“De lessen van Don Juan”. Ze verschenen in het weekblad Humo, ergens eind jaren ’70. Altijd een leergierige jongen geweest, dus wou ik gretig kennis nemen van wat de libertijnse, Spaanse womaniser, waaraan Wolfgang Amadeus een opera wijdde, in pre-#MeToo-tijden te vertellen had over hoe je niet alleen kerstbomen kan versieren. Ik had het fout. Het bleek om een andere, veel interessantere Don Juan te gaan. Humo publiceerde immers gedurende enkele weken uittreksels uit het boek met die titel van Carlos Castaneda (1925-1998), een Amerikaans antropoloog en auteur van Peruviaanse afkomst die een reeks werken schreef over zijn leer- en inwijdingsproces bij de indiaanse sjamaan Don Juan Matus. In “De lessen van don Juan” doet hij verslag van zijn wonderlijke kennismaking met een magische wereld waarin hij tal van beproevingen ondergaat. Hij heeft het over zijn eerste stappen op weg naar meesterschap, met als doel de geheime kennis van het Yaqui-sjamanisme te verwerven. Antropologen twijfelden aan het bestaan van Don Juan en aan het waarheidsgehalte van Castaneda’s werk. Deepak Chopra zegt dan weer : “Carlos Castaneda is een van de diepste en invloedrijkste denkers van de twintigste eeuw. Zijn inzichten banen een weg voor de toekomstige evolutie van het menselijk bewustzijn. Wij zijn allemaal schatplichtig aan hem.” Anderen vinden hem, ik citeer, “De beste en meest invloedrijke schrijver over sjamanistische kennis en rituelen, waaronder de transformatie van lichaam en geest door middel van psycho-actieve stoffen. Zijn boeken zijn nooit overtroffen; zijn werk zal nog generaties lezers blijven verbluffen en inspireren”. Don Carlos is ongetwijfeld één van de vaders van de New Age, maar dit is toch teveel eer ende wierook voor de man. Hoe dan ook, zijn oeuvre had een grote impact op de jongeren van de sixties en seventies. Via zijn boeken maakte ook ik kennis met sjamanisme, een natuurrreligie en spirituele praktijk die bij alle inheemse volkeren voorkomt en waarvan de tekeningen in prehistorische grotten al getuigen. Door middel van technieken, rituelen, symbolen en instrumenten maakt de sjamaan of medicijnman in een veranderde staat van bewustzijn contact met de geestenwereld om diverse doeleinden te realiseren.

Die Humo-artikels las ik in mijn anarcho-marxistische dagen die niet bepaald spiritueel waren, zodat de lectuur ervan zonder gevolg bleef. Een raakpunt was er wél; ik was toen immers lid van WIZA, “Werkroep Indianen Zuid-Amerika”, die de problematiek van de natives marxistisch benaderde en in een kapitalistische context plaatste. Het zaadje was geplant. Na een incubatietijd van 15 jaar ontkiemde het. In januari 1993 las ik “Begraaf mijn hart bij de bocht van de rivier” (“Bury my heart at Wounded Knee”) van Dee Brown, een boek uit 1970 dat de geschiedenis van de oorspronkelijke Amerikanen in de late 19de eeuw behandelt en waarvan er indertijd ook uittreksels in Humo verschenen waren, meen ik. Het bloedbad bij Wounded Knee in 1890 kwam hierin ter sprake. In 1973 werd het dorp 71 dagen bezet door leden van de “American Indian Movement” en in datzelfde jaar had de Amerikaans-indiaanse band Redbone een hit met “We were all wounded at Wounded Knee”. Dat waren we inderdaad, zo voelde ik dat toch aan. Ook in 1993 zag ik op tv de film “Dances with Wolves” die een diepe indruk op mij maakte. In april kreeg ik een kanjer van een oorontsteking; mijn oorschelp was tot tweemaal haar omvang opgezwollen. Mocht ik een Apache geweest zijn, had men me zeker Driedubbel Dikoor genoemd. Moest ik een luisterend oor bieden aan de stem van Don Juan? Tijdens mijn ziekteverlof las ik vier boeken van Castaneda : “De Lessen van Don Juan”, “Aparte Werkelijkheid”, “Reis naar Ixtlan” en “Het innerlijke vuur”. De daaropvolgende drie jaar verslond ik 150 boeken over sjamanisme (druïdisme, wicca, candomblé, natuurreligies, etc). Daarmee was het deksel van de toverketel. De meeste van die boeken las ik, bewust, op een bank in een park om me in deze versteende stad iets dichter bij de natuur te voelen. Zo raakte ik diep geïnteresseerd in sjamanisme. Maar boeken lezen volstaat niet. Net als zen, is sjamanisme een oefenweg. Op basis van mijn lectuur en mijn intuïtie bouwde ik een eigen praktijk uit. Hier beperk ik me tot een paar aspecten ervan, een andere keer meer.
