Welkom in Falconia

“De lessen van Don Juan”. Ze verschenen in het weekblad Humo, ergens eind jaren ’70. Altijd een leergierige jongen geweest, dus wou ik gretig kennis nemen van wat de libertijnse, Spaanse womaniser, waaraan Wolfgang Amadeus een opera wijdde, in pre-#MeToo-tijden te vertellen had over hoe je niet alleen kerstbomen kan versieren. Ik had het fout. Het bleek om een andere, veel interessantere Don Juan te gaan. Humo publiceerde immers gedurende enkele weken uittreksels uit het boek met die titel van Carlos Castaneda (1925-1998), een Amerikaans antropoloog en auteur van Peruviaanse afkomst die een reeks werken schreef over zijn leer- en inwijdingsproces bij de indiaanse sjamaan Don Juan Matus. In “De lessen van don Juan” doet hij verslag van zijn wonderlijke kennismaking met een magische wereld waarin hij tal van beproevingen ondergaat. Hij heeft het over zijn eerste stappen op weg naar meesterschap, met als doel de geheime kennis van het Yaqui-sjamanisme te verwerven. Antropologen twijfelden aan het bestaan van Don Juan en aan het waarheidsgehalte van Castaneda’s werk. Deepak Chopra zegt dan weer : “Carlos Castaneda is een van de diepste en invloedrijkste denkers van de twintigste eeuw. Zijn inzichten banen een weg voor de toekomstige evolutie van het menselijk bewustzijn. Wij zijn allemaal schatplichtig aan hem.” Anderen vinden hem, ik citeer, “De beste en meest invloedrijke schrijver over sjamanistische kennis en rituelen, waaronder de transformatie van lichaam en geest door middel van psycho-actieve stoffen. Zijn boeken zijn nooit overtroffen; zijn werk zal nog generaties lezers blijven verbluffen en inspireren”. Don Carlos is ongetwijfeld één van de vaders van de New Age, maar dit is toch teveel eer ende wierook voor de man. Hoe dan ook, zijn oeuvre had een grote impact op de jongeren van de sixties en seventies.  Via zijn boeken maakte ook ik kennis met sjamanisme, een natuurrreligie en spirituele praktijk die bij alle inheemse volkeren voorkomt en waarvan de tekeningen in prehistorische grotten al getuigen. Door middel van technieken, rituelen, symbolen en instrumenten maakt de sjamaan of medicijnman in een veranderde staat van bewustzijn contact met de geestenwereld om diverse doeleinden te realiseren.

Die Humo-artikels las ik in mijn anarcho-marxistische dagen die niet bepaald spiritueel waren, zodat de lectuur ervan zonder gevolg bleef.  Een raakpunt was er wél; ik was toen immers lid van WIZA, “Werkroep Indianen Zuid-Amerika”, die de problematiek van de natives marxistisch benaderde en in een kapitalistische context plaatste. Het zaadje was geplant.  Na een incubatietijd van 15 jaar ontkiemde het. In januari 1993 las ik Begraaf mijn hart bij de bocht van de rivier” (“Bury my heart at  Wounded Knee”) van Dee Brown, een boek uit 1970 dat de geschiedenis van de oorspronkelijke Amerikanen in de late 19de eeuw behandelt en waarvan er indertijd ook uittreksels in Humo verschenen waren, meen ik. Het bloedbad bij Wounded Knee in 1890 kwam hierin ter sprake. In 1973 werd het dorp 71 dagen bezet door leden van de “American Indian Movement” en in datzelfde jaar had de Amerikaans-indiaanse band Redbone een hit met “We were all wounded at Wounded Knee”. Dat waren we inderdaad, zo voelde ik dat toch aan.  Ook in 1993 zag ik op tv de film “Dances with Wolves” die een diepe indruk op mij maakte. In april kreeg ik een kanjer van een oorontsteking; mijn oorschelp was tot tweemaal haar omvang opgezwollen. Mocht ik een Apache geweest zijn, had men me zeker Driedubbel Dikoor genoemd. Moest ik een luisterend oor bieden aan de stem van Don Juan? Tijdens mijn ziekteverlof las ik vier boeken van Castaneda : “De Lessen van Don Juan”, “Aparte Werkelijkheid”, “Reis naar Ixtlan” en “Het innerlijke vuur”. De daaropvolgende drie jaar verslond ik 150 boeken over sjamanisme (druïdisme, wicca, candomblé, natuurreligies, etc). Daarmee was het deksel van de toverketel. De meeste van die boeken las ik, bewust, op een bank in een park om me in deze versteende stad iets dichter bij de natuur te voelen. Zo raakte ik diep geïnteresseerd in sjamanisme. Maar boeken lezen volstaat niet. Net als zen, is sjamanisme een oefenweg. Op basis van mijn lectuur en mijn intuïtie bouwde ik een eigen praktijk uit. Hier beperk ik me tot een paar aspecten ervan, een andere keer meer.

Zoals bij mijn droomwerk stelde ik me de vraag of dit wel te verzoenen was met het zen-pad dat ik toen al een viertal jaren ging? Het wordt de beoefenaar van zen-meditatie – terecht – sterk aangeraden om op één discipline te focussen, maar dat heb ik nooit gekund, met de beste wil van de wereld niet. Ligt het aan de planeet die bij mijn sterrenbeeld Boogschutter hoort, Jupiter? De grootste planeet van ons zonnestelsel staat immers voor uitbreiding, expansie, rijkdom, groei, ontwikkeling én persoonlijke vrijheid. Deze kenmerken tekenden heel mijn leven, vooral op intellectueel, geestelijk en spiritueel vlak. Niet dat ik snel het ene pad voor het andere inruil, ik ga ze alle tegelijk en zo intens mogelijk. De verantwoording tegenover mezelf was dat ook sjamanisme een pad van het hart is. Dat is het enige criterium dat ik hanteer. De kritiek van mijn zen-vrienden weerlegde ik met deze uitspraak van Don Juan himself: “Ik kan alleen maar de wegen volgen van het hart, elke weg van het hart. Daarlangs reis ik en de enige echte uitdaging is om de weg te volgen tot het eind. Langs de weg van het hart kijk ik rond en rond, ademloos.”

Op de eerste plaats betekende “sjamanisme” voor mij een “retour à la nature”, de natuur zoals ik die in mijn jeugd als boerenbuitenkind in de jaren ’50 nog net gekend had. Na mijn studies en huwelijk kwam ik als de zoveelste West-Vlaming in de stad van Gent wonen en ik werkte 40 jaar in Brussel. Twee prachtige bruisende steden, maar ook plekken van confronterende lelijkheid in al haar stedelijke vormen : de miljoenen kauwgumvlekken op voetpaden en sigarettenpeuken in de goot, het zwerfvuil in de straten en sluikstortplekken achter elke hoek, verkeersellende, architectuur niet op mensenmaat, lawaai-vervuiling tot diep in de nacht. “Als een mens op de grond spuwt, spuwt hij op zichzelf.” In 1855 sprak Chief Seatlle, stamhoofd van de Suquamish en Duwamish, deze woorden in zijn beroemde toespraak tot Franklin Pierce, de 14de president van de USA. En hij zei ook nog dit : “Het zien van uw steden doet pijn aan mijn ogen”. En aan mijn oren én aan mijn neus én aan mijn hart én aan mijn ziel.

Ver zocht ik “de natuur” niet:  de nog redelijk groene Scheldevallei tussen Gentbrugge, Heusden/Destelbergen, Melle en Kalken en het ruimere gebied daaromheen, op een kwartiertje fietsen van huis. Wekelijks trok ik er een aantal keer naartoe, voor een uurtje na de werkdag en uitgebreider tijdens de weekends. Ergens vond ik een geschikt plekje in het groen met een waterplas; ik noemde het mijn “Eiland”. “Papa is weer naar zijn Eiland”, was hier ten huize een gevleugelde uitspraak. Mijn Eiland werd mijn krachtplek waar ik vele uren vertoefde om er het bescheiden wildlife te observeren : waterhoentjes, meerkoeten, blauwe reiger, eenden en ganzen, aalscholvers, ijsvogeltje, vlinders, kevers, kikkers, muizen, waterratten, muskusratten die verliefd met elkaar in het water dolden en libellen en waterjuffers die al vliegend liefde maken, een kunst die ik helaas niet beheers. Ik mediteerde er tussen lisdodde en riet. Ik beluisterde de nostalgische roep van de koekoek die ik sedert mijn kindertijd niet meer had gehoord. Terugfietsend van school naar huis hoorde ik hem roepen vanuit één van de hoge bomen langs de dreef naar een boerderij. Toen al werd ik bevangen door onbestemd heimwee.  Als ik hem nu hoor, communiceer ik met hem door middel van een koekoeksfluitje. Ik tel het aantal roepen en zend hem er evenveel terug. In het mahayana-boeddhisme is koekoek een verschijningsvorm van Avalokiteshvara, de bodhisattva van het Grote Mededogen, bij ons beter gekend als Kwanyin (Kannon, Kanzeon). Een bodhisattva bewandelt het pad van het hart en weigert nirvana binnen te gaan zolang het allerlaatste grassprietje niet is verlost. Er is nog werk aan de wereldwinkel….  Elke ochtend bij de start van mijn meditatie reciteer ik als zen-monnik “de vier geloften van de bodhisattva”. Ik sluit af met de intentie “dat de roep van de koekoek in mij zou blijven weerklinken, tot voorbij dit leven”. In Falconia weerklinkt ook de roep van Buteo de buizerd die zich op de thermiek moeiteloos in spiralen naar de zon laat drijven – pie-ie-ieuw, pie-ie-ieuw. De roep van onze inheemse arend is die van Grote Geest zelf. In een volgende aflevering vertel ik meer over Buteo.

Regelmatig maakte ik  “medicijnwandelingen” in dat gebied. “Medicijn” is een begrip dat ontleend is aan de spiritualiteit van de native Americans; het omvat alles wat ons zowel spirituele kracht geeft als genezing. Ik vertrok dan om 5 u in de ochtend om na de middag terug te keren. Mijn wandelstok had ik gesneden uit een ontschorste tak waarin ik van beneden tot boven een rood ingekleurde spiraalslang had gekerfd. Geen nordic maar spiritual walking, met oog voor fauna en flora en hun boodschap. “Als de ziele luistert spreekt het al een taal dat leeft, ’t lijzigste gefluister ook een taal en teken heeft: blaren van de bomen kouten met malkaar gezwind, baren in de stromen klappen luide en welgezind, wind en wee en wolken, wegelen van Gods heiligen voet, talen en vertolken ’t diep gedoken Woord zo zoet… als de ziele luistert!” En luisteren deed ze, die ziel van mij, net zoals die van natuurmysticus Guido Gezelle.

Ik consumeerde niet alleen maar de weldaden en de schoonheid van de natuur, ik gaf haar ook iets terug. Thuis kweekte ik in bloempotten boompjes – eiken en vooral esdoorns, mijn totemboom – die ik dan uitplantte in de Scheldevallei tot er na verloop van tijd een heus bosje ontstond. Bij de geboorte van mijn vier kleinkinderen plantte ik er ook telkens een paar bomen die hen en mij inmiddels boven het hoofd zijn gegroeid. Toen mijn twee kleinzonen 7 jaar waren begroeven we er samen een schat; wanneer ze 12 worden spitten we de schat weer boven. Dit ritueel markeert twee belangrijke overgangsmomenten in hun leven: begin en einde van de lagereschool- en kindertijd. Toen we met onze werkzaamheden bezig waren cirkelden drie buizerds boven ons. Onze onderneming was dus gezegend.

Wanneer ik sluikstortplaatsen aantrof verwittigde ik niet alleen de bevoegde diensten, ik ruimde ook zelf zwerfvuil langs de Schelde-oevers en in de bosjes. Heelder zakken vol, die ik met de fiets meebracht naar huis of met de auto ging ophalen.  Mijn vrouw wreed content natuurlijk… Vaak trok ik hier een hele zondagvoormiddag  voor uit. Maar ook op kleine schaal ruimde ik de rommel die natuurconsumenten en fietsers er achteloos dumpten. Ik deed en doe geen fietstocht zonder enkele blikjes en plastic flesjes te ruimen en in mijn fietstas te stoppen. En geen wandeling in de stad zonder lege batterijtjes op te rapen. Druppels op een hete plaat? Moedeloosheid overvalt me soms bij de onbewuste achteloosheid en onverbeterlijkheid van de enorme nestbevuiler die de mens is en ik word almaar pessimistischer over de goede afloop van de klimaatproblematiek. Maar we blijven de hete plaat blussen. Ik maak mezelf graag wijs dat met genoeg druppels de gloeiende plaat toch nog geblust raakt. Ik werd niet alleen lid van verenigingen voor dierenrechten en dierenwelzijn, aangereden of zieke  dieren – vogels  vooral – bracht ik mee naar huis om ze, indien mogelijk, zelf te verzorgen. Lukte dat niet, dan bracht ik ze naar het vogelasiel. Altijd had ik een schopje bij om overreden dieren – egeltjes vooral – van de rijweg te schrapen en op een waardige wijze terug in de schoot van moeder aarde te leggen.  Ik begroef ze ritueel door ze te bestrooien met salie en tabak – heilige kruiden bij de Native Americans. Onder een boom op mijn Eiland begroef ik ooit de kadavers van een buizerd en een pauw die ik op mijn weg gevonden had. Later groef ik ze weer op om hun schedel en skelet te bleken en op mijn kamer bij te zetten, waar ze deel uitmaken van mijn rituelen.

