeten uitzitten. Na die lange rustperiode was mijn eerste uitstapje een bezoek aan onze vertrouwde zen-dojo om er eindelijk weer met de vrienden te mediteren. Daar vond ik een flyer van ene Annemie Tollenaere die in Gent “Interreligieuze Meditatie” wou organiseren. We maakten een afspraak bij haar thuis – toevallig op haar verjaardag – en in september 2009 gingen we van start met maandelijkse bijeenkomsten waar mensen van zeer uiteenlopende religieuze achtergrond in stilte kwamen mediteren. Eindelijk kon ik mijn spirituele activiteiten en engagementen buitenshuis weer opnemen ! Enkele maanden later moest ik echter afhaken…

Sedert jaar ende dag ga ik fietsen in de groene Scheldevallei tussen Gent en Melle.Dit gebied noem ik in mijn persoonlijke mythologie “Falconia”, waar ik het al eerder over had op deze blog.  Op dinsdagmiddag 16 maart 2010 maakte ik weer eens een fietstochtje door het vertrouwde landschap, altijd hetzelfde parcours maar telkens weer anders ingekleurd door de seizoenen. Ik pauzeerde even op een bank aan de Schelde in de buurt van Melle-brug. Toen ik de terugweg wou aanvatten, kreeg ik de pedalen nauwelijks nog rond.  Beklemming op borst en in de kaakgewrichten, plus een algemene slaptitude. Een gsm had ik niet en ik kon dus mijn vrouw niet bellen om me met de auto op te halen. Op mijn kleinste versnelling fietste ik de 10 km huiswaarts, heel traag.  Eenmaal thuis, liggend op de sofa, herstelde ik net genoeg om onze twee kleindochters naschools op te vangen én om diezelfde avond Annemie bij te staan bij de Interreligieuze Meditatie. ‘s Anderendaags ging ik werken. Was dit angina pectoris?  Grote zorgen maakte ik me niet meteen omdat de dokter twee jaar eerder, na een grondige check up  en een reeks tests, gezegd had dat ik als zestiger “het hart van een twintiger” had. Ik had beter moeten weten, want er waren tal van tekens dat er iets loos was.  Zo werd ik in de weken daarvóór drie keer door een hevige duizeling overvallen, tweemaal tijdens de zenmeditatie in onze zen-dojo waarbij ik steun moest zoeken tegen de muur vóór mij om niet van mijn meditatiekussen te vallen. En hadden vader en zijn broers ook geen hartinfarct gehad. Er waren niet alleen lichamelijke aanwijzingen. In de voorafgaande dagen en weken had ik een tiental dromen over de dood van familieleden – mijn ouders, ooms en tantes. Tweemaal droomde ik over de begrafenis van mijn overleden vriend, collegeklasmakker en voornaamgenoot Herman V. S. én over kameraad Dirk V. die een jaar eerder aan een hartinfarct overleden was. Hoe blind kan je als gediplomeerd droomwichelaar zijn…

Precies een week na de fietstocht overvielen me dezelfde symptomen tijdens het stofzuigen van mijn werkkamer. Ik maakte meteen een afspraak met de huisarts en de volgende dag ging ik op consultatie. Toen ik mijn verhaal deed, mocht ik niet meer te voet naar huis, maar werd ik sofort naar “de spoed” gebracht. Daar werd vastgesteld dat ik twee hartinfarcten had gedaan. Ik was door het oog van de naald gekropen, zei de dokter. Eenmaal in het ziekenhuis ging ik meteen en de klok rond in meditatiemodus. Dat gaf me rust en gelijkmoedigheid midden de medische hectiek van artsen, verplegend personeel, infusen, snoeren, elektroden, monitoren, enz.  Na een nacht op intensive care volgde de ingreep : het inbrengen van drie stents in de hartslagaders, wat bij bewustzijn gebeurde.  De dokter praatte heel de tijd met mij over kalfjes en koetjes om mijn aandacht af te leiden. Goedbedoeld, maar vervelend omdat ik me volledig wou focussen op mijn meditatiemantra. Plots zweeg hij; ik zag hem rood aanlopen. Er deed zich een probleem voor.  Hij slaagde er niet in doorheen de kalk te boren, waardoor wondjes werden gemaakt en ik een extra hartinfarct had, dat ze uiteindelijk konden managen. Spannend. Door die complicatie moest  ik een extra dag blijven voor ik naar huis mocht. Tijdens de lange slapeloze nachten op de recovery bad en mediteerde ik. Ik verbond me met mijn aanwezige lotgenoten op de collectieve slaapzaal die allen een of andere vorm van lijden lagen te verwerken. “Licht, liefde en alle goeds”, zeker voor de bejaarde dementerende vrouw, vastgebonden in het bed naast me, die heel de nacht lag te roepen “Help mij ! Help mij ! Laat me los !”  