Zoals bij mijn droomwerk stelde ik me de vraag of dit wel te verzoenen was met het zen-pad dat ik toen al een viertal jaren ging? Het wordt de beoefenaar van zen-meditatie – terecht – sterk aangeraden om op één discipline te focussen, maar dat heb ik nooit gekund, met de beste wil van de wereld niet. Ligt het aan de planeet die bij mijn sterrenbeeld Boogschutter hoort, Jupiter? De grootste planeet van ons zonnestelsel staat immers voor uitbreiding, expansie, rijkdom, groei, ontwikkeling én persoonlijke vrijheid. Deze kenmerken tekenden heel mijn leven, vooral op intellectueel, geestelijk en spiritueel vlak. Niet dat ik snel het ene pad voor het andere inruil, ik ga ze alle tegelijk en zo intens mogelijk. De verantwoording tegenover mezelf was dat ook sjamanisme een pad van het hart is. Dat is het enige criterium dat ik hanteer. De kritiek van mijn zen-vrienden weerlegde ik met deze uitspraak van Don Juan himself: “Ik kan alleen maar de wegen volgen van het hart, elke weg van het hart. Daarlangs reis ik en de enige echte uitdaging is om de weg te volgen tot het eind. Langs de weg van het hart kijk ik rond en rond, ademloos.”
Op de eerste plaats betekende “sjamanisme” voor mij een “retour à la nature”, de natuur zoals ik die in mijn jeugd als boerenbuitenkind in de jaren ’50 nog net gekend had. Na mijn studies en huwelijk kwam ik als de zoveelste West-Vlaming in de stad van Gent wonen en ik werkte 40 jaar in Brussel. Twee prachtige bruisende steden, maar ook plekken van confronterende lelijkheid in al haar stedelijke vormen : de miljoenen kauwgumvlekken op voetpaden en sigarettenpeuken in de goot, het zwerfvuil in de straten en sluikstortplekken achter elke hoek, verkeersellende, architectuur niet op mensenmaat, lawaai-vervuiling tot diep in de nacht. “Als een mens op de grond spuwt, spuwt hij op zichzelf.” In 1855 sprak Chief Seatlle, stamhoofd van de Suquamish en Duwamish, deze woorden in zijn beroemde toespraak tot Franklin Pierce, de 14de president van de USA. En hij zei ook nog dit : “Het zien van uw steden doet pijn aan mijn ogen”. En aan mijn oren én aan mijn neus én aan mijn hart én aan mijn ziel.