Sedert vijfendertig jaar serveer ik in mijn stadstuintje elke ochtend, zonder er één over te slaan, een ontbijt van brood, kaas, zaden en granen, waar allerlei vogels op afkomen: huis- en heggemussen, merels, tortels, houtduiven, meesjes, roodborstje, spreeuwen, eksters, winterkoninkje, een zeldzame keer lijster. Heerlijk om ze gade te slaan. Ik koester een speciale voorliefde voor de bescheiden huismus, die door de schepper niet bepaald werd verwend qua kleur en zang. Op mijn manier onderhoud ik al jaren een grote mussenkolonie die logeert in de spleten van muren en daken van huizen van de buren. Heel soms krijg ik bezoek van sperwer die op mussen jaagt of van blauwe reiger die goudvissen uit buurmans vijvertje vist.  “Franciscus” noemde mijn vrouw me als ze me bezig zag. Ik hou van vogels. In het magistrale oeuvre van de Schepper behoren ze tot het allerbeste. Ze vlogen rechtstreeks uit Zijn handen, zo volmaakt van vorm als ze zijn. Maar een Jain ben ik niet; ik veeg het pad vóór mij uit niet schoon om geen diertjes te vertrappen. Wél gebruik ik zoveel mogelijk verharde paden om niet over het gras te lopen. Zijn grassen niet de meest vertrapte, verdrukte en door maaimachines en sporters gemolesteerde levende wezens op deze planeet?

Mijn werkgebied gaf ik de naam “Falconia”, naar Falco, torenvalk, mijn krachtdier. Elementair in het sjamanisme is immers het vinden van en werken met je kracht- of totemdier. Dat kan een zoogdier, vogel, vis, insect of reptiel zijn dat bij jou hoort als een bondgenoot, helper en zielengids. Alle dieren komen daarvoor in aanmerking, behalve huisdieren of andere gedomesticeerde dieren. Die hebben immers teveel “natuurlijke kracht” verloren door hun contact met de mens. Het komt er dus op aan om je eigen krachtdier te vinden. Daartoe wordt een “zielenreis” ondernomen, d.w.z. dat je in lichte trance op het bezwerende eentonige ritme van de sjamanendrum naar de Andere Wereld reist om daar je krachtdier te ontmoeten dat zich, als alles goed zit, spontaan aandient. Ook andere technieken kunnen gebruikt worden, zoals intens dansen, vasten, geleide meditatie of “verbeelding”.  Tijdens mijn eerste zielenreis ontmoette ik Valk. Om bevestiging te krijgen maakte ik er nog een paar, met telkens hetzelfde resultaat. Valk bleek mijn krachtdier te zijn.  Niet dat het me verbaasde. Affiniteit met Valk was er al veel eerder. Een vijftal jaar daarvoor gebruikte ik immers in mijn onvoltooide roman “Reveillon” de mythe rond de Egyptische god Horus, zoon van Isis en Osiris, die als een valk wordt voorgesteld, als onderliggend thema, basso continuo of rode draad doorheen het verhaal. Het hoofdpersonage heette niet voor niets… Valcke. In de kleine gestalte van de torenvalk (Falco tinnunculus), zijn wendbaarheid, scherpe blik, alertheid en solitaire levenswijze, en zijn eeuwige jacht op (geestelijk) voedsel, herkende ik mezelf. Vanaf dat eerste contact tijdens de zielenreis deden zich in het dagelijks leven talloze synchroniciteiten voor rond Falco en hij vloog ook mijn droomleven binnen als brenger van belangrijke boodschappen. Van elke ontmoeting in de alledaagse of de andere werkelijkheid – die ik het hiernaastmaals noem – deed ik uitgebreid verslag in mijn dagboeken.Deze magische ervaringen maakten me duidelijk dat ook in een verstedelijkte wereld het pad van de sjamaan kan gegaan worden.

Mijn ultieme wens was uiteraard Falco in levende lijve te ontmoeten. In die tijd was de torenvalk nog redelijk zeldzaam in onze contreien.  Nog nooit had ik er een in de vrije natuur of in gevangenschap gezien. Daarom vroeg ik tijdens een zielenreis of ik valk ook “in ‘t echt” mocht ontmoeten. Het antwoord was kort en bondig : “Ga naar Wortegem”. Wortegem is een dorp tussen Oudenaarde en Waregem, dat minstens sedert begin 13de  eeuw de bakermat is van het geslacht Van Meirhaeghe. Als stambewaarder deed ik genealogisch onderzoek en publiceerde in 2016 het resultaat van 40 jaar zoekwerk. Ik nam meteen een dagje vrijaf en reed daarheen. Back to the roots!  Via de Meirhaegstraat en de Kleistraat reed ik naar het Hof van Walem, de voormalige Gallo-Romeinse villa, nu schitterende herenhoeve die het gedurende duizend jaar het centrum  was van de gelijknamige feodale heerlijkheid en waarvan mijn voorvader Franchoys Van Meirhaeghe in 1590 de uitbater was. Ik wist niet goed wat ik mocht verwachten. In de Kleistraat, een smalle holle weg tussen twee hoge bermen, zag ik vlakbij het Hof van Walem, rechts van de weg op een elektriciteitsdraad, een 20-tal meter van mij vandaan, Falco zitten!  Zag ik dit goed!? Mijn hart skipte een beat. Ik stopte mijn wagen om de vogel te observeren en “spiritueel contact” met hem te maken. Ik vreesde dat een andere auto me op dit landelijk eenpersoonsasfaltje zou dwingen om door te rijden en de betovering zou verbreken, maar dat gebeurde gelukkig niet. De tijd leek wel bevroren. Ik liet de motor van mijn auto stationair draaien en de radio op staan. Dat deed ik om de vogel niet door iets onverwachts af te schrikken. Valk is  immers een zeer schuwe vogelen vliegt meteen weg als ie een plotse beweging opmerkt of een mens in de buurt bespeurt; dat weet ik ondertussen van mijn honderden observaties. Hij vloog niet weg. Integendeel! Falco verhief zich en nam een duikvlucht, recht naar de voorruit van mijn auto ! Ik deinsde instinctief achteruit omdat ik vreesde dat ie zich tegen de autoruit te pletter zou vliegen. Op enkele decimeter van mijn voorruit zwenkte hij naar rechts en landde in de berm, vlak naast mijn autoportier! Doorheen het open raam – het was zomer en warm – keek hij me op amper anderhalve meter afstand met zijn scherpe blik aan – oog in oog. Hij slaakte een schrille kreet en vloog weer naar zijn zitplek op de elektriciteitsdraad van daarnet. Ik was toen al ongeveer in extase – goosebumps all over – maar de ontmoeting was nog niet voorbij.  Na een minuut of wat dook hij een tweede keer op identieke wijze naar mijn voorruit, landde weer in de berm, op dezelfde plek, keek me nog eens in de ogen, slaakte weer een kreet en vloog terug naar dezelfde elektriciteitsdraad.  Een paar minuten later vloog Falco dan definitief weg richting bos wat verderop. Deze magischeontmoeting bracht me in een roes. Als door een tunnel reed ik full speed naar Gent, om mijn huisgenoten met mijn verhaal te overrompelen. Tot op vandaag beroert het me als ik daaraan terugdenk en ik beschouw dit initieel contact met mijn zielenvogel als één van de meest intense spirituele gebeurtenissen van mijn leven.

Sedert dat eerste ‘close encounter of the third kind’ had ik nog talloze ontmoetingen met Falco, zowel tijdens zielenreizen en in dromen, als in de alledaagse werkelijkheid.  Een aantal keer vereerde hij me met een huisbezoek. Dat gebeurt altijd als er iets belangrijks te gebeuren staat. Met bezoek bedoel ik niet dat hij hoog overvloog of even boven ons huis cirkelde, maar dat hij landde op een muur of op de kiezels van mijn tuintje. Het is heel uitzonderlijk dat een torenvalk een stadstuintje bezoekt; zijn jachtgebied bestaat immers uit akkers en weiden. Ik vertel jullie over twee huisbezoeken die in mijn hart gebrand staan. Op een vroege zaterdagochtend, eind jaren ’90, stapte ik als naar dagelijkse gewoonte mijn tuintje in richting vogelvoederplek achterin. Mijn blik werd getrokken naar de hortensiastruik. Op de grond onder de hortensia zat Falco ! Sliep ik nog? Droomde ik dit? Ik kon mijn ogen niet geloven ! Voetje voor voetje benaderde ik hem. Hij bleef zitten, wat abnormaal is voor deze mensenschuwe vogel. Wat was er met hem aan de hand? Ik trok mijn dikke tuinhandschoenen aan om hem op te pakken; zijn scherpe klauwen gingen er doorheen. Opgewonden liep ik met Falco de trappen op naar mijn vrouw die nog in bed lag. Ook zij wreef zich de ogen uit. Wat te doen? Ik stopte Falco in de duivenkorf van vader zaliger en voerde hem naar Vogelasiel Merelbeke, waar ik mijn onwaarschijnlijk verhaal vertelde. Ze zouden hem onderzoeken en verzorgen en mij op de hoogte houden. ’s Anderendaags kreeg ik telefoon dat hij overleden was.  Alle zorgen kwamen te laat. Hij bleek in de borst geschoten te zijn. Mijn krachtdier en zielengids Falco was dus ergens op den buiten door een snoodaard beschoten en tot in het tuintje van zijn spirituele copain gevlogen om er te sterven. Toeval, zegden de sceptici; mijn hart weet wel beter.

Een ander bezoek vond plaats op de dag van mijn vision quest, waarover ik schreef in “Hartvinder” (Zie elders op deze blog  & La Verna, jg 18, nr 3, 2021). Die ochtend wachtte ik tot M, de sjamanka die me zou begeleiden, me met de wagen kwam oppikken om naar de bewuste plek te rijden waar ik vier dagen en nachten in de wilde natuur zou vertoeven. Plots werd ik overmand door golven van stress, angst en onzekerheid voor het avontuur dat ik zou ondernemen. Wat deed ik mezelf toch telkens weer aan? Blies ik niet beter deze onderneming in extremis af? Je kent dat soort gepieker wel net vóór er iets belangrijks, moeilijks of onvoorspelbaars te gebeuren staat. Ik schoof het gordijn opzij van het schuifraam dat uitgeeft op ons tuintje en nam plaats op een stoel. Om mijn evenwicht terug te vinden en kracht en moed te verzamelen, zong ik in stilte mijn Falco-krachtlied, waarvan de laatste strofe luidt : “Falcon Falcon, fly with me, North and East and South and West, Falcon Falcon, fly with me, be my guardian on my quest”. Op dat eigenste moment landde Falco op vijf meter van mij vandaan op de kiezelkeitjes. Weer keek hij me recht in de ogen en bleef daar ruim een minuut zitten. Hij was er, mijn bewaarder en gids! Er viel niets te vrezen. Moed en kracht doorstroomden me en ik harkte mezelf bijeen om het grote avontuur aan te gaan. Een kwartier later vertrok ik op vision quest, een scharnier- en ijkpunt in mijn leven.

