’t Was maar een droom. Dromen zijn bedrog. Dat zal je wel gedroomd hebben. Je leven verdromen. Iemand uit zijn droom helpen. Zegswijzen die ervan getuigen dat dromen niet zo’n beste reputatie hebben. “Droom” is hier synoniem van inbeelding, fantasie, wensdroom, dagdroom. Niets mis met dagdromen, maar hierna heb ik het over nachtelijke dromen die door Freud de “via regia” of koninklijke weg naar het onbewuste genoemd werden. Dromen zijn het tegendeel van bedrog, ze waarschuwen voor of behoeden je net tegen zelfbedrog. Ze zijn een spiegel, maar ook méér dan dat. Méér dan de lachspiegel waarin je je vervormde smoelwerk ziet. Ze kondigen o.m. ook verrassende ontwikkelingen aan, waar je zelfs in je stoutste dromen niet van gedroomd had. Over dit voorspellend vermogen gaat deze blog-tekst.
Zoals mijn vorige bijdrage over dromen duidelijk maakte, was Jung mijn psychopompos of zielengids op het pad van droomwerk (zie elders op deze blog, o.m. “Droomvanger” en “Mens van de Weg”). Toen ik in het revolutiejaar 1968 in Gent mijn studies psychologie aanvatte, begon ik sporadisch, maar nog niet systematisch, mijn dromen op te schrijven en verdiepte ik me in de literatuur daarover. Vier jaar en een oliecrisis later, tussen de werklozen die dagelijks hun dopkaart lieten afstempelen, leerde ik M kennen, een gesjeesde student kunstgeschiedenis. Hij was geen radicaal-linkse rooie rakker zoals ik, maar een adept van het esoterische, het occulte, het bovennatuurlijke en alles wat “para” was. Hij leende mij toen o.m. de autobiografie uit van de beroemde Zwitserse psychiater, psycholoog en therapeut Carl Gustav Jung : “Herinneringen, dromen en gedachten”. Dit boek had een geweldige impact op mij. Ik beschouw het nog altijd als één van de vijf belangrijkste boeken die ik ooit las. Levensbepalend. Sedertdien las ik “alles” wat te vinden was van of over Jung. Tot op vandaag lees en herlees ik hem, altijd weer met nieuwe ogen naar gelang van mijn eigen evolutie en rijpingsproces. Zo werd Jung de eerste echte mentor en meester in mijn leven. Aan de universiteit werd nauwelijks iets wezenlijks gezegd over hem. Gelukkig negeerde ik de uitspraak van onze professor dieptepsychologie die hem smalend een ”mislukte dominee” noemde… Toen ik in 1980 namen zocht voor mijn pasgeboren zoontje, twijfelde ik voor zijn tweede doopnaam tussen Karl (Marx) en Carl (Jung). Het werd Carl.

Jung was de belangrijkste leerling en gedoodverfde opvolger van Sigmund Freud, de grondlegger van de psycho-analyse. Hij bracht heel andere gebieden van de ziel in kaart dan Freud, die in hart en nieren nog een 19de– eeuwse wetenschappelijk-positivist en materialist was. Zo voegde Jung aan het “persoonlijk onbewuste” van Freud het transpersoonlijk “collectief onbewuste” toe. Samen met Maslow, Assagioli en Grof, is hij één van de grondleggers van de transpersoonlijke psychologie. In laatste instantie valt Jungs collectief onbewuste samen met het Zelf, met hoofdletter, dat in wezen een spiritueel begrip is. Jung is ook de bedenker van begrippen als complex, archetype, introvert, extravert, synchroniciteit, Schaduw, Zelf, individuatie, woorden die inmiddels gemeengoed zijn geworden. Het zou ons te ver leiden om dieper in te gaan op zijn ongemeen rijk oeuvre. Alleen al de inleidingen die hij schreef voor o.m. het Chinees-taoïstische orakelboek de “I Tjing”, voor het boeddhistisch “Tibetaans Dodenboek”, voor “Inleiding tot het zen-boeddhisme” van D.T. Suzuki, die in de jaren 1930-‘40 het zen-boeddhisme in het westen introduceerde, getuigen van zijn universele geest. Jung riskeerde zijn reputatie door ook controversiële onderwerpen te bestuderen zoals spiritisme, astrologie en alchemie en hij publiceerde zelfs een boek over UFO’s. Daarom wordt hij de “aartsvader van de New Age” genoemd. Niet voor niets plaatsten The Beatles zijn foto in de beroemde collage op de hoes van hun baanbrekend Sgt Pepper-album (1967); ook zij lieten zich door de meester inspireren. Om maar te zeggen dat niet alleen Karl Marx, maar ook Carl Jung een inspirator was voor de tegencultuur van de sixties en seventies. Naar aanleiding van de lectuur van Jung besloot ik om dagelijks mijn dromen op te schrijven. Daar had ik het eerder al over (zie elders op deze blog : Droomvanger).