Ver zocht ik “de natuur” niet: de nog redelijk groene Scheldevallei tussen Gentbrugge, Heusden/Destelbergen, Melle en Kalken en het ruimere gebied daaromheen, op een kwartiertje fietsen van huis. Wekelijks trok ik er een aantal keer naartoe, voor een uurtje na de werkdag en uitgebreider tijdens de weekends. Ergens vond ik een geschikt plekje in het groen met een waterplas; ik noemde het mijn “Eiland”. “Papa is weer naar zijn Eiland”, was hier ten huize een gevleugelde uitspraak. Mijn Eiland werd mijn krachtplek waar ik vele uren vertoefde om er het bescheiden wildlife te observeren : waterhoentjes, meerkoeten, blauwe reiger, eenden en ganzen, aalscholvers, ijsvogeltje, vlinders, kevers, kikkers, muizen, waterratten, muskusratten die verliefd met elkaar in het water dolden en libellen en waterjuffers die al vliegend liefde maken, een kunst die ik helaas niet beheers. Ik mediteerde er tussen lisdodde en riet. Ik beluisterde de nostalgische roep van de koekoek die ik sedert mijn kindertijd niet meer had gehoord. Terugfietsend van school naar huis hoorde ik hem roepen vanuit één van de hoge bomen langs de dreef naar een boerderij. Toen al werd ik bevangen door onbestemd heimwee. Als ik hem nu hoor, communiceer ik met hem door middel van een koekoeksfluitje. Ik tel het aantal roepen en zend hem er evenveel terug. In het mahayana-boeddhisme is koekoek een verschijningsvorm van Avalokiteshvara, de bodhisattva van het Grote Mededogen, bij ons beter gekend als Kwanyin (Kannon, Kanzeon). Een bodhisattva bewandelt het pad van het hart en weigert nirvana binnen te gaan zolang het allerlaatste grassprietje niet is verlost. Er is nog werk aan de wereldwinkel…. Elke ochtend bij de start van mijn meditatie reciteer ik als zen-monnik “de vier geloften van de bodhisattva”. Ik sluit af met de intentie “dat de roep van de koekoek in mij zou blijven weerklinken, tot voorbij dit leven”. In Falconia weerklinkt ook de roep van Buteo de buizerd die zich op de thermiek moeiteloos in spiralen naar de zon laat drijven – pie-ie-ieuw, pie-ie-ieuw. De roep van onze inheemse arend is die van Grote Geest zelf. In een volgende aflevering vertel ik meer over Buteo.
Regelmatig maakte ik “medicijnwandelingen” in dat gebied. “Medicijn” is een begrip dat ontleend is aan de spiritualiteit van de native Americans; het omvat alles wat ons zowel spirituele kracht geeft als genezing. Ik vertrok dan om 5 u in de ochtend om na de middag terug te keren. Mijn wandelstok had ik gesneden uit een ontschorste tak waarin ik van beneden tot boven een rood ingekleurde spiraalslang had gekerfd. Geen nordic maar spiritual walking, met oog voor fauna en flora en hun boodschap. “Als de ziele luistert spreekt het al een taal dat leeft, ’t lijzigste gefluister ook een taal en teken heeft: blaren van de bomen kouten met malkaar gezwind, baren in de stromen klappen luide en welgezind, wind en wee en wolken, wegelen van Gods heiligen voet, talen en vertolken ’t diep gedoken Woord zo zoet… als de ziele luistert!” En luisteren deed ze, die ziel van mij, net zoals die van natuurmysticus Guido Gezelle.

Ik consumeerde niet alleen maar de weldaden en de schoonheid van de natuur, ik gaf haar ook iets terug. Thuis kweekte ik in bloempotten boompjes – eiken en vooral esdoorns, mijn totemboom – die ik dan uitplantte in de Scheldevallei tot er na verloop van tijd een heus bosje ontstond. Bij de geboorte van mijn vier kleinkinderen plantte ik er ook telkens een paar bomen die hen en mij inmiddels boven het hoofd zijn gegroeid. Toen mijn twee kleinzonen 7 jaar waren begroeven we er samen een schat; wanneer ze 12 worden spitten we de schat weer boven. Dit ritueel markeert twee belangrijke overgangsmomenten in hun leven: begin en einde van de lagereschool- en kindertijd. Toen we met onze werkzaamheden bezig waren cirkelden drie buizerds boven ons. Onze onderneming was dus gezegend.