Meestal deed ik een beroep op Falco voor spirituele aangelegenheden, maar soms ook voor heel praktische zaken. Een paar voorbeelden. In december 1995 was ik met een collega in Brussel naar een namiddagvoorstelling geweest; daarna waren we nog iets gaan eten. Het was al laat toen we station Brussel-Noord binnenstapten. Onmiddellijk zagen we dat er iets loos was. Er bleek in de late namiddag een wilde treinstaking uitgebroken te zijn. Onaangename verrassing. We waren daar niet van op de hoogte; er was toen immers nog geen sprake van gsm of smartphone. Op de perrons stond een massa passagiers te wanhopen op een laatste trein naar huis. Mijn collega had geluk : er reed meteen een trein met zijn bestemming voor. Even overwoog ik om met hem mee te gaan om bij hem thuis overnachten, maar deed het niet. Daarna werd geen enkele  trein meer aangekondigd… Wat nu? In Brussel overnachten was geen optie, want ik had geen bankkaart en niet genoeg geld bij om in een hotel te overnachten. Tussen de clochards op een bank in het station slapen was geen aanrader. En hoe ongerust zouden mijn vrouw en kinderen niet zijn? De situatie zag er uitzichtloos uit. Toen besloot ik Falco te hulp te roepen. Ik begon inwendig mijn krachtlied te zingen als een mantra met de vraag mij alsnog naar huis te brengen. Miracolo ! Binnen de vijf minuten reed een lege boemeltrein naar Gent binnen. Het was de allerlaatste trein die die avond mijn richting uitreed. Zo raakte ik toch nog vóór middernacht thuis. Op de overvolle trein vond ik zelfs een zitplekje om mijn boek te lezen : “Spirit Healing, Native American Magic & Medicine” van Mary Dean Atwood”. Rechtover mij zat een dame die halfweg de treinreis een dik boek bovenhaalde.  Op de kaft stond de tekening van een Amerikaanse arend in al zijn majesteit die een ketting met schelp gooit naar een indiaanse vrouw. Titel : “De roep van de Adelaar” van Linda Shuler. In deze historische roman vertelt zij de  belevenissen van een Pueblo-vrouw ruim twee eeuwen vóór de komst van de eerste blanken in het Zuidwesten van de Verenigde Staten.  We lazen dus allebei een boek over “indianen”. In mijn boek las ik een passage over de kleur “purple”, kleur van de communicatie met de hoogste spirituele gidsen.  Ik citeer : “The purple is a signal you are at a high enough vibratory level (spiritually speaking) to be able to communicate with your spirit helpers”. Toen ik dit las keek ik heel even op uit mijn lectuur en zag een mede-passagierster vlakbij staan die geen zitplaats had gevonden. Ze ging gekleed in een purperen cape en droeg een paars hoofddeksel. De volgende dag schreef ik een brief van zeven bladzijden aan sjamanka M. met mijn motivatie waarom ik een vision quest wou ondernemen.

Soms roep ik Falco’s hulp in om iemand die in moeilijke omstandigheden verkeert te helpen. Zoals die keer toen mijn oudste zoon op klasreis was naar Parijs. Het werd hem toegestaan om één dag vroeger dan gepland naar huis terug te keren. De volgende dag vertrok hij immers met zijn toenmalige vriendin en haar ouders op vakantie naar Zweden.  Hij zou dus in z’n eentje met de trein van Parijs naar Brussel sporen en dan naar Gent.  Hij was toen 17 jaar en we maakten ons wel enige zorgen. Toen hij aan de Gare du Nord werd afgezet, bleek er in Frankrijk een algemene treinstaking uitgebroken te zijn. Dat hoorden we in het Nieuws. Mijn vrouw en ik werden nog ongeruster. Contact maken kon niet, want mobiel bellen bestond toen nog niet.  Ik trok me op mijn kamer terug om een zielenreis te maken naar Falco met de vraag of hij onze zoon ondanks alle hindernissen toch op de een of andere manier diezelfde die dag nog veilig naar huis kon loodsen. Gezien de situatie een bijna onmogelijk zaak. Omstreeks 21u belde zoon vanuit een telefooncel in station Brussel-Zuid dat hij zo meteen de trein nam naar Gent-Sint-Pieters ! Onze ongeloof was recht evenredig met onze opluchting. We haalden hem af in het station en hij vertelde ons zijn onwaarschijnlijk avontuur. In Parijs nam hij een uiterst zeldzame trein naar Brussel. Oef ! Helaas, die trein was vóór de grens met België gestopt, ergens te velde in Noord-Frankrijk. In een dorpje vond hij een lijnbus die hem over de grens bracht. Met een andere bus was zoon in Poperinge geraakt. Daar had hij een trein naar Brussel genomen. Falco loodste ook de dochter van een vriendin doorheen de nationale spoorwegchaos. Zij moest met de trein van Sint-Truiden naar Brugge voor een sollicitatie, uitgerekend op de dag van een onaangekondigde treinstaking over heel het land. Haar moeder belde me die ochtend of ik iets kon doen.  Ik reed naar Shambala, het spiritueel centrum van sjamanka M  in het Meetjesland waar de zweethutten en ander sjamanistische activiteiten  plaatsvonden, en deed daar een ritueel in de vuurcirkel. Ik vroeg Falco of hij de jongedame kon gidsen. Ze raakte probleemloos in Brugge én terug thuis.

Wat deze voorvallen ook betekenen, ze zeggen me dat we als de sceptici die we allemaal in meerdere of mindere mate zijn, niet moeten aarzelen om iets onmogelijks te vragen. Baat het niet, het schaadt ook niet. Uiteindelijk is Falco een verschijningsvorm van Grote Geest. Wanneer ik voelde dat het me in een bepaalde situatie aan zielenkracht of vertrouwen ontbrak, richtte ik me tot hem als tot een schutsengel.Hulp is altijd beschikbaar.Enige vereiste is aandacht schenken. Wat je geen aandacht geeft verkommert zienderogen. Uiteraard waren er periodes waarin ik Falco verwaarloosde.  Dat vertaalde zich meteen in het feit dat hij zich op mijn fietstochtjes door Falconia nog zelden toonde. Wanneer hij, zoals nu, niet meer in het brandpunt van mijn leven staat, geef ik hem toch minimale aandacht, o.m. door middel van een wekelijks ritueel. Op mijn werkkamer staat een opgezette valk; ze stierf een natuurlijke dood en ik kreeg ‘m ooit cadeau. Voor hem doe ik een kort zondagochtendritueel waarbij ik, met de kalebasratel in de hand, mijn/zijn krachtlied zing. “Falcon Falcon, fly with me, through my nights and through my days; Falcon Falcon fly with me, guide me on your falcon ways”. En die wegen zijn, net als die van God, ondoorgrondelijk. Vogels volgen immers geen uitgestippelde vliegroutes, laten in hun vlucht geen te volgen condensatiespoor achter. Zenmeester Dogen (Japan, 13de eeuw) schreef dit gedicht : De migrerende vogel, laat geen spoor achter, en heeft geen gids nodig”. Zenleraars nodigen ons uit om te “leven zonder sporen na te laten”. Afgezien van de diepere spirituele betekenis van deze uitspraak, probeer ik alvast om ook op ecologisch vlak zo spoor-loos mogelijk door het leven te vliegen.  (wordt vervolgd) 

DE GROTE GOLF, DE RABBI EN DE FUJI-BOEDDHA

Tweeënzeventig ben ik nu en ik koester dezelfde hoop als de Japanse kunstenaar Katsushika Hokusai, die ik citeer: “Niets van wat ik vóór mijn zeventigste heb gemaakt, is de moeite waard.  Pas toen ik drieënzeventig was, begon ik iets te ontwaren van het wezen van dieren en grassen, bomen en vogels, vissen en insecten. Vandaar dat ik op mijn tachtigste meer vooruitgang zal geboekt hebben. Als ik negentig ben, hoop ik te zijn doorgedrongen in het mysterie der dingen. Op mijn honderdste zou ik echt groots moeten zijn. En wanneer ik honderdtien ben zal alles wat ik maak, uit elk punt en elke lijn, de levensadem spreken.” 

Toen het zen-boeddhisme me eind jaren 1980 overrompelde, vertaalde de grote innerlijke ommekeer in mijn leven zich ook in de radicale herinrichting van mijn werkkamer. Alle oude spullen eruit. Ik gaf het interieur de kleuren van de Japanse vlag: muren, wandkasten en plafond witgeverfd en een knalrood vast tapijt. De nieuwe decoratie moest ‘zen’ én Japans zijn, want daar kwam zen vandaan. Aan de muur hing ik twee prenten van de berg Fuji en onder het glazen blad van mijn werktafel legde ik de “Grote Golf”. Drie kunstwerken van Hokusai (1760-1849), de Japanse prentkunstenaar, schilder en tekenaar die vooral houtsnedeprenten maakte. En zeer productief was : hij maakte 30.000 tekeningen. Zijn moto : Het gaat niet om schoonheid, maar om harmonie. Van Gogh en Degas ondergingen onmiskenbaar zijn invloed. In zijn jonge jaren was Hokusai ontevreden over zijn kunst; hij wou meer diepgang. Daarom ging hij 29 dagen mediteren in een tempel toegewijd aan Fukurokuju, de god van de Poolster. Op de terugweg naar huis werd hij – letterlijk – door de bliksem getroffen. Een wel erg drastische flits van inspiratie. Vanaf dat ogenblik veranderde zijn werk. Het beroemdst werd hij door zijn landschappen. Tot zijn bekendste werken behoren “De Grote Golf voor de kust van Kanagawa” en de “Zesendertig gezichten op de Fujiyama”.  

Hokusai maakte op zijn zestigste een reeks prenten over de Fujiyama (yama = berg), gelegen op het eiland Honshu. Het is één van de drie heilige bergen van Japan én de hoogste van het land. Een nationaal symbool en bedevaartsoord. Fuji betekent : rijkdom of overvloed. Hij hoort thuis in de lange rij van mythische bergen, zoals de Kilimanjaro in Tanzania, de Uluru of Ayres Rock in Australië, de Mount Everest in de Himalaya, de Olympos waar de Griekse goden hun datsja hadden, de berg Sinaï waar Jahweh Mozes met twee Stenen Tafelen en Tien Geboden opzadelde, de berg Thabor waar Jezus’ transfiguratie plaatsvond, Golgotha waar Hij gekruisigd werd. Om nog maar te zwijgen van de Koppenberg en de Mont Ventoux waar de wielergoden thuis zijn. Bergen ontlenen hun mythische status aan het gegeven dat ze een stuk dichter bij de hemel en bij God zijn dan wij, platvloerse bewoners van het gelijkvloers. Geef toe, als je de aardlingen vandaag de dag bezig ziet zou je haast geloven dat de aarde plat is.

De “Grote Golf van Kanagawa” spreekt me bijzonder aan. Wat zie ik? Een reusachtige schuimbekkende golf die als een zeemonster met klauwen drie nietige vissersbootjes met nog weerlozer vissers aan boord die slechts witte stipjes zijn, bespringt. De klauwen van de golven doen me denken aan die enge scene uit de tekenfilm “Sneeuwwitje” waarin ze bij nacht en ontij door het griezelbos rent terwijl takken naar haar grauwen en grijpen.  Een scene die me als kleuter doodsbang maakte. (Haalde Disney bij Hokusai de mosterd vandaan?) Ik zie drie bootjes met mensjes als speelballetjes van de tsunami. We herkennen onszelf, wij loze vissertjes die ons bootje door de stormen van het leven proberen te loodsen naar een veilige, misschien heilige haven. Onze korte of lange levensomvaart kent onvermijdelijk periodes van zwaar weer, van pompen of verzuipen. Radbraakt de maalstroom ons tot wrakhout of slagen we erin de golven te berijden tot we stranden op het strand? Want controle over de storm zelf hebben we niet.

Die had Jezus wél. Herinner je deze passage uit de evangelies. Jezus voer met zijn leerlingen, waarvan enkelen ervaren vissers waren, het meer van Galilea over toen een storm opstak, wat daar wel vaker gebeurde vanwege plotse hevige ruk- en valwinden. De golven sloegen over de boot, die water maakte en dreigde te zinken. In  paniek wekten de apostelen Jezus die onverstoorbaar lag te slapen. Ze wezen Hem op de kritieke situatie. Waarop de rabbi hen vroeg waarom ze zo bang waren? Dan beval Jezus wind en water: “Zwijg en wees stil”. Daarmee bracht hij niet alleen de elementen tot rust, maar ook zijn angstige kleingelovige leerlingen. Als kind was dit één van Jezus’ wonderen waarvan ik het meest onder de indruk was. Uit jeugdboeken en stripverhalen wist ik dat indiaanse medicijnmannen en sjamanen regen konden maken, maar dit vond ik ook een heel straffe toer. Ik begreep de angst van zijn apostelen helemaal. En hoe kon Jezus in deze omstandigheden rustig blijven doorslapen? Het was duidelijk dat ook ik een kleingelovige was. Pas dertig jaar later ontdekte ik de kracht van meditatie die ook stormen kan stillen, mentale stormen in mijn hoofd – breinstormen – en emotionele stormen in mijn hart – hartstochten. Met de mantra die gebruikelijk is bij de Wereldbeweging voor Christelijke Meditatie – “ma-ra-na-tha” d.w.z. “Kom heer Jezus”- wekken we Hem opdat hij met Zijn bezwerend bevel “Zwijg en wees stil” ons innerlijk meditateren zou bedaren.