Tijdens heel dit proces maakte ik me geen zorgen, voelde ik geen angst.  Eenmaal je je volledig moet overgeven aan de medische procedures heb je ook niets meer zelf in handen. Ik ergerde me niet aan de moeilijke omstandigheden en mijn overgevoeligheden speelden niet teveel op.  Rustig en verzoend met de situatie. Ik voelde ook geen opstandigheid omdat dit me was overkomen, ik die toen al twintig jaar oplettend en gezond leefde, geen risicogedrag vertoonde, en toch hierdoor getroffen werd, terwijl anderen in mijn omgeving dansten en schransten en daar lustig en probleemloos konden mee doorgaan. De “waarom mij-vraag” stelde ik me niet. Dit was blijkbaar mijn lot. ’s Nachts lag ik, tussen het bidden en mediteren door, urenlang te kijken naar het fascinerend spektakel achter mijn gesloten oogleden. Naar de nooit eindigende kaleidoscoop van duizenden vormen en figuren, mensen en dieren, die voortdurend evolueerden en van vorm veranderden en naar de vele tientallen gezichten en tronies van onbekenden. Een panoramisch mozaïek waarin alles tegelijkertijd gebeurde. Het leek wel een psychedelische trip. De revalidatie verliep de eerste maanden redelijk goed maar niet rimpelloos. Collega’s die een identieke ingreep hadden ondergaan pochten dat ze al na een paar dagen “weer over de tafel konden springen”. Ik dus niet, zelfs niet over het bijzettafeltje. De huisarts noemde mijn klachten ”atypische pijn”, waarmee hij wou zeggen dat hij het ook niet wist. Het zou wel overgaan, wat het ook deed. Mooie momenten toen ik weer thuiskwam en mijn geliefden terugzag.  Heerlijk ademen ook in mijn stadstuintje tussen het lentegroen, met de Negen Symfonieën van Ludwig van B die ik van een vriend cadeau had gekregen in de walkman, lezend in “De Smaak van Stilte”, het schitterende boekje van Bieke Vandekerckhove die op jonge leeftijd overleed aan de dodelijke spierziekte A.L.S. en die ik kende van op de Maha Karuna Zen-retraites. Uiteindelijk kwam alles goed en spring ik weer vlotjes over de uitschuiffeesttafel. In ”Hartvinder” (zie elders op deze blog) schreef ik hoe ik na mijn hartfalen op straat hartjes begon te vinden en dat daaruit een soort Heilig-Hart-mystiek ontstond. Ik ontwikkelde ook een hartvisualisatie. Ik stelde me een brok ruwe smaragd voor die fysieke en spirituele helende kracht uitstraalde naar mijn hart. Naderhand bewerkte ik het denkbeeldige hart tot een groen hart dat ik op de plaats van mijn geteisterde hart transplanteerde. Ik wist niet hoeveel leef-tijd me nog toegemeten was, maar ik nam me voor de blessuretijd te gebruiken om de smaragd verder te polijsten tot een juweel van liefde en mededogen. En om me nog meer focussen op mijn innerlijk leven, op mijn toewijding aan mijn meditatiepraktijk en aan Rabbi Jezus.