Elke nacht opent het onbewuste haar verhalenboek van duizend-en-één-droom. Verhalen vol symboliek en verbeeldingskracht. Als we de psyche ernstig nemen en luisteren naar haar expressies, kunnen we grotere helderheid en inzicht verwerven in de krachten die ons beïnvloeden en in ons werkzaam zijn. Dan zijn we niet langer de speelbal van onbewuste impulsen en reactief gedrag. Via mijn dromen krijg ik zicht op én inzicht in mijn innerlijke wereld die niet zelden een afspiegeling is van mijn denken, spreken en handelen in de uiterlijke wereld. Dromen zijn ook een democratische en ongevaarlijke manier om met het transpersoonlijke contact te maken. Iedereen droomt immers elke nacht, je hoeft er alleen maar aandacht aan te besteden. En je hoeft geen paddo’s te verorberen of ayahuasca te drinken om nachtelijke trips te maken. Dromen zijn een onmisbare tool in wat Jung het individuatieproces noemt. Dat is het levenslange proces van groeien naar psycho-spirituele heelheid en eenheid, naar worden wie je in wezen bent. Overdag kan je jezelf van alles wijsmaken, maar dromen liegen nooit. Zij zijn altijd wat ze zijn, eerlijk, puur, ook in hun soms afschuwwekkende aspecten. In je dromen ben je niet alleen the good, maar soms ook the bad and the ugly.
Dromen schetsen een beeld van de situatie waarin je verkeert én gunnen je een blik op een mogelijke toekomst. Er is Iets in ons dat veel wijzer is dan wat we kunnen bedenken of verzinnen, Iets wat het overzicht bewaart, over verleden en toekomst. Dromen openen poorten naar andere bewustzijnswerelden. Die zijn voor mij net zo reëel als de bekende zintuiglijke wereld. Eigenlijk leef ik sedert jaar ende dag in twee realiteiten : in de alledaagse en de niet-alledaagse werkelijkheid. Ik heb er geen enkel probleem mee om die uit mekaar te houden, als dat moet. Dromen maakt slapen ook interessant; het is geen tijdverlies, zoals sommige hyperactieve ratracers zeggen. De slaap wordt dan veel méér dan een periode van bewusteloze recuperatie. Dromen geven me het gevoel dat ik mijn tijd niet verslaap, ook niet tijdens de slaap. De ziel slaapt immers nooit. Ik wil altijd paraat zijn om haar gefluister te beluisteren, haar boodschappen te ontvangen. Voor Freud was dromen niet veel meer dan wensvervulling, compensatie van meestal seksuele frustratie. Jung was het daar niet mee eens. Hij vond dat Freud – die naar eigen zeggen alleen geïnteresseerd was in “de kelder van de ziel” – slechts het bovenste laagje had weggeschraapt. Voor Jung was een deel van de onbewuste inhoud transpersoonlijk. Wat hij het collectief onbewuste noemt, ligt voorbij het persoonlijke en herbergt archetypische thema’s van alle tijden en van alle culturen. Vooral “Grote Dromen” – spirituele, archetypische, transpersoonlijke dromen – bevatten immers levensbepalende en zingevende richtingaanwijzers en inspiratie. Dat zal ik met een paar voorbeelden proberen duidelijk te maken. Transpersoonlijk – de naam zegt het zelf – is dat wat het persoonlijke en de ego-psychologie overstijgt. De transpersoonlijke psychologie is het vakgebied binnen de psychologie dat ook mystieke en spirituele ervaringen onderzoekt, daar waar de humanistische psychologie zich eerder toelegt op de psychische en geestelijke gezondheid en de menselijke mogelijkheden. Transpersoonlijke psychologie focust niet op pathologische processen, maar probeert de transcendente aspecten van het menselijk bestaan ernstig te nemen en die niet sceptisch af te serveren als “ziekelijke afwijkingen”. Transpersoonlijke ervaringen brengen ons in contact met een grotere werkelijkheid. “Transpersoonlijk” is het verschil tussen jezelf zijn en je Zelf laten zijn.