Bij het bekijken van de Grote Golf wordt onze blik initieel getrokken naar het dramatisch tafereel op de voorgrond.  Pas in tweede instantie zien we, centraal in de achtergrond, de besneeuwde piek van de Fujiyama, die als een piramide op de horizonlijn staat. Deze berg, die in Japan als een godheid wordt vereerd, ziet er met zijn kegelvorm uit als een boeddha in meditatiehouding, onberoerd door de tempeestende zee. Hij aanschouwt het dramatisch tafereel op de voorgrond.  Is de Fuji alleen maar de observerende buitenstaander? Neen. Net zoals de golven en de vissers in hun bootjes maakt hij deel uit van het geheel. Alleen, hij blijft overeind middenin de storm, onaangedaan.  ‘Onaangedaan’ is niet het juiste woord; beter is ‘stabiel’, niet uit zijn evenwicht te brengen door de grijpgrage Grote Golf. Soms, in turbulente tijden, visualiseer ik deze prent en focus me op deze onverstoorbare Fuji-Boeddha. Dit is wat meditatie ons leert : overeind blijven, ook als stormen van echte of ingebeelde rampspoed ons dreigen te overweldigen. Golven van vreugde, van blijdschap, van enthousiasme, maar ook golven van verdriet, van woede, van geweld. Coronagolven. We kennen ze allemaal. Soms slagen we erin om met een zekere gratie als “would beach boys” op die golven te surfen zonder ons evenwicht te verliezen en kopje onder te gaan. Vaak ook niet.

Evenmin uit hun evenwicht te brengen zijn ook de traditionele Japanse Daruma popjes. Daruma is de Japanse naam voor Bodhidharma, de legendarische excentrieke Indiase monnik die in de 5de/6de eeuw nChr de Boeddha-dharma naar China bracht en zo de grondlegger werd van de zen-variant van het boeddhisme. Die popjes hebben armen noch benen en bestaan alleen uit hoofd en romp. Dit verwijst naar Bodhidharma die gedurende 9 jaar ononderbroken met zijn gezicht naar de wand van een grot in lotushouding mediteerde tot zijn ledematen atrofieerden en eraf vielen. (Dat waren nog eens tijden, nietwaar). De popjes heb een bolle basis waarin een gewicht zit, zodat ze niet kunnen omvallen. Als je er tegenaan duwt schommelen ze even, maar vinden snel weer hun evenwicht terug. De bijbehorende leuze luidt: “Zeven keer vallen en acht keer weer opstaan”.

Ik eindig zoals ik begon : met de inmiddels bejaarde Hokusai. In zijn ouwe dag bleef hij niet van tegenspoed gespaard. Toen hij 79 jaar was brandde zijn huis af waarbij al zijn notities en schetsen in vlammen opgingen. Bovenstaand zelfportret als 83-jarige toont hoe de tsunami van vuur hem niet finaal naar de haaienkelder joeg, wel integendeel ! Zie hem hier met gekruiste benen zitten, als een ontwapende samoerai, luid lachend. Misschien wijst hij met zijn rechter wijsvinger naar de Fuji-Boeddha in de verte? Hij lijkt wel bevrijd. En klaar om de ultieme tekening te maken.

Herman Meirhaeghe











DROOMVANGER

‘When we all fall asleep, where do we go?’

Billie Eilish

William Shakespeare – Bill voor de vrienden – legt Prospero in The Tempest deze woorden in de mond: “We are such stuff as dreams are made on, and our life is rounded with a sleep”. Als was hij een boeddhist pur sang verwijst hij hiermee naar de vergankelijkheid van de illusoire werkelijkheid, onze onwetendheid en onze onbewustheid.  Zijn collega-bard Marco Borsato – #Borsie voor de vriendinnen – wist het ook al : “De meeste dromen zijn bedrog, maar als ik wakker word naast jou dan droom ik nog”. Dus : wéten dat we dromen en tóch nog verder dromen, dat zijn wij, humanoïden, ten voeten uit, toch? Biologen denken dat trekvogels slapen en dromen tijdens het vliegen en dat dolfijnen dit doen terwijl ze zwemmen. Wonderlijk, zeg je ?  En wat dan te zeggen van de homo sapiens die zijn leven bijna integraal verslaapt en verdroomt, bij dag ende nacht? Spreken we niet beter van “homo slapiens”? Een typisch droomfenomeen is dat van het zogenaamde “vals ontwaken”. Wellicht hebben we dit allemaal wel eens meegemaakt. Je denkt dat je wakker wordt en wakker bént, en je doet wat je gewoonlijk doet bij het opstaan, maar… je blijkt nog te slapen en te dromen ! Wat een erg vervreemdend effect veroorzaakt.  Is dit niet een treffende metafoor voor hoe we meestal door het leven gaan? Dénken dat we wakker zijn, terwijl we de meeste tijd semi-bewust slaapwandelen. Ik hoop in elk geval dat jullie wakker blijven voor de duur van dit artikel over hoe ik, o.m. door middel van mijn dromen, probeer te ontwaken uit de dagdroom van het leven.  

Toen ik ruim dertig jaar geleden het zen-boeddhisme ontdekte, bewandelde ik reeds vijftien jaar het pad van dromen. Boeddhistische lectuur leerde me al snel dat droomwerk en zenmeditatie niet echt matchen. Ook mijn zenleraars reageerden terughoudend  toen ik hen over mijn dagelijks droomwerk vertelde.  Laat me zeggen dat ze het niet aanmoedigden. Nochtans begon het boeddhisme ooit met de droom van Maya, de moeder van de Boeddha. Zij droomde dat een witte olifant via haar rechterzijde haar baarmoeder binnendrong. De brahmaanse droomduider wees haar erop dat ze zwanger zou worden van een zoon die een groot spiritueel meester zou zijn. En zo geschiedde. Mijn zenleraars wezen me op de fundamenteel verschillende uitgangspunten van beide disciplines. Om het heel kort samen te vatten : zenmeditatie is geen psychotherapie en droomwerk is dat in een bepaalde mate  wel. Zen is een transpersoonlijk spiritueel pad en droomwerk is dat niet. Zenmeditatie is immers geen methode voor persoonlijke groei, maar het realiseren van de aard van de werkelijkheid. Ze raadden me dan ook meer dan eens aan om met mijn droomwerk te stoppen en me volledig te focussen op het pad van meditatie. 

Ik begreep volkomen waar de, al dan niet vermeende, onverenigbaarheden tussen zen en droomwerk zich situeren, maar ik constateerde ook dat mijn leraars heel weinig over de droommaterie afwisten en al zeker geen jarenlange ervaring hadden met droomwerk. Hierbij gaat het immers niet noodzakelijk om het cureren van het ego;  transpersoonlijke elementen, die het beperkte ik ver te boven gaan, komen evenzeer in dromen aan bod, zoals verder zal blijken. Daarom heb ik hun goede raad nooit opgevolgd en ben ik mijn droompad blijven gaan. Eigenwijs jongetje? Beetje wel, maar dan vooral in de betekenis van “op mijn eigen wijze”. Was dat goed? Was dat fout? Quid sas. Ik vind dat het al bij al nog redelijk goed is gekomen met mij. En ik reken op een volgend leven om die verlichtings-klus voor eens en voor altijd te klaren, dan zijn we daar al vanaf. De beeldenweelde in dromen staat inderdaad in scherp contrast met de beeldloze armoede van geest tijdens de zenmeditatie. Ik laat beide disciplines naast elkaar bestaan, zoals een barokke kathedraal een sober Romaans kerkje niet in de weg hoeft te staan. Mijn meditatietijd reserveer ik voor beeldloos vertoeven in Zijn maar ik geef de droominstantie in mij freedom of speech. Net de zenmeditatie leerde me om me niet in droomanalyse te verliezen. Ik weet immers hoe verstrikt je kan raken in het kluwen van je persoonlijke zielenroerselen en hersenspinsels.  

Toch is er ook kruisbestuiving tussen droomwerkers en zenmeesters. Zo is er Marc Bregman, de grondlegger van Archetypal Dreamwork, die samenwerkt met zenleraar Henry Chukman. Van hen is een podcast te beluisteren onder de titel “Zen and Achetypal Dreamwork”waarin ze in dialoog gaan. Een citaat : “Droomwerk brengt onze weerstanden aan het licht; in zen worden die duidelijk via zazen (zitmeditatie). Beide praktijken beogen het loslaten van wat het kleine ik wil, om wat aanwezig is onder ogen te zien”. Zen en een bepaald soort droomwerk sluiten elkaar dus niet per definitie uit.  Zen-boeddhisten mediteren zich de pleuris om van dat ego af te geraken. Realiseren ze zich dan niet dat dit ego elke nacht, spontaan spoorloos verdwijnt wanneer ze in slaap vallen? Waar is het naartoe?  Wie ben ik – of beter wie is ik – tijdens de diepe slaap? Of ook nog : “Wie droomt mijn dromen?” of “Waar is de dromer gebleven wanneer ik wakker word?” Dit zouden even zovele zen-koans kunnen zijn – raadsels die je met je verstand niet kan oplossen. Vreemd dat zenleraars hier niet mee aan de slag gaan. Er bestaan echter andere boeddhistische tradities, zoals de Tibetaanse, die specifiek met, of beter, in dromen en in de slaap oefenen om tot Inzicht of Ontwaken te komen. Dat doen ze door middel van lucide dromen en wat “slaap- en droomyoga” genoemd wordt, een discipline die ik ook periodisch beoefende, maar waar ik in dit kort bestek niet dieper kan op ingaan. Hierna heb ik het over de vertrouwde ‘westerse’ benadering. Laat me twee dromen met jullie delen met een voor iedereen herkenbare boodschap. Twee dromen waarin uitgerekend twee zenleraars de hoofdrol vertolken. Overigens viel het niet mee om uit mijn grote droomverzameling een selectie te maken voor deze en volgende bijdragen. Ik beperk me tot enkele archetypische dromen waarin mijn persoonlijke biografie niet doorslaggevend is en die dus vanwege de universaliteit van de thema’s en de symboliek voor iedereen begrijpelijk zijn. Deze voorbeelden tonen aan dat dromen veel meer zijn dan simpele verwerking van dagresten en frustraties. Dat ze méér zijn dan een willekeurige, betekenisloze ontlading van onze hersenneuronen zoals sommige neuro-wetenschappers stellen. Bij zoveel onwetendheid vraagt een mens zich af of er soms iets mankeert aan de hersencellen van die hardcore wij-zijn-ons-breiners. Hersencellulitis misschien? 

In de zomer van 1998, net na een zenretraite in de abdij van Drongen, had ik een droom waarin mijn toenmalige zenleraar Ton Lathouwers van de Maha Karuna-zenschool figureert. De droom is opgebouwd uit drie taferelen. In de eerste scene – bioscoop – wordt het thema van de droom geschetst. In het tweede en derde luik – tentoonstelling met spiegel en Ton met vlinderpop –  volgt de concrete uitbeelding ervan en wordt de droomboodschap gepresenteerd. De droom gaat als volgt: “Ik bevind me in de bioscoop, waar een natuurdocumentaire wordt geprojecteerd over het metamorfoseproces van een vlinder : eitje, rups, pop, vlinder.  Het slotbeeld van de film: een schermvullende vlinder met vleugels van kantwerk die net de cocon verlaten heeft. Dan bevind ik me op een soortement openluchttentoonstelling. Ik sta voor een kunstinstallatie : een grote ronde spiegel die op de donkere aarde ligt en die de waterspiegel van een vijver moet voorstellen. De toeschouwers mogen op of dwars doorheen de water-spiegel springen.  Ik doe dat dan ook: één sprong, met beide voeten samen, op de spiegel, waardoor een grillig patroon van barsten ontstaat. Wat verderop zie ik mijn zenleraar Ton Lathouwers.  Ik stap naar hem toe om beter te zien wat hij aan het doen is.  Ton zit op de knieën, de armen voor zich uitgestrekt, de beide handen gevouwen tot een beschuttend kommetje waarin een erg grote goudbruine vlinderpop ligt.  “Een chrysalide”, denk ik in mijn droom (zie illustratie).  Op die wijze verwarmt Ton de cocon die reeds grotendeels de vorm heeft aangenomen van de vlinder die er straks uit tevoorschijn zal komen.  Ik buig me voorover om Ton te helpen bij de opwarming, door de chrysalide te beademen.  Op die manier wil ik haar extra warmte geven om het geboorteproces te versnellen.  Ton belet me dit te doen. Hij zegt dat het transformatieproces niet geforceerd mag worden.  Het moet zijn natuurlijke gang gaan.”  