Op zaterdag 3 november 2012 maakte ik mijn dagelijkse middagwandeling in de stad. Ik gloeide nog na van de intense week meditatie in de abdij van Waasmunster met de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie.  De lage zon achter mij wierp plots drie schaduwen over mij en het weggetje waar ik stapte. Een paar minuten eerder hadden drie jonge mannen mijn pad gekruist waarbij ik een slecht gevoel had en daarom de blik had afgewend om geen reacties uit te lokken. Dit drietal met sjaals en hoodie-kappen gemaskerde musketiers had rechtsomkeert gemaakt en viel me in de rug aan. Met een zware stok knuppelden ze me op het achterhoofd neer, waarna ik in elkaar geschopt en geslagen werd.  Zomaar. Ik werd het lijdend voorwerp van zinloos, of beter, rede- en redenloos geweld. De overval duurde amper een paar minuten waarna ze het op een lopen zetten. Ik raakte net nog op eigen kracht thuis – een kwartier stappen – waar mijn vrouw zich een ongeval schrok toen ze haar bebloede echtgenoot zag binnenstrompelen. Ze belde meteen de dokter en de politie. Ik werd naar de spoedafdeling gevoerd waar ik twee jaar eerder was binnengebracht voor hartfalen. Diagnose : vingers, ribben, armen en benen gebroken of gekneusd en een vervaarlijk opgezwollen hoofd als dat van de Elephant Man uit de gelijknamige film van David Lynch. Gelukkig droeg ik het mutsje met extra dikke rand dat ik een paar weken eerder toevallig had gevonden en dat de klappen van knuppel en vuisten en de schoppen met zware legerboots op mijn schedel opving en op die manier veel erger voorkwam. In de spiegel zag ik wat “bont en blauw geslagen” betekende. Buiten vertoonde ik me niet meer, om mensen niet aan het schrikken te maken en om niet nóg eens heel mijn verhaal te moeten doen. Binnenskamers bewoog ik me krukkemikkig met een wandelstok voort. ’s Avonds voetje voor voetje de trap op naar boven waar het een hele onderneming was om in bed een min of meer draaglijke positie te zoeken voor mijn geradbraakte knoken. Dan volgde weer een nacht met weinig slaap en veel meditatie. En met bidden voor mijn overvallers die blijkbaar met mij nog een karmische rekening te vereffenen hadden.  Ik geloof immers niet in “wrong time, wrong place”. Altijd zijn we op de juiste plaats. Gebeurtenissen komen niet, zij zijn er en wij ontmoeten ze op onze weg. Aan mij om ze op de juiste wijze tegemoet te treden. Dat is vrijheid.