In de loop der jaren droomde ik vaak – meestal omstreeks de tijd dat nieuwe levensfases zich aandienden – dat ik langs onbestemde wegen onderweg ben naar een bepaalde bestemming die ik, al dan niet, met of zonder hindernissen, bereik. “Onderweg zijn” als metafoor voor de levensreis is een vertrouwd en klassiek droomthema. Niet voor niets wordt de spirituele zoektocht én het einddoel van die queeste “De Weg” genoemd. In een vorige bijdrage – “Mens van de Weg”- vertelde ik hoe het zen-boeddhisme me op 1 september 1989 – het jaar waarin ik veertig werd en het zonlicht niet meer scheen – totaal overrompelde, mijn leven een heel nieuwe richting gaf en hoe dat voorafgegaan en aangekondigd werd door een visioen en een droom over een reis door een maan- en sterrenloze nacht met hindernissen en obstakels, om in het huis van bestemming liefde te maken met een hermafrodiet, een tweeslachtig wezen dat de dualiteit in zich verenigt. In de weken hiervóór ontving ik nog enkele “levensreisdromen” die eveneens aankondigden dat er grote veranderingen op til waren. Via verschillende beelden en droomscenario’s werd de situatie geschetst waarin ik me bevond én wat er te gebeuren stond. Ik citeer twee dromen: “Pinokkio” en “De Drie Torens”. Deze tonen aan dat dromen veel meer kunnen zijn dan het uitleven van frustraties of nachtelijke oprispingen na een te copieus avondmaal. Dat het onbewuste veel méér is dan een vergaarbak van vergeten of verdrongen ervaringen en neigingen die het daglicht schuwen. Ik hoop dat ze lezers inspireren een luisterend oor te hebben voor de stem van hun nachtelijke fluisteraar.

Pinokkio-droom (lente 1989). “Met mijn zoontje van negen kijk ik op tv naar de Walt Disney tekenfilm “Pinocchio” (letterlijk vertaald : speld-oog). Bij de aankondiging in het tv-blad Humo zie ik drie bijbehorende plaatjes waarop het knaapje afgebeeld staat met zijn typische lange liege-neus, zijn rood bepluimde gele hoedje waar zijn grote ezelsoren onder vandaan komen en met zijn lange ezelstaart. Plots is het alsof ik zelf in de film meespeel. Ik moet een lange tocht maken naar een mij onbekende bestemming. Ergens onderweg vind ik op straat een vreemd, bolvormig, metalen object. Het wordt een ‘hitlertje’ genoemd. Onderaan de bol zit een aantal naar elkaar toe gebogen en over elkaar heen schuivende messen. De mesbladen bewegen als je de bol kneedt. Een soort snoeischaar voor in de tuin, denk ik. Dan ben ik terug van de tocht; het ‘hitlertje’ bracht ik mee. Plots verandert het ding in twee dieren! Enerzijds in een lichtblauwe zwaluw met witte vlekken op de vleugels die verfomfaaid zijn van te lang in die krappe bol te zitten. ‘Die kreukels gaan er wel uit eenmaal hij vliegt’, bedenk ik. Anderzijds verandert het ‘hitlertje’ ook in een konijn. Samen met konijn moet ik opnieuw een lange tocht maken. Ik probeer het beestje echter op alle mogelijke manieren te doden. Zo stop ik het in een plastic zak om het te verstikken of te verzuipen. En zoals men placht te doen vooraleer een konijn te slachten, geef ik het verschillende harde nekslagen achter de oren, tot het bezwijmt. Eindelijk dood ! Oef ! Maar het konijn komt weer tot leven ! Niet dood te krijgen, dat beest, denk ik! Ik word wakker terwijl ik, in realiteit, met mijn rechterhand op mijn linker arm inhak.”