Wanneer ik sluikstortplaatsen aantrof verwittigde ik niet alleen de bevoegde diensten, ik ruimde ook zelf zwerfvuil langs de Schelde-oevers en in de bosjes. Heelder zakken vol, die ik met de fiets meebracht naar huis of met de auto ging ophalen. Mijn vrouw wreed content natuurlijk… Vaak trok ik hier een hele zondagvoormiddag voor uit. Maar ook op kleine schaal ruimde ik de rommel die natuurconsumenten en fietsers er achteloos dumpten. Ik deed en doe geen fietstocht zonder enkele blikjes en plastic flesjes te ruimen en in mijn fietstas te stoppen. En geen wandeling in de stad zonder lege batterijtjes op te rapen. Druppels op een hete plaat? Moedeloosheid overvalt me soms bij de onbewuste achteloosheid en onverbeterlijkheid van de enorme nestbevuiler die de mens is en ik word almaar pessimistischer over de goede afloop van de klimaatproblematiek. Maar we blijven de hete plaat blussen. Ik maak mezelf graag wijs dat met genoeg druppels de gloeiende plaat toch nog geblust raakt. Ik werd niet alleen lid van verenigingen voor dierenrechten en dierenwelzijn, aangereden of zieke dieren – vogels vooral – bracht ik mee naar huis om ze, indien mogelijk, zelf te verzorgen. Lukte dat niet, dan bracht ik ze naar het vogelasiel. Altijd had ik een schopje bij om overreden dieren – egeltjes vooral – van de rijweg te schrapen en op een waardige wijze terug in de schoot van moeder aarde te leggen. Ik begroef ze ritueel door ze te bestrooien met salie en tabak – heilige kruiden bij de Native Americans. Onder een boom op mijn Eiland begroef ik ooit de kadavers van een buizerd en een pauw die ik op mijn weg gevonden had. Later groef ik ze weer op om hun schedel en skelet te bleken en op mijn kamer bij te zetten, waar ze deel uitmaken van mijn rituelen.
Sedert vijfendertig jaar serveer ik in mijn stadstuintje elke ochtend, zonder er één over te slaan, een ontbijt van brood, kaas, zaden en granen, waar allerlei vogels op afkomen: huis- en heggemussen, merels, tortels, houtduiven, meesjes, roodborstje, spreeuwen, eksters, winterkoninkje, een zeldzame keer lijster. Heerlijk om ze gade te slaan. Ik koester een speciale voorliefde voor de bescheiden huismus, die door de schepper niet bepaald werd verwend qua kleur en zang. Op mijn manier onderhoud ik al jaren een grote mussenkolonie die logeert in de spleten van muren en daken van huizen van de buren. Heel soms krijg ik bezoek van sperwer die op mussen jaagt of van blauwe reiger die goudvissen uit buurmans vijvertje vist. “Franciscus” noemde mijn vrouw me als ze me bezig zag. Ik hou van vogels. In het magistrale oeuvre van de Schepper behoren ze tot het allerbeste. Ze vlogen rechtstreeks uit Zijn handen, zo volmaakt van vorm als ze zijn. Maar een Jain ben ik niet; ik veeg het pad vóór mij uit niet schoon om geen diertjes te vertrappen. Wél gebruik ik zoveel mogelijk verharde paden om niet over het gras te lopen. Zijn grassen niet de meest vertrapte, verdrukte en door maaimachines en sporters gemolesteerde levende wezens op deze planeet?