Maar het ondergaan van een vergeldingsdaad op zich volstaat niet om karma te vereffenen, het gaat om de wijze waarop je erop reageert. Ondanks hun laakbare daad, kon ik mijn belagers meteen zien als slachtoffers van hun verblinding. Ik voelde ook compassie omdat ik dacht : hoeveel liefde kwamen jullie tekort om tot zo’n gratuite gewelddadige actie over te gaan? Compassie omdat ze niet alleen mij, maar vooral zichzelf geweld aandeden en omdat ze wellicht niet over de middelen beschikten om zich te transformeren.  Ik voel me triest als ik eraan terugdenk, niet om wat mij, maar om wat hen is overkomen. Maar er is altijd hoop. Als ik zie dat de grote inspirator uit mijn jeugd, John Lennon, zich als jongvolwassen pre-Beatle in Hamburg aan hetzelfde gewelddadig gedrag te buiten ging en tien jaar later één van de grootste vredesactivisten van mijn generatie werd – Give Peace a Chance, War is over, Bed-ins for Peace, Imagine – komt het misschien ook met mijn overvallers weer goed. Ik zag dat trio ook als leraars. Ongevraagd stelden ze me de vraag: “Hoe reageer je hierop?”, “Wat doe je hiermee?”, “Kan je hiermee aan de slag?” Ik vond het goed dat het mij en niet iemand anders overkomen was, omdat ik wist dat ik dit aankon en iemand anders misschien veel minder of helemaal niet, met alle traumatische gevolgen van dien. Blijvende trauma’s hield ik er niet aan over, geen angsten, geen paranoia, geen wrok, wraakgevoelens of bitterheid. Heel opmerkelijk was het dat vrienden niet konden of wilden geloven dat ik dat allemaal zonder bad feelings kon plaatsen. Ze suggereerden dat ik mijn mededogen voor dat “trio infernal” veinsde omdat ik dit aan mijn zogenaamde “spirituele status” van zen-boeddhist of jarenlange meditator verplicht was… Daar keek ik toch wel even van op. Tot ik me realiseerde dat hun twijfel enkel getuigde van hun onwetendheid over de transformerende kracht van meditatie. Want in wezen had ik hier geen verdienste aan; het was doodgewoon het bijna automatisch resultaat van een jarenlange meditatiepraktijk. Er bleek “niemand thuis” te zijn om de psychologische klappen te incasseren of een boekhouding van negatieve gevoelens bij te houden. Het leek ook niet “mijn” ontploft brein, “mijn” geteisterd hart, “mijn” gekneusd lichaam, “mijn” verwerpelijke overval, “mijn” pijn te zijn. En dit moet niet verward worden met dissociatie, het mechanisme waarbij lichaam en bewustzijn gesplitst worden om aan de confrontatie  met een trauma te ontkomen. Het was eerder alsof er geen “mijn” bestond en alleen maar “brein”, “hart”, “lichaam”, “overval”, ” pijn”, even zovele verschijnselen die per definitie ook verdwijnselen zijn.

Wegens de beperkte ruimte kan ik het hier niet uitgebreid hebben over een ander soort leed. Zielenleed. De laatste acht jaar moest ik immers afscheid nemen van twee hartsvriendinnen met wie ik een half mensenleven heel close was, van vriend M met wie ik begin jaren ’70 de eerste stappen zette op vele esoterische en spirituele paden en van collega en spirituele vriend R. met wie ik heel mijn beroepsloopbaan had samengewerkt. Over de dood van mijn vrouw Gerda schreef ik reeds in “Tekens van Leven en Liefde” (zie elders op deze blog). We huilen wanneer iemand van deze naar de Andere Wereld geroepen wordt. Zou er ook in de Andere Wereld – waar bewustzijn vrij van vorm is – gehuild worden wanneer een ziel naar déze wereld vertrekt om in de stugge materie te incarneren en met de moeilijk draaglijke zwaarte van het bestaan aan de slag te gaan? Ik vind het leven een razend interessant experiment, maar ook vermoeiend en beperkend.  Zeker op mijn leeftijd maken beproevingen het makkelijker om mijn stoffelijk lastpak uit te trekken. Het zal een opluchting zijn om dit knellende keurslijf af te leggen, dit te krap kostuum in de kistkast te leggen om gewichtloos hemelwaarts te vliegen. Als Gods engelenkoren maar niet permanent van katoen geven en de cherubijnen niet te luid trompetteren voor mijn fijnstoffelijke oren! 