Je hebt geen droomwoordenboek nodig om deze droom te begrijpen. ‘Chrys(alide)’ betekent ‘goudkleurig’ in ’t Oudgrieks; vlinder – ‘psyche’ in het Oudgrieks – staat symbool voor transformatie; de ‘ronde spiegel’ als mandala en symbool van het Zelf of ook nog van toegang tot andere spirituele werelden; ‘donkere aarde’ wat de letterlijke vertaling is van het woord ‘al-chemie’; de gedaanteverwisseling; ‘springen in de vijver’ verwijzend naar de bekende zen-metafoor : ‘de grote sprong wagen’; ‘doorheen de spiegel springen’ zoals Alice die “Trough the looking-glass” in Wonderland terechtkomt, enz.  Deze droom schetste een beeld van hoe het in die periode stond met mijn zenbeoefening. De droomboodschap – spirituele groei kan niet kunstmatig versneld worden – werd een paar dagen later bevestigd door een treffende synchroniciteit. Lezend in het prachtige boek van  theravada- en vipassanaleraar Jack Kornfield, “Een licht voor jezelf”, botste ik op een identieke scene : het met de handen en de adem opwarmen van een cocon, waarna uit het geforceerde broedproces een misvormde vlinder geboren wordt… 

In de lente van 2018 ontving ik een droom die opvallende gelijkenissen vertoont met die van twintig jaar eerder. Hij snijdt hetzelfde thema aan van een geforceerd transformatieproces, er is opnieuw een kunstinstallatie aanwezig en weer speelt een zenleraar de hoofdrol: Frank De Waele, van de Zen Sangha Gent.  Een paar dagen eerder was Frank bij me thuis op bezoek geweest en ik had hem mijn omvangrijke zen- en dharma-bibliotheek getoond die ik aan zijn centrum wou schenken. Droom: “Ik ben met Frank in mijn meditatiekamer twee hoog en sta voor mijn bibliotheek.  Uit de rij haal ik een boek over zen-koans en reik het hem aan. Ik waarschuw hem: “Mispak je niet, laat het niet vallen, want het weegt zwaar !” Hoewel het een paperback in pocketformaat is, weegt het boekje opmerkelijk zwaar. Ook Frank haalt een boek uit mijn zen-bibliotheek, eentje met zen-tekeningen, bladert erin en wijst me op een notitie in potlood die ik er ooit in maakte. Wat ik schreef is moeilijk leesbaar omdat het niet klaar genoeg is in de kamer… Ik wil de felle halogeenlamp aansteken, maar vind de draaiknop niet meteen. Na verschillende pogingen ‘op de tast’, neemt Frank mijn hand vast en leidt die naar de knop.  Ik draai de knop om en meteen baadt de kamer in een haast bovennatuurlijk licht ! Op het zwartgelakte kastje, naast de staande lamp, staat een soort “spirituele kunstinstallatie” – die daar ook in realiteit staat –  die het Ontwaken of de Verlichting moet voorstellen.  Die installatie ziet er als volgt uit. Een goudgekleurde  kaarsenhouder, waarin  een goudgeverfde gloeilamp staat i.p.v. een kaars. Bovenop die lamp zit een gouden Boeddha.  Aan de basis, rondom de voet van de kandelaar gedraaid, ligt een stoffen hagedis, paars met gouden spikkels. De installatie staat, zoals een heiligenbeeld, onder een glazen stolp. Frank en ikzelf zien hoe die installatie plots vanzelf tot leven komt en als een soort stoommachine in werking treedt ! Ook de hagedis wordt levend en slingert zich spiraalsgewijs rond de kandelaar naar boven. In de stolp ontstaat een werveling van grijszwarte, kolkende rook die bijna vloeibaar is. Ik zeg opgewonden tegen Frank : “Kijk ! Dat is de kundalini-energie die zich ontrolt !!” “Inderdaad!”, zegt Frank. Plots schieten de vier poten van de hagedis van onder de stolp vandaan. “Opgepast !”, zegt Frank, “de hagedis is oververhit en vat vuur; het is veel te heet onder de stolp !” En inderdaad, ik zie hoe één poot van de hagedis reeds verkoold en verminkt is.  Ik moet snel ingrijpen !  Ik hef de stolp op en haal de hagedis eronder vandaan.  “Verbrand je vingers niet !”, zegt Frank. De hagedis is inderdaad heel heet, mijn vingers verschroeien haast. Ik zoek snel een plekje om haar op de grond neer te zetten.  Meteen verandert ze in een lichtblauwe poes die op typische wijze begint te krabben om een plasje of een poepje te doen.  Niet op mijn Japans-rode zen-tapijt !  Ik pak snel de poes op, ren met Frank de trappen af en zet poes in de tuin waar ze naar behoren haar gevoeg kan doen.”  

Zonder in details te treden, enige duiding. De droom speelt zich af in een spirituele setting: op mijn meditatiekamer tussen de boeddhistische boeken. Het zen-boek weegt zwaar en mijn notitie is  onleesbaar wegens niet klaar genoeg op/in mijn ‘boven-kamer’. Met de hulp van de zenleraar, wordt de knop omgedraaid en is er plots ‘Verlichting’ ! Kundalini – de scheppende energie van het universum  – die als een opgerolde slang aan de basis van de ruggengraat ligt en die op haar weg naar boven de psychische centra (chakra’s) opent en activeert – is hier een hagedis die zich rond de voet van de kandelaar heeft gedraaid. De vuur- of slangenkracht ontwaakt en slingert zich opwaarts, niet op correct getemperde wijze evenwel, want de installatie raakt oververhit. Ik verbrand er letterlijk mijn vingers aan. Afkoeling door aarding is de oplossing. Daarom verandert het reptiel – dat de instinctieve oerkracht en basisinstincten voorstelt maar ook de kleuren van transformatie draagt (paars en goud) – in een poes, dit grotendeels gedomesticeerd aaibaar huisdier dat dus wél beter hanteerbaar is. De poes verenigt in zich het spirituele – haar hemelsblauwe pels –  en het basale aardse : zich ontlasten, in de tuinaarde. Ook Frank en ik dalen af van mijn meditatiekamer op de tweede verdieping naar het aardse par-terre van de tuin. De droom maakt duidelijk dat er nog een weg is te gaan op het pad van Ontwaken en dat de kunst van het omgaan met de spirituele energie nog niet volledig beheerst wordt. Immers, wanneer de alchemist het vuur in zijn athanor-oven (zie illustratie) niet op de juiste wijze tempert, mislukt de transmutatie van lood in goud en ontploft zijn laboratorium. Er moet een beter evenwicht gevonden worden tussen het spirituele en het aardse, tussen verlichting en ontlasting.   

Mijn vroegste droomherinneringen reiken terug tot in mijn kleutertijd (een andere keer meer hierover). Tijdens mijn adolescentie bleef de aandacht voor mijn droomleven aanhouden en noteerde ik ze sporadisch. ‘Dromen’ (en interesse in parapsychologie) waren de reden waarom ik in 1968 psychologie ging studeren en niet taal of archeologie die ook op mijn verlanglijstje stonden. Fout geïnformeerd en foute keuze, bleek al snel omdat droom- en psychoanalyse er nauwelijks aan bod kwamen en parapsychologie al helemaal niet. Naderhand verdiepte ik me via zelfstudie vele jaren in het oeuvre van Freud en zijn leerlingen, o.a. Alfred Adler, Otto Rank, Wilhelm Reich en vooral van C.G. Jung, die mijn eerste echte spirituele leraar werd en tot op vandaag één van de grote inspiratoren van mijn leven is. Voor mijn droomwerk koos ik dan ook grotendeels voor de Jungiaanse aanpak die me het beste ligt, waarmee ik het meest resonantie voel. Bij Adler – de man van het minder- en meerderwaardigheidscomplex – las ik een beslissende passage waarin hij het wetenschappelijk belang onderstreept mocht een persoon gedurende heel zijn leven zijn dromen noteren. Toen ik dat gelezen had ging ik meteen tot de actie over en begon op 13 april 1973 met het bijhouden van een droomlogboek waarin ik dagelijks mijn dromen noteer. Vijftig jaar later doe ik dat nog steeds. Hier startte het eerste spirituele pad dat ik bewust ging: het pad van droomwerk. Ik noem een spiritueel pad elke discipline die je elke dag weer beoefent, met grote overgave en met zuivere intenties. Een pad dat diepe zelfkennis oplevert en meehelpt aan de deconstructie van neurotische ego en al zijn “ismen”. Wanneer via onze dromen het Onbewuste in beeld komt en in actie treedt, worden we geconfronteerd met het onverwachte, het Onbekende. Door deze shift naar het gebied van het symbolische en de verbeelding, bewegen we ons voorbij ons kleine ik en raken we de spirituele mysterieuze dimensie van de psyche. In oude tijden zei men dat dromen van God kwamen, nu spreken we van het Onbewuste of het Zelf, alsof we daarmee iets anders of wezenlijkers zeggen. Zijn dat geen synoniemen voor het mysterie dat we nooit ten volle kunnen begrijpen?

Inmiddels ving ik om en bij de 25.000 dromen waarvan ik verslag deed. Dat lijkt veel, maar het is slechts 20 % van wat we in een mensenleven dromen. Elke nacht maakt ons brein immers vijf REM- of droomperiodes door, maar ook in de diepe slaap wordt gedroomd. Dat maakt zo’n 1825 dromen per jaar of om en bij de 128.000 dromen in een mensenleven van 70 jaar ! Nooit kon ik me neerleggen bij het feit dat we één derde van ons leven verslapen, bewusteloos, in een toestand van totale black out. Ik wilde weten wat er in die wonderlijke nachtelijke wereld gebeurt. Het onbewuste herbergt immers een enorme massa informatie waar we overdag maar zeer beperkt toegang toe hebben en opent perspectieven op transpersoonlijke dimensies. Nog elke ochtend ben ik verbaasd over de ongebreidelde verbeeldingskracht van de droominstantie.  Wegens hun tijdloosheid zijn dromen vaak prospectief, voorspellend zelfs.  Ze leren me dat ruimte en tijd mentale constructies zijn; in elke droom worden die dimensies immers door ons, of beter, in ons geschapen en als echt ervaren. Dromen maken ook duidelijk dat we maar een fractie van onze creatieve mogelijkheden gebruiken. Elke gemiste of vergeten droom zie ik als een ongeopende brief van die intieme inboorling die me zoveel te vertellen heeft. Nooit ga ik met tegenzin slapen. Elke avond verlang ik echt om naar bed te gaan, en heus niet alleen om daar een aangenaam gezelschapsspel te spelen met de geliefde, maar omdat ik verwachtingsvol uitkijk naar de dromen die me genereus geschonken zullen worden. Toen we indertijd samen met de kinderen aan de ontbijttafel zaten was de eerste vraag van de dag: “Wat heb je vannacht gedroomd?”  En dan vertelden ze hun dromen, waarvan ik de meest beklijvende noteerde.  Ook mijn vrouw hield een tijdlang een droomdagboek bij. Een gedroomd gezinnetje dus… 

Ik stel me de innerlijke droominstantie voor als een Wijze Vrouw. Ik personaliseerde de droomweefster om er beter mee te kunnen converseren, om er een intieme relatie mee aan te gaan. Ik noem haar “Oniria, Koningin van Onderland” (“oneiros”, droom in het Grieks). Ik visualiseer haar in een klaprozenrood kleed met zwarte cape daar overheen. Als koningin regeert ze soeverein.  Haar dwingen  of bevelen kan ik niet niet.  Her servant am I. Hoogstens kan ik haar nederig een vraag stellen, suggesties doen.  Dat doe ik dan ook elke avond, net voor het inslapen, terwijl ik wegzak in het hypnagogische schemergebied tussen wakker zijn en slapen. Ik vraag dan dat zij me betekenisvolle dromen zou schenken die mijn leven kunnen inspireren of richting geven. Wanneer ik ’s nachts of ’s ochtends ontwaak, ben ik meteen nieuwsgierig naar de boodschappen in de fles die uit de nachtelijke diepzee in mijn bed aanspoelden. Die dromen memoriseer ik meteen door het droomverhaal een aantal keren op te roepen voor mijn geestesoog. Soms heb ik een droomloze nacht of herinner me enkele dagen geen dromen.  Dan ben ik ontgoocheld, beetje triest en verweesd. Met ouder worden gebeurt dit helaas meer en meer, vanwege een falend droomgeheugen. Ik dank Oniria ook op rituele wijze met kaarsjes en wierook terwijl ik een gebedje reciteer dat ik voor haar maakte.  Aan de ontbijttafel schrijf ik mijn dromen met een vulpen en paarse inkt  in mijn droomdagboek. In dit digitaal tijdperk is dit trouwens ongeveer het enige dat ik nog met de hand schrijf, wat ook meegenomen is. Zoals bij elke spirituele discipline moet je dagelijks tijd reserveren om ze te noteren, soms veel tijd wanneer het er drie, vier of meer zijn. Zo had ik er ooit acht in één nacht, mijn persoonlijk record. Van bij de start nam ik me voor om àlle dromen op te schrijven, zonder onderscheid. Niet alleen de speciale, maar ook de meest banale. Zo verlies ik me niet in hetongegrondeijle. Dat leverde een bonte waaier op van huis- tuin- en keukendromen die dagresten verwerken, wens- en compensatiedromen, erotische dromen, angstdromen en nachtmerries, Grote Dromen, archetypische dromen, visionaire dromen, lucide en helderziende dromen, uittredingsdromen, enz. 