Mijn werkgebied gaf ik de naam “Falconia”, naar Falco, torenvalk, mijn krachtdier. Elementair in het sjamanisme is immers het vinden van en werken met je kracht- of totemdier. Dat kan een zoogdier, vogel, vis, insect of reptiel zijn dat bij jou hoort als een bondgenoot, helper en zielengids. Alle dieren komen daarvoor in aanmerking, behalve huisdieren of andere gedomesticeerde dieren. Die hebben immers teveel “natuurlijke kracht” verloren door hun contact met de mens. Het komt er dus op aan om je eigen krachtdier te vinden. Daartoe wordt een “zielenreis” ondernomen, d.w.z. dat je in lichte trance op het bezwerende eentonige ritme van de sjamanendrum naar de Andere Wereld reist om daar je krachtdier te ontmoeten dat zich, als alles goed zit, spontaan aandient. Ook andere technieken kunnen gebruikt worden, zoals intens dansen, vasten, geleide meditatie of “verbeelding”. Tijdens mijn eerste zielenreis ontmoette ik Valk. Om bevestiging te krijgen maakte ik er nog een paar, met telkens hetzelfde resultaat. Valk bleek mijn krachtdier te zijn. Niet dat het me verbaasde. Affiniteit met Valk was er al veel eerder. Een vijftal jaar daarvoor gebruikte ik immers in mijn onvoltooide roman “Reveillon” de mythe rond de Egyptische god Horus, zoon van Isis en Osiris, die als een valk wordt voorgesteld, als onderliggend thema, basso continuo of rode draad doorheen het verhaal. Het hoofdpersonage heette niet voor niets… Valcke. In de kleine gestalte van de torenvalk (Falco tinnunculus), zijn wendbaarheid, scherpe blik, alertheid en solitaire levenswijze, en zijn eeuwige jacht op (geestelijk) voedsel, herkende ik mezelf. Vanaf dat eerste contact tijdens de zielenreis deden zich in het dagelijks leven talloze synchroniciteiten voor rond Falco en hij vloog ook mijn droomleven binnen als brenger van belangrijke boodschappen. Van elke ontmoeting in de alledaagse of de andere werkelijkheid – die ik het hiernaastmaals noem – deed ik uitgebreid verslag in mijn dagboeken.Deze magische ervaringen maakten me duidelijk dat ook in een verstedelijkte wereld het pad van de sjamaan kan gegaan worden.

Mijn ultieme wens was uiteraard Falco in levende lijve te ontmoeten. In die tijd was de torenvalk nog redelijk zeldzaam in onze contreien. Nog nooit had ik er een in de vrije natuur of in gevangenschap gezien. Daarom vroeg ik tijdens een zielenreis of ik valk ook “in ‘t echt” mocht ontmoeten. Het antwoord was kort en bondig : “Ga naar Wortegem”. Wortegem is een dorp tussen Oudenaarde en Waregem, dat minstens sedert begin 13de eeuw de bakermat is van het geslacht Van Meirhaeghe. Als stambewaarder deed ik genealogisch onderzoek en publiceerde in 2016 het resultaat van 40 jaar zoekwerk. Ik nam meteen een dagje vrijaf en reed daarheen. Back to the roots! Via de Meirhaegstraat en de Kleistraat reed ik naar het Hof van Walem, de voormalige Gallo-Romeinse villa, nu schitterende herenhoeve die het gedurende duizend jaar het centrum was van de gelijknamige feodale heerlijkheid en waarvan mijn voorvader Franchoys Van Meirhaeghe in 1590 de uitbater was. Ik wist niet goed wat ik mocht verwachten. In de Kleistraat, een smalle holle weg tussen twee hoge bermen, zag ik vlakbij het Hof van Walem, rechts van de weg op een elektriciteitsdraad, een 20-tal meter van mij vandaan, Falco zitten! Zag ik dit goed!? Mijn hart skipte een beat. Ik stopte mijn wagen om de vogel te observeren en “spiritueel contact” met hem te maken. Ik vreesde dat een andere auto me op dit landelijk eenpersoonsasfaltje zou dwingen om door te rijden en de betovering zou verbreken, maar dat gebeurde gelukkig niet. De tijd leek wel bevroren. Ik liet de motor van mijn auto stationair draaien en de radio op staan. Dat deed ik om de vogel niet door iets onverwachts af te schrikken. Valk is immers een zeer schuwe vogelen vliegt meteen weg als ie een plotse beweging opmerkt of een mens in de buurt bespeurt; dat weet ik ondertussen van mijn honderden observaties. Hij vloog niet weg. Integendeel! Falco verhief zich en nam een duikvlucht, recht naar de voorruit van mijn auto ! Ik deinsde instinctief achteruit omdat ik vreesde dat ie zich tegen de autoruit te pletter zou vliegen. Op enkele decimeter van mijn voorruit zwenkte hij naar rechts en landde in de berm, vlak naast mijn autoportier! Doorheen het open raam – het was zomer en warm – keek hij me op amper anderhalve meter afstand met zijn scherpe blik aan – oog in oog. Hij slaakte een schrille kreet en vloog weer naar zijn zitplek op de elektriciteitsdraad van daarnet. Ik was toen al ongeveer in extase – goosebumps all over – maar de ontmoeting was nog niet voorbij. Na een minuut of wat dook hij een tweede keer op identieke wijze naar mijn voorruit, landde weer in de berm, op dezelfde plek, keek me nog eens in de ogen, slaakte weer een kreet en vloog terug naar dezelfde elektriciteitsdraad. Een paar minuten later vloog Falco dan definitief weg richting bos wat verderop. Deze magischeontmoeting bracht me in een roes. Als door een tunnel reed ik full speed naar Gent, om mijn huisgenoten met mijn verhaal te overrompelen. Tot op vandaag beroert het me als ik daaraan terugdenk en ik beschouw dit initieel contact met mijn zielenvogel als één van de meest intense spirituele gebeurtenissen van mijn leven.