“Om de kwaliteit van ons spiritueel leven in te schatten, hoeven we alleen maar te kijken naar de rust, de tederheid en de kracht waarmee we reageren op de omstandigheden van ons dagelijks leven”, zegt mystica Evelyn Underhill, mysticus Jan van het Kruis citerend. Mijn gezondheids- en andere problemen zie ik als even zovele tests voor mijn spirituele praktijk. De snelle opeenvolging ervan zoals hiervoor beschreven, zorgt ook voor een versnelde inlossing van karma. Ik denkdat ik die tests tot nu toe met redelijk goed gevolg en met gelijkmoedigheid doorstond. Gelijkmoedigheid komt me nu overigens goed van pas bij de voor mij lastigste beproeving van allemaal. Het aanpalende huis links én rechts van mij werd/wordt immers van boven tot onder gestript en gerenoveerd, revalidaties die al vijf jaar aanslepen en bij momenten uitermate veel eisen van mijn hoogsensitief ‘nerveus systeem’. Een mens wordt altijd beproefd op de plekken waar hij het meest kwetsbaar is. Kloppen, breken, boren, zagen, tijdens de werkdagen én op zaterdag. Ook op dit eigenste ogenblik terwijl ik dit schrijf. Soms werkdagen van 6 u 30 tot 18 u. En boven al die geluidsoverlast uit : de ghettoblaster die zijn decibels braakt.  Heel de dag met dubbele oordoppen in mijn twee beste luisteraars, waardoor ik me opgesloten voel in mijn zoemend hoofd. En dan zwijg ik nog over het stof, het afval en de zeventien barsten in het pleisterwerk van mijn muren en het lek in mijn plafond die door de verbouwingen veroorzaakt werden.  Uitputtend.  Het is elke dag weer afwegen op welke verdieping en in welke kamers van mijn huis het enigszins uit te houden zal zijn. Mijn leefkwaliteit wordt er danig door aantast. Simpelweg gezegd: ik voel me niet meer thuis in mijn eigen huis. En vaak zie ik er tegenop om naar huis te komen. De onvoorspelbaarheid ook. Komen ze vandaag? Hoe lang zullen ze werken? Hoeveel overlast zullen ze veroorzaken? Zal ik moeten uitwijken naar een vluchtadres? Improviseren en dus flexibiliteit zijn een must. Dit alles heeft eveneens een grote impact op mijn spirituele praktijk. Het vast stramien en het dagritme waarop ik mijn meditaties en spirituele oefeningen doe is er niet meer. Op mijn vaste meditatieplek boven op mijn kamer zit ik nog zelden. Ik moet het doen op een tijdstip waarop het even relatief stil is. Elke situatie is een leermeester, maar dit is er toch wel een van de veeleisende strenge soort. Een grote oefening in aanpassingsvermogen en in acceptatie van de dingen zoals ze zijn. Ik weet het wel, er zijn veel ergere dingen in het leven en in de wereld, maar dit is nu eenmaal mijn situatie. Ik ben me ervan bewust dat ik sowieso nog onderdak heb in een prachtig huis, wat onnoemelijk velen missen. Hoe dan ook, Het is een grote oefening om in deze omstandigheden gelijkmoedig en vriendelijk te blijven tegenover mijn nieuwe buren, waar ik in slaag. Ik zie deze ingrijpende sloop- en verbouwingswerken ook als parallelle gebeurtenissen in de uiterlijke wereld van de transformaties die ook binnenin mezelf gebeuren.  

Ja, ik had me bij een rustige oude dag wel iets anders voorgesteld. Het leven mag dan al niet altijd mild zijn, je kan het met mildheid tegemoet treden. Pijn en lijden kunnen deel uitmaken van een proces van diepe zuivering. Spirituele levenskwaliteit kan op velerlei manieren gerealiseerd worden en ieder gaat zijn eigenste pad. Ieder bekje zingt immers zoals het gevogeld is. Zelf schrijf ik het toe aan mijn meditatiepraktijk. Mensen kunnen het amper geloven dat een simpele oefening als stille meditatie – “alleen maar zitten” bij zen-meditatie of toegewijd je mantra herhalen bij christelijke meditatie – ingrijpende veranderingen teweeg kan brengen. Enige vereiste is om niet halfslachtig wat te liefhebberen, maar jezelf écht te engageren om één of tweemaal daags te oefenen.  Zelden geef ik mensen goede raad – goede raad is immers vaak goedkope raad – maar als ik van één ding zéker ben, dan is het wel van de transformerende kracht van meditatie en van haar vruchten: een zachtgekookt hart, innerlijke vrede, helderheid, verbondenheid met alles en iedereen. “The Pursuit of Happiness” wordt in de Amerikaanse grondwet gewaarborgd als een mensenrecht. Achteruitkijkspiegelend zie ik dat ik nooit bewust persoonlijk geluk heb nagestreefd, wél zin en betekenis. Maar misschien is een zinrijk betekenisvol leven net dàt wat mijn geluk uitmaakt, ook wanneer het levenspad niet over rozen gaat.