Als droomfiguren (delen van) jezelf voorstellen, dan ben ik zelf in deze droom Pinokkio, de houten pop of marionet die, na een brokkenparcours van stommiteiten op het einde van het verhaal verandert in een mensenkind. De droom zegt me dat ik nog een onvolwassen, onrijpe ezel ben; ik speel immers de hoofdrol in een kinderverhaal en tekenfilm. In de film wordt Pinokkio naar Pleziereiland gelokt, op het eerste gezicht een groot pretpark, waar je echter in een ezel wordt veranderd… Het ventje kan net op tijd ontsnappen voor hij helemààl in een ezel is veranderd! Duidelijke boodschap, lijkt me. De tocht van Pinokkio bracht hem naar “Pleziereiland”, wat iets zegt over mijn levenshouding van toen : het oppervlakkige levenvan gemakkelijke geneugten. Hij is een marionet die door anderen wordt gemaakt en in beweging wordt gebracht. Om diepgang te vinden en een autonoom mens te worden moet hij / ik – Pin-ik-kio – twee tochten ondernemen. Van die eerste tocht breng ik een voorwerp mee dat me kan helpen bij de tweede tocht: een ‘hitlertje’, dat staat voor repressie, onderdrukking, strakke controle. Het is een schaduwobject of -figuur. Schaduwelementen zijn volgens Jung de deur naar onze individualiteit. Als ons leven in een impasse zit of wanneer we een steriele periode doormaken, moeten we kijken naar onze donkere onaanvaardbare zijde. Er is geen groei mogelijk zonder confrontatie met de Schaduw. Het is een verrassend, maar klassiek fenomeen dat schaduwelementen in dromen ook positieve eigenschappen hebben. Zo ook in mijn droom. Dit op het eerste gezicht hard (metaal), duister (Adolf Hitler) en gevaarlijk (messen) ding heeft immers ook een nuttige functie als snoeischaar, als werktuig om de overbodigheden en illusies uit mijn leven weg te snoeien. Het voorwerp bezit echter meer dan alleen maar die knipfunctie: het kan zich omvormen (shapeshifting) in twee dieren : een zwaluw en een konijn. Zwaluw is een trekvogel en maakt enorme trektochten om… terug thuis te komen. De lichtblauwe zwaluw met witte vlekken staat voor het element lucht en dus voor de Geest, het spirituele, en schetst daarmee de sfeer en het doel van de tocht. Dat spirituele element zat veel te lang opgesloten in dat hitlertje, waardoor zijn verkreukelde vleugels en vliegcapaciteiten beknot werden. Het wil eruit, de wijde vrije hemel in ! Zwaluw kondigt eveneens de lente aan, een nieuwe start. Konijn wordt me gegeven als krachtdier om me te helpen op mijn tweede reis naar die nieuwe bestemming. In tegenstelling tot de zwaluw die de hemel bewoont, leeft het aardse konijn op en onder de grond. Blijkbaar is het konijn de gids op mijn tocht, maar ik voel een enorme weerstand. Ik ben me totaal niet bewust van zijn spirituele kracht, want ik probeer het uit alle macht te elimineren. Gelukkig laat het zich niet doden, wat op zijn bovennatuurlijke aard wijst. Het bescheiden konijn is in de dierensymboliek een krachtig archetype. In mythen en sprookjes fungeren konijnen als gidsen tussen hemel, aarde en onderwereld. Zo leidt “White Rabbit” Alice door de konijnenpijp naar Wonderland. Konijnen zijn een symbool van sjamanistische zielenreizen. Ze symboliseren ook die momenten in het leven waarop we in het onbekende moeten springen. Het laat je weten dat persoonlijke transformatie nodig is en op het punt staat te gebeuren. Zijn neefje de paashaas kondigt, net als zwaluw, “een nieuwe lente, een nieuw geluid” aan.

Maar wat betekent dat “hakken met de rechterhand op mijn linkerarm” in deze droom? De linkerzijde van het lichaam is de spirituele, intuïtieve, vrouwelijke kant, waar ik met de rationele rechter hand op inhak. Ook dit wijst op een sterke weerstand om een spiritueel pad te gaan. Maar dan is er ook nog die merkwaardige parallel met een beroemd zen-verhaal over Bodhidharma en Hui-K’o (zie illustratie; zie ook elders op deze blog “De Grote Golf, de Rabbi en de Fuji-Boeddha”). Een verhaal dat ik op dat ogenblik nog niet kende, omdat zen me pas drie maanden later zou overkomen. Het pad van het zen-boeddhisme zou immers het levenspad zijn dat werd aangekondigd en dat ik voortaan zou gaan. Bodhidharma (China, eind 5de – begin 6de eeuw) is de grondlegger en eerste patriarch van het zen-boeddhisme (“ch’an” in ‘t Chinees). Hui-K’o (Eka, in ‘t Japans) wou diens leerling worden, maar Bodhidharma weigerde resoluut. Hui-K’o bleef vastberaden, in weer en wind, voor de grot staan waar Bodhidharma verbleef, tot hij half ondergesneeuwd was ! Nóg weigerde Bodhidharma hem als leerling aan te nemen. Als bewijs dat hij er echt alles voor over had, hakte Hui-K’o vervolgens zijn arm af en offerde die aan de meester, die hem pas dan aanvaardde. Hui-K’o werd naderhand de tweede zen-patriarch. Het is duidelijk dat “het leven” – dat geen sprookje, pretpark of tekenfilm is – een andere richting uit wou met mij. Ik zal als poppenspeler zelf de touwtjes in handen moeten nemen. Er is ook een link tussen het afhakken van de arm en de Hitler-snoeischaar : er zal een offer moeten gebracht worden dat getuigt van mijn vastbeslotenheid. Ik zal kostbaarheden waaraan ik gehecht was moeten achterlaten, o.m. afscheid nemen van de levensfilosofie van waaruit ik tot dan toe geleefd had. Om de weerstand te overwinnen een andere weg te gaan, hield het droom-ik de ezel Pinikkio die ik was een wortel voor door me in de hierna volgende droom van “De Drie Torens” van een week later, een blik te gunnen op het doel van de tocht.