Sedert dat eerste ‘close encounter of the third kind’ had ik nog talloze ontmoetingen met Falco, zowel tijdens zielenreizen en in dromen, als in de alledaagse werkelijkheid. Een aantal keer vereerde hij me met een huisbezoek. Dat gebeurt altijd als er iets belangrijks te gebeuren staat. Met bezoek bedoel ik niet dat hij hoog overvloog of even boven ons huis cirkelde, maar dat hij landde op een muur of op de kiezels van mijn tuintje. Het is heel uitzonderlijk dat een torenvalk een stadstuintje bezoekt; zijn jachtgebied bestaat immers uit akkers en weiden. Ik vertel jullie over twee huisbezoeken die in mijn hart gebrand staan. Op een vroege zaterdagochtend, eind jaren ’90, stapte ik als naar dagelijkse gewoonte mijn tuintje in richting vogelvoederplek achterin. Mijn blik werd getrokken naar de hortensiastruik. Op de grond onder de hortensia zat Falco ! Sliep ik nog? Droomde ik dit? Ik kon mijn ogen niet geloven ! Voetje voor voetje benaderde ik hem. Hij bleef zitten, wat abnormaal is voor deze mensenschuwe vogel. Wat was er met hem aan de hand? Ik trok mijn dikke tuinhandschoenen aan om hem op te pakken; zijn scherpe klauwen gingen er doorheen. Opgewonden liep ik met Falco de trappen op naar mijn vrouw die nog in bed lag. Ook zij wreef zich de ogen uit. Wat te doen? Ik stopte Falco in de duivenkorf van vader zaliger en voerde hem naar Vogelasiel Merelbeke, waar ik mijn onwaarschijnlijk verhaal vertelde. Ze zouden hem onderzoeken en verzorgen en mij op de hoogte houden. ’s Anderendaags kreeg ik telefoon dat hij overleden was. Alle zorgen kwamen te laat. Hij bleek in de borst geschoten te zijn. Mijn krachtdier en zielengids Falco was dus ergens op den buiten door een snoodaard beschoten en tot in het tuintje van zijn spirituele copain gevlogen om er te sterven. Toeval, zegden de sceptici; mijn hart weet wel beter.
Een ander bezoek vond plaats op de dag van mijn vision quest, waarover ik schreef in “Hartvinder” (Zie elders op deze blog & La Verna, jg 18, nr 3, 2021). Die ochtend wachtte ik tot M, de sjamanka die me zou begeleiden, me met de wagen kwam oppikken om naar de bewuste plek te rijden waar ik vier dagen en nachten in de wilde natuur zou vertoeven. Plots werd ik overmand door golven van stress, angst en onzekerheid voor het avontuur dat ik zou ondernemen. Wat deed ik mezelf toch telkens weer aan? Blies ik niet beter deze onderneming in extremis af? Je kent dat soort gepieker wel net vóór er iets belangrijks, moeilijks of onvoorspelbaars te gebeuren staat. Ik schoof het gordijn opzij van het schuifraam dat uitgeeft op ons tuintje en nam plaats op een stoel. Om mijn evenwicht terug te vinden en kracht en moed te verzamelen, zong ik in stilte mijn Falco-krachtlied, waarvan de laatste strofe luidt : “Falcon Falcon, fly with me, North and East and South and West, Falcon Falcon, fly with me, be my guardian on my quest”. Op dat eigenste moment landde Falco op vijf meter van mij vandaan op de kiezelkeitjes. Weer keek hij me recht in de ogen en bleef daar ruim een minuut zitten. Hij was er, mijn bewaarder en gids! Er viel niets te vrezen. Moed en kracht doorstroomden me en ik harkte mezelf bijeen om het grote avontuur aan te gaan. Een kwartier later vertrok ik op vision quest, een scharnier- en ijkpunt in mijn leven.