Neen, onbewogen bleef ik er niet onder. Alleen de stenen Boeddha in mijn tuintje geeft geen krimp bij hittegolven, wolkbreuken, vrieskou, stormen. Maar bewogen zijn brengt ook dingen in beweging. Het was niet allemaal kommer ende kwel, wel integendeel. Deze in al zijn takken krakende oude notelaar kende zowaar nog een onverhoopte late bloei, op velerlei vlak. Klopt de zegswijze uit mijn kindertijd dan toch, dat je flink met een stok in de takken moet rammelen om de noten eraf slaan, want dan brengt de boom het jaar daarop meer vruchten voort.   Wat ik nooit had verwacht: die moeilijke jaren waren ook zeer productief. Zo publiceerde ik jaarlijks in verschillende geschiedkundige jaarboeken en tijdschriften. De “Genealogie Van Meirhaeghe” waaraan ik 40 jaar gewerkt had, verscheen eindelijk in boekvorm, net zoals de biografie en het Liedboek van mijn overgrootvader-marktzanger waar ik ook 40 jaar onderzoek naar deed. Er kwam een website van de Familievereniging Van Meirhaeghe waarvoor ik een hele reeks artikels schreef. Ook spirituele tijdschriften namen mijn teksten op en er kwam een heus boekje met de titel “Mens van de Weg, Het pad van meditatie als levensweg”. Ik werd geïnterviewd over mijn pad en gevraagd voor een aantal lezingen daarover. In 2012 sloot ik aan bij de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie en een jaar later startte ik een meditatiegroep van die strekking die wekelijks bijeenkomt. Ook mijn zen-beoefening vond een nieuw elan. Na mijn 70ste ontwikkelde ik, vanuit een grote liefde voor Rabbi Jezus en bij wijze van “spiritueel testament”, een nieuwe meditatievorm en plaatste die via een blog in de wereld: Rabbi Jezus Yoga. Evenzeer belangrijk : ik kreeg een vierde kleinkind cadeau – zijn tweede doopnaam is Rumi – en nieuwe grote vriendschappen ontvouwden zich.  Ik wil hier niet uitpakken met mijn palmares, alleen maar zeggen dat, ook al gaat de weg niet altijd over rozen, er nog zoveel positieve ontwikkelingen waren, tot welbevinden van mezelf en van ’t algemeen. Ik voel een grote dankbaarheid, niet alleen omdat ik nog extra time kreeg – wat betekenen verlengingen immers als er niet meer gescoord wordt ? – maar omdat die tijd gekenmerkt wordt door een almaar intenser, rijker innerlijk leven. Nooit gedacht dat ik in mijn ouwe dag nog spirituele groeischeuten zou krijgen. Dat mijn wortels zich almaar dieper in de Ongrond zouden boren en mijn takken steeds hoger zouden reiken in het Eeuwige Blauw van de hemel. Waar zal dat eindigen met dit klein Pierke?  Bij G*d, in G*d, ongetwijfeld. Ik zit dus op rozen. En de doornen die in mijn derrière prikken neem ik erbij.

Herman Meirhaeghe