“Ik zit op café met vrienden uit verschillende fasen van mijn leven : schoolvrienden van weleer, kroeggezellen, kameraden, collega’s. Er wordt een plezierreisje met een bus gepland, naar Amsterdam. Ze gaan ervan uit dat ik meega, maar ik weiger. De bus staat al klaar, maar ik spring meteen op mijn fiets en ga mijn eigen weg, alleen. Ik fiets tot buiten de stad en kom aan de brug over de Schelde in Heusden. De brug, die in opbouw is (zoals in realiteit toen), is veel groter, langer en hoger dan in werkelijkheid en bestaat alleen uit een smal en gevaarlijk fietspaadje van bruine gladde glibberige tegeltjes. Er is geen autostrook voorzien. Ik kijk nog even achter me, maar niemand van de vrienden is gevolgd… Eenmaal boven op de brug ontplooit zich voor mijn blik een ‘mystiek landschap’ (zoals ik in mijn droomlogboek schreef), badend in een ongemeen helder, bovennatuurlijk licht ! Plompverloren midden de akkers en de weiden (vandaag de Gentbrugse Meersen) staan drie torens naast elkaar te schitteren in het gouden zonlicht: die van de O.-L.-Vrouwkathedraal van Antwerpen, het belfort van Gent en het belfort van Brugge. In deze droom had ik ook een déjà vu : ik had dit al eerder gezien. Dit bewustzijn binnen de droom betekent dat het ook een zogenaamde ‘lucide droom’ was”.
Dit keer is er geen weerstand meer, ik ga resoluut op pad, in mijn eentje. Ik laat mijn ‘wereldse’ verleden achter : de vrienden die een plezierreis willen maken. Het element “plezier” zat ook al in het Pinokkio-verhaal: pleziereiland. In de alledaagse realiteit zou ik inderdaad, op een enkeling na, al mijn “vrienden van vroeger” verliezen. Onlangs hoorde ik dat sommigen van hen zich, meer dan dertig jaar later, nog altijd niet kunnen verzoenen met mijn toenmalige keuze voor het zen-boeddhisme en het pad van meditatie. In de droom willen mijn gezellen naar Amsterdam, the place to be uit mijn adolescentie en twintiger jaren in de ’60 en ‘70 vanwege Provo, psychedelica, seksuele vrijheid, enz. Zij nemen een touringcar en laten zich dus rijden; ik neem mijn Harley Trapson en verplaats me op eigen kracht. Een rivier en/of een brug oversteken is een klassiek symbool van overgang, van het ene leven naar het andere, zoals de veerman Charon ons na de dood over de mythische rivier de Styx naar de Overkant vaart. De droom kondigt minder drastische, maar toch ingrijpende veranderingen aan. De brug bestaat enkel uit een fietspad; er is geen rijweg voor auto’s voorzien. Geen speed– of highway to heaven naar waar ik naartoe ga. Dat “oord van verlichting” bereik je alleen te voet of hoogstens met de fiets, op eigen kracht de brug beklimmend, over een smal en risicovol fietspaadje. Lange tijd ontsnapte me de betekenis van de drie torens. Ik kwam niet verder dan de “Drie Zustersteden” – Antwerpen, Gent en Brugge – uit het bekende gedicht van Karel Lodewijk Ledeganck. Veel later zag ik pas dat het om drie indrukwekkende fallussymbolen gaat. Die torens staan voor mannelijke kracht, maar binnenin hangen klokken, die vrouwelijke energie voorstellen. Denk aan “de klok van Rome” en de paaseieren die ze zaait. Dat vruchtbaarheidssymbool zat ook al in het konijn of de paashaas die eveneens lente-eieren in de tuin strooit. De haas was toegewijd aan de liefdesgodinnen Aphrodite en Freya. In die torens zijn het mannelijke en het vrouwelijke verenigd. Ze