Naderhand schrijf ik in mijn droomdagboek welke ideeën of emoties de droom in mij opriep. Bij de belangrijkste droomelementen pas ik “amplificatie” toe. Amplificatieis een gerichte Jungiaanse associatietechniek met als doel de symbolische betekenis en de archetypische oorsprong van de droombeelden te achterhalen. Daarbij worden parallellen genoteerd tussen de droomsymboliek en thema’s uit de mythologieën en sprookjes, de wereldreligies, de  literatuur, de kunst, etc. Droomwoordenboeken gebruik ik alleen in laatste instantie. Ik hoed me ervoor me te verliezen in oeverloze analyses, want uiteindelijk kan je alles met alles associëren. Ik wil het droomraadsel niet krampachtig kapot analyseren. Extreme analyse doodt, synthese schenkt leven. Dromen raadpleeg ik eveneens als orakels zoals tarot of I Tjing, als middel tot zelfkennis of als second opinion. Belangrijke dromen draag ik heel de dag – soms dagen – met me mee, als een baby in een draagzak. Ik laat de droom rustig op mij inwerken en roep hem af en toe weer voor de geest. Ik probeer te vertoeven in de sfeer van de droom en in te haken op de onderliggende energie. Op die manier laat ik de droom zichzelf verklaren, wat lang niet altijd lukt. Bijna altijd onttrekken elementen zich aan elke interpretatie en rest er iets onverklaarbaars. Dit is misschien wel de grootste boodschap : dat je uiteindelijk altijd bij het On(be)grijpbare Mysterie uitkomt. Ja, Billie, waar gaan we naartoe, wanneer we in slaap vallen? Goeie vraag. En, beste lezer, is dit geen geschikt spiritueel pad voor jou? Urenlang met je benen in een pijnlijke knoop te zitten is geen vereiste, integendeel, je hoeft er niet eens voor uit je bed te komen.

Herman Meirhaeghe

DE PELGRIM, DE DWAAS EN DE HUIZENAAR

mi corazon vagabundo

Zo’n twee jaar zal ik geweest zijn – ik ging nog niet naar de kleuterklas – toen ik voor het eerst de spreekwoordelijke wijde wereld introk, alleen. Moeder en grootmoeder vertelden vaak over dit voorval, omdat ze erg ongerust waren geweest. Een paar jaar eerder was mijn neefje, die drie huizen verder woonde, immers als kleuter verdronken in de aalput terwijl zijn vader beer voor de moestuin uitvoerde. Ik speelde buiten op het erf achter ons huis en was plotseling onvindbaar. Een zoektocht in de koterijen leverde niets op. Ze riepen mijn naam, geen antwoord. Tante M, moeders zuster die schuin over mijn ouderlijk huis woonde, poetste de vensters van de kamers op de eerste verdieping. In de verte zag ze een witte krullenbol boven het hoge gras uitsteken. Zou dat Hermanneke kunnen zijn, zo ver van huis? Voor alle zekerheid verwittigde ze moeder. Ja, dat moest ‘m zijn, want ze zochten ‘m overal ! Plots stonden drie zeer verontruste vrouwen bij me. Alleen de wereld in trekken mocht blijkbaar niet; je deed er de thuisblijvers verdriet mee. In de greppels langs de rand van korenakkers en weiden was ik afgedwaald richting spoorweg, een kleine kilometer verder. Ik herinner me nog de drukkende hitte, de zanderige aarde, het koren dat groter was dat ikzelf, de klaprozen, de blauwe korenbloemen, de zoemende insecten. Mijn doel : ik wou de denderende goederentrein met zijn lange witte rookpluim eens van dichtbij zien passeren. Die “marchandise” die elke dag kort voor de middag een paar luide stoomfluitsignalen liet horen toen ze de onbewaakte overweg kruiste. Een geluid dat bij mij als kind al heimweemoed opriep, een gevoel waar ik toen nog geen woord voor had. Was het verlangen naar avontuur achter verre horizonten? Of was het afscheidspijn? Op die beide sporen rijdt een trein door onze ziel. Tweeënzestig jaar later reden mijn vrouw en ik op een lenteochtend naar het ziekenhuis waar ze de diagnose kanker kreeg waaraan ze zes maanden later zou overlijden. Op de autoradio werd een hitje uit 1962 gespeeld: het melancholische “J’entends siffler le train” van de Franse zanger Richard Anthony. Een betekenisvol moment want dit was altijd ons ultieme afscheidschanson geweest. Toen we het in de auto hoorden, zeiden we niets, keken voor ons uit, maar wisten allebei dat er straks een fataal verdict zou vallen. “Que c’est loin où tu t’ en vas; auras-tu jamais le temps de revenir? Mais je sens que maintenant tout est fini; j’ entendrai siffler ce train toute ma vie…” 

Sinksenkermis in het dorp 1960. Ik ben tien jaar oud en mag 20 frank zakgeld opdoen. Vier stukken van 5 frank in mijn broekzakje. Met één ervan kocht ik een voorraad klappertjes voor mijn cowboypistool en een schep zuurtjes in pastelkleurig hostiebrood. Daarna stapte ik resoluut de krantenwinkel binnen. Ik telde de drie resterende geldstukken op de toonbank en vroeg naar het nieuwste album van mijn meest geliefde stripauteur, Marc Sleen : “De zoon van Nero”. Ik liet de kermis haar rondjes draaien en fietste snel naar huis om in de zetel naast de platte buiskachel het album te verslinden.  “Adhemar”, zo heette de geniale zoon van Nero. Niet Marc of Luc of Paul, zoals mijn klasgenootjes, maar Adhemar, naam die hij overigens zelf meteen koos. Een ouwelijke naam, vond ik, een uit de jaren 1800, uit de tijd van mijn grootvaders en grootooms. Net zoals ik, was Adhemar een enige zoon, maar een genie zoals hij was ik niet.  Van bij de geboorte was duidelijk dat Adhemar een geleerde professor zou worden, wat zeg ik, hij was het reeds! Zijn bovenmaats hoofd op zijn babylijfje alleen al wees erop dat hij een Breinstein was. Wanneer vader Nero zich over het wiegje buigt en zijn één dag oude baby toespreekt in het typische brabbeltaaltje – “a dada mijn klein boeleboeleke” – stijgt uit het wiegje dit praatballonnetje op : “Kom, doe niet zo kinderachtig, spreek beschaafd”. De boreling prefereert de pijp boven de fopspeen, bier boven moedermelk. Vier dagen oud en Adhemarke, die duidelijk een groeistoornis heeft – hij werd nooit groter dan een kleuter – trekt de wereld in. Hij wordt door Sleen afgebeeld als de typische zwerver of pelgrim : stok over de schouder met daaraan het doek geknoopt met zijn nooddruft. Madam Nero huilt dikke tranen. Vader Nero vraagt: “Waar is Adhemar?”  Ze snikt : “Weg ! Hij wou de wereld zien, zei hij”. “Hij heeft een paar boterhammen in een rode zakdoek met witte bollekens geknoopt en is op weg getogen”.  “Kom kom !  Hij is pas vier dagen oud !” En daar loopt Adhemar op zijn blote voetjes over de kasseien. De stok met de knapzak over zijn schouder.  Veiligheidsspeld in zijn luier.  Slabbetje om de nek. Aan een kleerkast van een vent vraagt hij : “De weg naar China meneer?”  “Zorg dat ge vlug aan moeders rokken hangt, mormel, of ik zet uw kop tussen twee oren”.  Adhemar laat de beteuterde kolos achter met een blauw oog.  Hij zucht tegen het rioolrooster: “Ik wist niet dat de wereld zo groot was! En ik ben nog maar twee straten ver !” Hij loopt Petoetje tegen het lijf. “Adhemarke ! Naar waar gaat ge?”  “Zeg maar Adhemar. Uw mond zal niet scheuren. Ik trek de wereld in maat. Zien wat er te zien is. Bombay, Sumatra, een stukske van Brazilië en Kaap de Goede Hoop”. 

De pelgrim neemt alleen het allernoodzakelijkste mee. Traveling light, lijkt de boodschap wil hij vooruit geraken. Is een slak zo traag omdat ze haar huis op de rug meedraagt? Gaat schildpad een slakkengangetje vanwege dat zware pantserschild waarin ze woont en dat ze overal met zich meesleept?  Jezus en Boeddha waren straatlopers van het soort dat huis, hebben en houden achterliet. De Boeddha liet vrouw en kind, zijn prinsenstatus, zijn luxueus leventje en zijn paleis achter. Jezus zei aan zijn leerlingen, die al hun gezin en hun job hadden verlaten  : “Neem niets mee voor onderweg. Geen stok, geen reistas, geen brood, geen geld en geen extra kleren, geen sandalen”. Gemakshalve lezen wij, honkvaste huisdieren, deze opdracht van Jezus in overdrachtelijke zin, maar Hij bedoelde het wel letterlijk. Beide wijze avatars kregen massa’s supportersachter zich aan die binnen de kortste keren van de eenvoudige Goede Boodschapeen loodzware filosofische of theologische rugzakfabriceerden en een megaconstructie bouwden waarin het moeilijk is zich nog echt thuis te voelen.   Ook Sint-Franciscus leefde een tijdlang als vagabundus. Als een vagebond, van het Latijn “vagari” of rondzwerven, iemand die geen vaste woonplaats heeft. Een ander soort zwervers waren de vaganten, die van de ene universiteit naar de andere, van het ene dorp naar het andere trokken en in hun liederen maatschappijkritiek leverden en liefde, wijn en spel bezongen.  Hoe dan ook, om op weg te gaan, moet je twee dingen doen: je huis – je gewoonten, je verleden, je zekerheden – achterlaten, en met je zware harnas ook je onkwetsbaarheid afleggen. 

De pelgrim met staf en knapzak duikt ook op in een ander beroemd beeldverhaal :  “De Tien Plaatjes van de Ossenhoeder” (zie illustratie). De tien van tekst voorziene tekeningen stellen de tien stadia van het spirituele pad van Ontwaken voor. Ze werden in de 12de eeuw door een Chinese zen-boeddhistische meester ontworpen en worden vooral in het Japanse zen-boeddhisme gebruikt. De onrustige menselijke geest – onze monkey mind – is als een aap die van tak naar tak door de jungle van ons bewustzijn springt en constant verleid wordt om ergens anders te zijn dan nu en hier. Die ongedurige geest wordt ook gezien als een moeilijk te temmen tijger, een wild paard of, in dit geval, een os.  De reeks van tien afbeeldingen wijst de weg vanaf het moment waarop we ons bewust worden dat er zoiets als een dieper of hoger inzicht bestaat, tot aan de toepassing van dit inzicht in het dagelijks leven. Dat parcours van tien etappes of stadia verloopt als volgt : 1. het zoeken van de os; 2. het ontdekken van zijn pootafdukken; 3. het zien van de os; 4. het vangen van de os;  5. het temmen van de os; 6. de rit naar huis op de rug van de os; 7. het vergeten van de os; 8. de os en de mens zijn allebei vergeten; 9. de terugkeer naar de oorsprong; 10. onderweg naar de marktplaats van het dadelijks leven. De tekst bij het tiende en laatste plaatje met de goedlachse, rondbuikige zwerver luidt als volgt :  “Blootvoets en mijn borst ontbloot begeef ik mij onder de mensen in de wereld.  Mijn kleren zijn gescheurd en zitten onder het stof en ik ben altijd gelukkig. Ik wend geen toverkunst aan om mijn leven te rekken. Nu komen voor mijn ogen de dode bomen tot leven”. De zwerver staat hier dus niet aan het begin van zijn weg, maar helemaal aan het einde, dat een nieuw begin inhoudt. Als een nieuwe, ontwaakte Mens van de Weg trekt hij de wereld in. Altijd onderweg naar hier en nu, als een soort mobiel surplacen.