Meestal deed ik een beroep op Falco voor spirituele aangelegenheden, maar soms ook voor heel praktische zaken. Een paar voorbeelden. In december 1995 was ik met een collega in Brussel naar een namiddagvoorstelling geweest; daarna waren we nog iets gaan eten. Het was al laat toen we station Brussel-Noord binnenstapten. Onmiddellijk zagen we dat er iets loos was. Er bleek in de late namiddag een wilde treinstaking uitgebroken te zijn. Onaangename verrassing. We waren daar niet van op de hoogte; er was toen immers nog geen sprake van gsm of smartphone. Op de perrons stond een massa passagiers te wanhopen op een laatste trein naar huis. Mijn collega had geluk : er reed meteen een trein met zijn bestemming voor. Even overwoog ik om met hem mee te gaan om bij hem thuis overnachten, maar deed het niet. Daarna werd geen enkele trein meer aangekondigd… Wat nu? In Brussel overnachten was geen optie, want ik had geen bankkaart en niet genoeg geld bij om in een hotel te overnachten. Tussen de clochards op een bank in het station slapen was geen aanrader. En hoe ongerust zouden mijn vrouw en kinderen niet zijn? De situatie zag er uitzichtloos uit. Toen besloot ik Falco te hulp te roepen. Ik begon inwendig mijn krachtlied te zingen als een mantra met de vraag mij alsnog naar huis te brengen. Miracolo ! Binnen de vijf minuten reed een lege boemeltrein naar Gent binnen. Het was de allerlaatste trein die die avond mijn richting uitreed. Zo raakte ik toch nog vóór middernacht thuis. Op de overvolle trein vond ik zelfs een zitplekje om mijn boek te lezen : “Spirit Healing, Native American Magic & Medicine” van Mary Dean Atwood”. Rechtover mij zat een dame die halfweg de treinreis een dik boek bovenhaalde. Op de kaft stond de tekening van een Amerikaanse arend in al zijn majesteit die een ketting met schelp gooit naar een indiaanse vrouw. Titel : “De roep van de Adelaar” van Linda Shuler. In deze historische roman vertelt zij de belevenissen van een Pueblo-vrouw ruim twee eeuwen vóór de komst van de eerste blanken in het Zuidwesten van de Verenigde Staten. We lazen dus allebei een boek over “indianen”. In mijn boek las ik een passage over de kleur “purple”, kleur van de communicatie met de hoogste spirituele gidsen. Ik citeer : “The purple is a signal you are at a high enough vibratory level (spiritually speaking) to be able to communicate with your spirit helpers”. Toen ik dit las keek ik heel even op uit mijn lectuur en zag een mede-passagierster vlakbij staan die geen zitplaats had gevonden. Ze ging gekleed in een purperen cape en droeg een paars hoofddeksel. De volgende dag schreef ik een brief van zeven bladzijden aan sjamanka M. met mijn motivatie waarom ik een vision quest wou ondernemen.