zijn eenheidssymbolen. Trouwens, in het woord “bel – fort” zitten die beide elementen ook vervat : bel = (klok met vrouwelijke vorm) en ‘fort’ (mannelijk militair bolwerk en “krachtig” in ’t Frans). In de Pinokkio-droom was het getal “drie” er ook al : de drie plaatjes in Humo. In deze droom is het getal “drie” veel prominenter aanwezig als drie indrukwekkende eeuwenoude torens. “Drie” is niet alleen het getal van de éénheid (Heilige Drievuldigheid), maar ook van het begin, de aanvang: vader 1 + moeder 2 krijgen een kind = 3. Met drie wordt de nieuwe start, een nieuwe levens- of evolutiefase aangekondigd. Hier deed zich eveneens een betekenisvol toeval voor: die nieuwe start – de ontdekking van het pad van meditatie en van het zen-boeddhisme – zou plaatsvinden op 1 september (1989). Samen met 1 januari is 1 september uiteraard één van de twee uitgesproken “start-data”, respectievelijk van het nieuwe kalenderjaar en van het nieuwe schooljaar.

Elders op deze blog vertelde ik dat mijn leven op dat momentop velerlei vlak in een diepe impasse zat. In een gedicht van toen schreef ik : “Dit is het inzicht : zonder uitzicht”. Geen idee welke kant het zou uitgaan. Maar, zoals gezegd, was er Iets in mij dat duidelijk wist wat op til was. Er is blijkbaar in ons een gewaarzijn van wat het doel is en van de weg ernaartoe. Er is dus altijd een instantie die het overzicht bewaart en waarop we kunnen vertrouwen, wat een hoopvol gegeven is. Of we ons daar nu bewust van zijn of niet, we werken naar dat doel toe. Zich bewust worden van wat het doel is, is een kwestie van willen weten. Mijn “desire to learn” is altijd al veel groter geweest dan mijn “desire to earn”. Dat “willen leren” gebeurde hier, zoals wel vaker, door middel van mijn “droom-ik” en de droomtaal waar ik al jaren zo vertrouwd mee was. Maar wie of wat is dat “droom-ik”? Zeker niet mijn “waak-ik” of ego, want het personage dat ik speelde in het theater van het leven vormde net het probleem dat opgelost moest worden! Beide “ikken” zijn slechts twee van de vele facetten van het Zelf – dat “Iets” van daarnet – dat ik me voorstel als een briljant. Het Zelf is geen door middel van psychotherapie of door het beoefenen van deugden en spirituele praktijken veredelde versie van het “ik”. Het is de Godsvonk in mij en God heeft geen therapie nodig. Daarom kan ik niet spreken van “mijn” Zelf, want “ik” heeft geen Zelf; het is eerder omgekeerd : het Zelf omvat “ik-mij-mijn”. Ik zie het Zelf ook als elementair godsdeeltje. In den beginne was er de Big Bang van God, een kosmische Lichtflits. Eén van de myriaden lichtpartikeltjes die in de Grote Leegte werden geslingerd, verlichtte de ziel van deze Pinokkio.Het Licht waarmee het hem voorging en hem richting gaf, was voorwaar geen verdwaallichtje. Het is dus duidelijk dat dromen onzichtbaar kiemen als veelbelovende zaden in de stilte en de duisternis van de nacht. Hoe zongen we dat alweer in het Dies Irae tijdens een rouwdienst? Quidquid latet aparebit. Wat verborgen is zal tevoorschijn komen. Niet op de “Dag des Toorns” wanneer dat wat we krampachtig voor de Rechter verborgen hielden aan het licht zal komen. Eerder op een dag van vreugde waarop nieuwe, in dromen aangekondigde mogelijkheden verschijnen en nieuwe wegen zich openen.
Herman Meirhaeghe



























