Nog zo’n zwerver met stok en knapzak is de Dwaas of de Zot uit het Rider-Waite tarot kaartspel. Hij is wel een stuk beweeglijker dan zijn halfbroertje, “The Fool on the Hill”, die The Beatles  bezongen op hun “Magical Mystery Tour”: “Day after day, alone on a hill, the man with the foolish grin is keeping perfectly still, but nobody wants to know him, they can see that he’s just a fool, and he never gives an answer, but the fool on the hill, sees the sun going down, and the eyes in his head, see the world spinning ‘round; well on the way, head in a cloud, the man of a thousand voices, talking perfectly loud, but nobody ever hears him, or the sound he appears to make”. Ook de Tarot-Dwaas lijkt onderweg op een Magical Mystery Tour. Hij is de wijze die door de verdwaasde wereld als een dwaas wordt gezien. De Zot is niet de losgeslagen gek, maar de reine dwaas, zoals Parsifal, altijd onderweg, op queeste naar de Heilige Graal. In 1973 maakte ik kennis met het tarot-orakel via mijn ‘esoterische’ vriend Marc S. Toen hij de 22 kaarten van de Grote Arcana op de tafel uitspreidde, was ik meteen onder de indruk van die met symboliek beladen voorstellingen die archetypen of archetypische situaties uitbeelden. Mijn Latijn was nog paraat genoeg om te weten dat arcanum “geheim” betekent en dat ademen de kaarten ook uit.  Wat betekenden ze in godsnaam? Elke kaart van de Grote Arcana heeft een naam en een nummer van 0 tot 21 en toont één of meerdere menselijke figuren, omgeven door symbolen uit de astrologie en/of de Hermetische kabbala. De Dwaas draagt het cijfer “nul” en kan zowel aan het begin of aan het einde van de serie geplaatst worden. Hij is dus overal en nergens thuis; het begin en einde van alles. Vandaag de dag plaatst men de Dwaas meestal aan het begin van de reeks. Vroeger was dit de laatste kaart van de Grote Arcana en ik denk dat dit, naar analogie met het laatste Ossenhoedersplaatje, de juiste plaats is. 

Het duurde tot 1988 tot ik zelf een tarotspel bezat. Ik kreeg het cadeau van collega en vriend René L., met  wie ik mijn passie voor de kosmische Fantasy & Horror-auteur H.P. Lovecraft deelde. Nooit begrepen waarom hij me dat zomaar gaf, er was immers geen speciale gelegenheid of aanleiding daartoe. Vanaf dat moment begon ik er af en toe mee te werken. Dit orakelspel leek me veel beter te liggen dan de I Tjing, het Chinese orakel. Ik raadpleeg de kaarten enkel wanneer ik écht belangrijke beslissingen moet nemen of bij speciale gebeurtenissen, nooit bij wijze van tijdverdrijf of om futiele of banale redenen. Dan vraag ik niet zozeer een concreet antwoord op mijn vragen, als wel een second opinion. “Wat denk jij hierover? Wat betekent dit voor jou? Hoe zou ik dat kunnen aanpakken?”. Heel soms leg ik de kaarten op vraag van vrienden of familieleden, op voorwaarde dat het om een ernstige kwestie gaat. Je kan een wijze niet lastig vallen met trivia. Ook bij de jaarovergang raadpleeg ik de tarot: op Oudejaarsavond iets vóór middernacht of op de ochtend van 1 januari. Dan trek ik één jaarkaart plus twaalf maandkaarten. Die twaalf kaarten doen me denken aan de tien plaatjes van de Ossenhoeder : ze vormen ook een pad, een traject, met een aantal tussenstations.  De Dwaas is altijd mijn favoriete kaart geweest. Een kopie van de kaart staat ingekaderd op mijn schrijftafel en er zit er eentje in mijn portefeuille. Ooit maakte ik er ook een waterverfje van. 

Aardse beperkingen lijken slechts geringe macht te hebben over de androgyne jongeman die met lichte tred door het hooggebergte met de besneeuwde pieken naar de rand van een afgrond stapt. Is dit de berg Thabor? Plaats van Jezus’ verheerlijking waar Zijn gezicht begon te stralen en Zijn kleren wit werden als licht en waar de Stem uit de wolken deze woorden sprak: “Dit is mijn enige zoon”. Opent zich, voorbij de rand, het Dal van Hinnom, waar de gebleekte botten en de gebarsten schedels van Zijn profetische voorgangers op Hem wachten voor een knekeldans? De limborock.  Achter de Fool schittert de zon die de hemel goudgeel kleurt. Schiet ze hem in de rug, sneller dan zijn schaduw die reeds diep in het ravijn is gevallen?Boven een wit onderhemd draagt hij een groen kleed dat rood gevoerd is. Laurierkrans in het goudblonde haar, wuivende rode pluim op een zwart keppeltje. Laurier als symbool van overwinning.  Laurier dat door het orakel van Delphi werd gebruikt om voorspellingen te doen. Goudgekleurde legging en dito laarsjes. In de ene hand houdt hij een witte roos. Gaat zijn weg over rozen?In zijn rechterhand de reisstaf die op zijn rechterschouder rust. Daaraan hangt zijn rood reistasje dat slechts het allernoodzakelijkste kan bergen. Het gezicht van de Dwaas spreekt van extase.  Ziet hij de dieperik niet die één stap verder gaapt.  Zijn metgezel, een vrolijk hondje met witte vacht, springt tegen hem op. Wil het zijn baasje duidelijk maken dat hij te pletter zal storten? Is Dwazemans doof voor het geblaf? Heeft dit blindemannetje wel een geleidehond vandoen? Of kan hij op lucht wandelen, zoals de Mensenzoon op water?  Vertrouwt hij erop dat engelen hem zullen dragen, zoals Mattheus 4 vertelt: “Vervolgens nam de duivel hem – na zijn veertigdaagse vastentijd in de woestijn – mee naar de heilige stad en zette hem op het hoogste punt van de tempel. Hij zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: Zijn engelen zal hij opdracht geven om u op hun handen te dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen’. Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: Stel de Heer, uw God, niet op de proef’”.  Stelt de Dwaas God op de proef?

De klassieke duiding van deze kaart gaat als volgt. De Dwaas is het kind in ons, verwonderd, ontvankelijk, naïef, levenslustig. Hij staat voor de chaos waaruit het nieuwe ontstaat en voor zorgeloze openheid, vrij van vooroordelen. De Dwaas is de kommerloze, vol onschuld en nog helemaal blanco, een onbeschreven ziel. Wanneer Dwaas zich aanmeldt in je kaarten, betreed je met verbazing en zonder verwachtingen een nieuw levensterrein. Hij kan ook wijzen op idiote, wonderlijke en bijzondere gebeurtenissen of onverantwoordelijk gedrag. De Dwaas wijst op vernieuwende ervaringen die vaak chaotische trekjes hebben maar die niet echt gevaar inhouden. De kracht van de Dwaas ligt in het vertrouwen op je instincten – het hondje dat tegen hem opspringt –  die je voor de grootste gevaren beschermen. Gedreven door nieuwsgierigheid kan je weg dan leiden naar hogere doelen die nog onzichtbaar zijn. De Dwaas zegt dat je aan het begin staat van een nieuwe opdracht of dat je een nieuw werkterrein betreedt. Je doet dit zonder voorkennis maar wel met grote nieuwsgierigheid. Je bent bereid om je overal voor open te stellen en je zonder voorbehoud vertrouwd te maken met nieuwe taken. Op het niveau van bewustzijn staat deze kaart voor het wonderlijke en het verbazingwekkende. Hij is de geest die op zoek is naar ervaring. Verleden jaar, 2021, was El Loco mijn jaarkaart en de “voorspelling” kwam uit, helemaal op ’t einde van ’t jaar.  Daar heb ik het een andere keer over. In deze tarotkaart zie ik ook een parallel met zen-koan 46 uit de Mumonkan (Mu betekent ‘niets’, neen; mon : ‘poort’; kan : ‘barrière’) of de Poortloze Poort : “Meester Shisuang zei : “Je zit de op de top van een honderd meter hoge paal. Wat is je volgende stap?” Een andere meester zei: “Wie bovenop een honderd voet hoge bamboepaal zit, is er nog steeds niet. Laat de top los en je lichaam zal zich vrijelijk in de tien richtingen bewegen”. Zo zal ook de tarot Dwaas de volgende stap zetten. Een stap in het ijle, in het eeuwige, in het Niets. Wat gebeurt er als je grond onder de voeten verliest? 

De joker uit het gewone kaartspel wordt ook de “wild card’ genoemd. Hij representeert elke andere kaart in het spel en kan overal ingezet worden, zoals de Dwaas in elk van de tarotkaarten aanwezig is. Dat kan alleen maar omdat hij leeg is van zichzelf. En leeg zijn van zichzelf is vol zijn van Alles. Uit de pakjes met nieuwe speelkaarten mocht ik als kind de joker halen. De kaarters in het grootouderlijk café hadden dit tweelingbroertje van de Dwaas immers niet nodig. Hij mocht niet meespelen in het spel van bieden en troeven. Dat begreep ik niet want ik vond de joker veruit de mooiste kaart. Of speelt hij bewust het spel niet mee? Ik verzamelde de overscharige jokers in een plakboekje.  De buitelende nar, met zijn zotskap, zwaaiend met zijn zotskolf, rinkelende belletjes aan zijn zotskap en aan zijn stervormige kraag en zijn stervormig rokje.  “Bien sonné” of “goed gek”. Hij is Momus, de spottende zoon van de nacht die god noch mens spaart, dansend bovenop de wereldbol die hij aan zijn puntige laarsjes lapt. Hij zaait handenvol speelkaarten.  De kaarten die het lot ons toebedeelt en waarmee we het moeten doen. 

Pelgrims zijn zwervers met een spiritueel doel. In vroegere tijden werden misdadigers veroordeeld tot een pelgrimstocht: naar Rome, Compostela of zelfs naar Jeruzalem. De afstand varieerde naar gelang van de ernst van hun misdaad. Die boetetochten naar verre bestemmingen waren een verkapte terdoodveroordeling. In die dagen was zo’n onderneming immers erg onzeker en risicovol en weinigen keerden behouden terug. Vandaag is dat wel anders. Prototype van de hedendaagse pelgrim is de Compostela-ganger. In een veel jongere versie van mezelf had ik dat misschien aangedurfd, als ik het al had aangekund. In de herfst van 2017 botste ik bij toeval op dit thema. Het leverde één van mijn mooiste vondsten ooit op Tijdens een tussenstop op een solitaire fietswandeling langs een smal groen wegeltje viel mijn blik op een pin die vastgeprikt zat in een houten weidepaal.  Hij stelde een Camino-pelgrim voor : kromstaf met kruikje, mantel en typische hoed (zie illustratie). Wie had die daar, in het midden van nergens, achtergelaten? En waarom? Om door mij gevonden te worden, blijkbaar. 

De Dwaas mag dat al mijn lievelingskaart en mijn dharma-naam “mens van de weg” zijn, een Wandervogel, zwerver of wereldreiziger ben ik niet.  Ik heb niet meer die onbevangenheid van de peuter die zorgeloos op stap ging. Eerder herken ik me in Adhemarke die, amper twee straten ver, al zucht dat de wereld te groot is voor hem. Mijn hoogsensitieve bedrading belet mij om continenten te bereizen. Mijn dagelijkse zwerftochten beperken zich noodgedwongen tot altijd weer dezelfde de straten van de stad. Maar dat levert bijna dagelijks wondertjes op: het vinden van talloze hartjes en per maand gemiddeld 11 euro-muntstukjes die ik “pennies from heaven” noem. Knipoogjes van God. Straatlopen is ook een uitstekende gelegenheid om innerlijk mantra’s te reciteren of te zingen op het ritme van mijn stappen. Neen, ik ben niet de Sagittarius die het reizen in het bloed zou hebben. Tenzij het gaat om spirituele wegen. Mijn beperking dwong me ertoe onvermoeibaar innerlijke werelden en andere en werkelijkheden te exploreren.  