Soms roep ik Falco’s hulp in om iemand die in moeilijke omstandigheden verkeert te helpen. Zoals die keer toen mijn oudste zoon op klasreis was naar Parijs. Het werd hem toegestaan om één dag vroeger dan gepland naar huis terug te keren. De volgende dag vertrok hij immers met zijn toenmalige vriendin en haar ouders op vakantie naar Zweden. Hij zou dus in z’n eentje met de trein van Parijs naar Brussel sporen en dan naar Gent. Hij was toen 17 jaar en we maakten ons wel enige zorgen. Toen hij aan de Gare du Nord werd afgezet, bleek er in Frankrijk een algemene treinstaking uitgebroken te zijn. Dat hoorden we in het Nieuws. Mijn vrouw en ik werden nog ongeruster. Contact maken kon niet, want mobiel bellen bestond toen nog niet. Ik trok me op mijn kamer terug om een zielenreis te maken naar Falco met de vraag of hij onze zoon ondanks alle hindernissen toch op de een of andere manier diezelfde die dag nog veilig naar huis kon loodsen. Gezien de situatie een bijna onmogelijk zaak. Omstreeks 21u belde zoon vanuit een telefooncel in station Brussel-Zuid dat hij zo meteen de trein nam naar Gent-Sint-Pieters ! Onze ongeloof was recht evenredig met onze opluchting. We haalden hem af in het station en hij vertelde ons zijn onwaarschijnlijk avontuur. In Parijs nam hij een uiterst zeldzame trein naar Brussel. Oef ! Helaas, die trein was vóór de grens met België gestopt, ergens te velde in Noord-Frankrijk. In een dorpje vond hij een lijnbus die hem over de grens bracht. Met een andere bus was zoon in Poperinge geraakt. Daar had hij een trein naar Brussel genomen. Falco loodste ook de dochter van een vriendin doorheen de nationale spoorwegchaos. Zij moest met de trein van Sint-Truiden naar Brugge voor een sollicitatie, uitgerekend op de dag van een onaangekondigde treinstaking over heel het land. Haar moeder belde me die ochtend of ik iets kon doen. Ik reed naar Shambala, het spiritueel centrum van sjamanka M in het Meetjesland waar de zweethutten en ander sjamanistische activiteiten plaatsvonden, en deed daar een ritueel in de vuurcirkel. Ik vroeg Falco of hij de jongedame kon gidsen. Ze raakte probleemloos in Brugge én terug thuis.
Wat deze voorvallen ook betekenen, ze zeggen me dat we als de sceptici die we allemaal in meerdere of mindere mate zijn, niet moeten aarzelen om iets onmogelijks te vragen. Baat het niet, het schaadt ook niet. Uiteindelijk is Falco een verschijningsvorm van Grote Geest. Wanneer ik voelde dat het me in een bepaalde situatie aan zielenkracht of vertrouwen ontbrak, richtte ik me tot hem als tot een schutsengel.Hulp is altijd beschikbaar.Enige vereiste is aandacht schenken. Wat je geen aandacht geeft verkommert zienderogen. Uiteraard waren er periodes waarin ik Falco verwaarloosde. Dat vertaalde zich meteen in het feit dat hij zich op mijn fietstochtjes door Falconia nog zelden toonde. Wanneer hij, zoals nu, niet meer in het brandpunt van mijn leven staat, geef ik hem toch minimale aandacht, o.m. door middel van een wekelijks ritueel. Op mijn werkkamer staat een opgezette valk; ze stierf een natuurlijke dood en ik kreeg ‘m ooit cadeau. Voor hem doe ik een kort zondagochtendritueel waarbij ik, met de kalebasratel in de hand, mijn/zijn krachtlied zing. “Falcon Falcon, fly with me, through my nights and through my days; Falcon Falcon fly with me, guide me on your falcon ways”. En die wegen zijn, net als die van God, ondoorgrondelijk. Vogels volgen immers geen uitgestippelde vliegroutes, laten in hun vlucht geen te volgen condensatiespoor achter. Zenmeester Dogen (Japan, 13de eeuw) schreef dit gedicht : “De migrerende vogel, laat geen spoor achter, en heeft geen gids nodig”. Zenleraars nodigen ons uit om te “leven zonder sporen na te laten”. Afgezien van de diepere spirituele betekenis van deze uitspraak, probeer ik alvast om ook op ecologisch vlak zo spoor-loos mogelijk door het leven te vliegen. (wordt vervolgd)




