Op een middag, voorjaar 1968, was ik als laatstejaarsstudent in de recreatiezaal van het college aan ‘t “tafelvoetballen”. Boven de ambiance uit klonk de nieuwste hit van The Beatles: “Lady Madonna”. Meteen daarna werd het nummer van de B-kant gedraaid : “The Inner Light”. Niet Paul of John maar George nam de zangpartij voor zich. Dat hij het nummer had aangebracht was meteen duidelijk aan de Indiase instrumentatie. George Harrison was immers in de ban van Indiase muziek en spiritualiteit. De tekst was totaal atypisch voor een popsong. Ik hoorde “de stille Beatle” deze mysterieuze woorden zingen. “Without going out of my door; I can know all things on Earth; without looking out of my window; I could know the ways of Heaven; the farther one travels; the less one knows; arrive without traveling, see all without looking; do all without doing”.   Zonder de deur uit te gaan kan je alle dingen op de wereld kennen? Zonder uit je venster te kijken, kan je de hemelse wegen doorgronden? Hoe verder je reist, hoe minder je weet? Reizen zonder aankomen? Zien zonder kijken? Doen zonder doen? Wat was me dat allemaal? Wat moest ik hiervan denken? De diepe mystieke, non-dualistische boodschap ontging me volledig. Door mijn linker hersenhelft raasde immers de revolutionaire geest van Mei ’68 en ik had net nog een grote “Leuven Vlaams” betoging georganiseerd voor alle scholieren van Tielt. ‘In een rapke’ moest ik nog de oude wereld slopen en een nieuwe opbouwen, en hier werd gezegd dat we rustig in ons kot mochten blijven? Wat voor kleinburgerlijke reactionaire praat was dat!? Wat bezielde mijn idolen die toch de vaandeldragers waren van mijn tegen alles en iedereen contesterende generatie? Toch bleven die geheimzinnige woorden nazinderen. Ze beroerden subtielere snaren dan die van een elektrische gitaar.  Later kwam ik erachter dat de woorden niet van George waren.  Hij citeerde uit de  Tao Te Ching van de Chinese wijze Lao Tse.  Vijfentwintig jaar later herkende ik me volledig in wat de Beatles toen zongen en Lao Tse tweeduizendvijfhonderd jaar eerder schreef. 

De boodschap sloot ook aan bij mijn inmiddels beperktere fysieke mogelijkheden en de innerlijke paden die ik ging. Wijsheid kon ook aan huis geleverd worden zonder de halve wereld af te reizen, op zoek naar een goeroe. De tegenpool van de uithuizige pelgrim is de heremiet die zijn leven op de paar vierkante meter van zijn kluis doorbrengt. Ik durf mezelf geen kluizenaar te noemen. Een huizenaar misschien? Hoe vaak zei mijn zorgelijke moeder niet vermanend: “Denkt ge dat alles in ’t leven op uw schoot gebracht gaat worden?” Niet alles, mama, maar zeventig jaar later moet ik toch concluderen dat zeker de meest wezenlijke dingen me als kostbare geschenken in de schoot werden gegooid. Daarvoor moest ik enkel doorheen de deuren van waarneming mijn veilige heilige huisjes verlaten om de gewijde wereld in te stappen.

Toen ik het finale punt van bovenstaande tekst had getypt maakte ik een wandeling. Mijmerend over wat ik schreef over de joker, vond ik op het voetpad een speelkaart: harten zeven ! Of hoe amper twee straten ver de banale alledaagse werkelijkheid met een magisch momentje gezegend werd, toch voor een dwaas die er oog voor heeft.

Herman Meirhaeghe

MENS VAN DE WEG. Het pad van meditatie als levensweg

Toen me gevraagd werd om een persoonlijke getuigenis te geven over het pad van zen dat ik ging, moest ik meteen denken aan de woorden van Herman van Veen: “Echte helden getuigen zelden”. Aangezien ik verre van een “echte held” ben, vond ik dat ik gevolg moest geven aan die oproep.  Telkens weer word ik zelf getroffen door getuigenissen, ook al ligt de leefwereld van de getuigen soms ver van me af. Spreken of schrijven vanuit het hart raakt immers altijd. Er zit ook een herkenbaar patroon in al die verhalen: vallen en opstaan, donkere nachten waaruit een nieuwe dag geboren wordt, levenscrisissen die nieuwe kansen baren. Bij mij was het niet anders. 

Mijn getuigenis zou ik deze ondertitel kunnen geven:  “Het pad van meditatie als levensweg”, een pad dat ik al meer dan dertig jaar ga. Hoe kwam meditatie in mijn leven? Ik hoorde er voor ’t eerst over via The Beatles, mijn absolute jeugdidolen. Niet via de vele priester-leraars uit mijn collegetijd, die daar – heel merkwaardig – totaal niet mee vertrouwd waren, hoewel er ook binnen de christelijke traditie altijd al meditatiemethodes bestaan hebben. In 1967 – ik was toen achttien – gingen de Beatles een tijdlang in de leer bij de beroemde Indiase goeroe Maharishi Mahesh Yogi, die hen inwijdde in de Transcendente Meditatie (zie foto). Via de vier Liverpoedels raakte ik ook geïnteresseerd in Oosterse spiritualiteit, evenwel zonder tot enige beoefening over te gaan.  In die tijd was ik immers niet bepaald met meditatieve dingen bezig. Als geboomde baby  was ik een zoon van Mei ’68. Begin juni van dat sleuteljaar was ik in Parijs.  Ik kwam net te laat om Quartier Latin te helpen opbreken en met kasseien barricaden op te gooien tegen het verfoeide establishment.  De laatste resten van het oproer waren zo goed als opgeruimd, maar enkele van de meest bekende en meest inspirerende slogans stonden nog hier en daar op muren en straten gekalkt: “L’imagination au pouvoir!” “De verbeelding aan de macht”. En ook nog : “Défendu de défendre” of “Verboden te verbieden”. Twee slogans die mijn levensmotto werden.  Of de mooiste van alle : “Sous les pavés, la plage” : “ Onder de plaveien wacht het strand”. In oktober ’68 trok ik naar de Universiteit Gent om er psychologie te studeren. Een half jaar later brak de studentencontestatie er los, met woelige betogingen, gestencilde pamfletten, bezettingen van de aula’s en het rectoraat, nachtelijke volksvergaderingen, etc.  Er hing een pre-revolutionaire sfeer in de lucht. We dachten echt dat de Grote Wereldrevolutie ieder moment kon losbarsten en die kon ik niet links laten liggen… “Dit was maar een begin, we gingen door met de strijd !” 

In die dagen bestudeerde ik tegelijkertijd Marx en Jung, twee radicaal  tegenovergestelde en moeilijk te verenigen denkers. Karl Marx, gericht op de analyse van de economische verhoudingen en op maatschappelijke verandering.  Carl Jung, gericht op de analyse van de binnenwereld, het onbewuste en op innerlijke groei. Naderhand had ik almaar meer moeite om me te verzoenen met de stugge dogmatiek binnen de links marxistische beweging. Ook in het virulente atheïsme en de allergie voor alles wat met spiritualiteit, mystiek en religie te maken had, kon ik mij niet vinden. Van kindsbeen af had ik immers ervaringen die me leerden dat er méér was tussen hemel en aarde dan zelfs Shakespeare kon bevroeden, méér dan de strikt materiële alledaagse werkelijkheid. Binnen radicaal-links zag ik ook een totale afwezigheid van zelfreflectie. Ik distantieerde me van het linkse activisme, maar bleef het rode hart wel op de linker plaats dragen. Er is de bekende boutade : “Wie jong is en niet links, heeft geen hart; wie oud is en niet rechts heeft geen verstand”. Dat gaat alleszins niet op voor mij. Inmiddels ben ik oud en met overgave ben ik er nog altijd eentje zonder verstand.  Ik blijf immers onvoorwaardelijk solidair met de underdogs, de minderbedeelden, de verschoppelingen, de kanslozen en ik bleef erg kritisch tegenover machthebbers. Wat ik nu belijd is een soort “spiritueel socialisme”.  

Middenin die vitalistische, tumultueuze tijd sukkelde ik in een depressie. Toen had ik daar geen zicht op en geen woord voor, maar terugkijkend kan ik het alleen maar een depressie noemen. Die zou een viertal jaren aanhouden. Dit ging o.m. gepaard met doelloze zwerftochten door de stad, dwangneurotische handelingen, faalangst, vervreemding. Ook gedachten aan suïcide. Ik herinner me nog precies hoe ik op een nacht mijn kot bij Sint-Jacobs uitsloop om, zittend in het gras en leunend tegen een plataan in het Baudelopark, mijn zwarte gedachten te herkauwen.  Een tiental meter verder stroomde de Leie… Haar donkere water lokte mij. Plots voelde ik de levenskracht van de boom bruisen tussen mijn schouders en zag ik aan de nachtelijke hemel de zilverwitte Morgenster twinkelen. Een archetypische setting, zou later blijken, want pas meer dan twintig jaar later kwam ik erachter dat de Boeddha tot Ontwaken kwam onder de Bodhiboom toen hij diezelfde Morgenster zag schitteren. Niet dat ik toen verlicht werd, maar het was in elk geval een kleine openbaring die me het gevoel gaf deel uit te maken van iets veel groters dan mijn persoonlijke problematiek. Over hoe slecht ik me voelde, praatte ik met niemand.  Het was me ook niet aan te zien; ik kon de schijn goed ophouden. Tijdens de weekends in de bruine, alternatieve kroegen,  probeerde ik mijn zorgen in een sloot van alcohol te verzuipen terwijl ik de revolutie predikte.De depressie bleef aanhouden, ook na mijn studies en het eerste paar jaar van mijn huwelijk.  De oliecrisis van 1973 maakte een einde aan de zorgeloze sixties en ik vervoegde het almaar aangroeiende legioen van stempelaars, wat mijn gevoel van waardeloosheid en mislukking nog verhevigde. Maar zoals zo vaak in het leven, volgde op het donkerste uur van de nacht de lichtende dageraad. Bij mij gebeurt dat vaak via het vinden van de juiste boeken op het juiste moment. Boeken zijn nu eenmaal van in mijn kindertijd mijn dagelijks brood.  

Begin jaren ’70 werd ik lid van de ECI-Boekenclub. Je moest elke maand een boek bestellen, maar dat viel niet mee vanwege het redelijk beperkt aanbod dat niet altijd aansloot bij mijn interesses van dat moment. In 1974 kocht ik, omdat ik er geen ander vond dat me beviel, “Meditatie en Concentratie” van de bekende Britse boeddholoog Christmas Humphreys, een klassieker. Taaie lectuur, herinner ik me, waar ik niet doorheen raakte en die geen concrete gevolgen had. Ik bedoel, ik begon niet meteen een praktijk en meditatie is natuurlijk een dagelijkse oefening.In 1979 las ik nog een klassieker in het genre, een boek van Alan Watts, een auteur wiens naam regelmatig gedropt werd in interviews met rockartiesten, schrijvers en kunstenaars.  Titel : Het Zen-Boeddhisme. Ik raakte toen niet verder dan de inleiding… Blijkbaar was de tijd – of beter, was ik er nog niet rijp voor. Het zou nog eens tien jaar duren, voor ik beide boeken opnieuw ter hand nam. 

Dat gebeurde in 1989, het jaar dat ik 40 werd en “le démon du midi” grijnzend aanklopte en mij een heuse identiteitscrisis aansmeerde. Een jaar waarin de levensstroom stremde, tot een gletsjer bevroor. Blokkering op velerlei vlak.  In een recordtijd ontviel mij een handvol passies die jarenlang mijn leven kleur, smaak en zin had gegeven. Mijn creatieve bronnen raakten opgedroogd. De roman waaraan ik schreef en die ik vóór mijn 40ste per se af wou hebben, bleef onvoltooid. Het tijdschrift dat ik bijna volledig eigenhandig volschreef, stopte halfweg de 8ste jaargang. Mijn huwelijks- en liefdesleven was in crisis. Ik vervreemdde van de vriendenkring uit “de wilde jaren”. Op ’t werk zat ik in een uitzichtloze positie. Om nog maar te zwijgen van het zingevingsverlies. Een horrorjaar dus. Ik belandde in de spreekwoordelijke midlifecrisis. Zoals Dante schrijft in zijn Divina Comedia: “In ’ t midden op de reistocht van mijn leven, zag ik mij in een donker woud verloren, daar ik van ’t goede pad was afgeweken.”  Hoewel ik me eerder in een comédie humaine dan in een Goddelijke Komedie leek te bevinden, herkende ik me helemaal in die woorden van de Florentijn. Mijn “house of cards” stortte in elkaar. Ik had het gevoel permanent met mijn kop tegen de blinde muur van een doodlopend straatje zonder einde te lopen… Tijd om me een Harley Davidson aan te schaffen en me “De (zen-)Kunst van het Motoronderhoud” eigen te maken… De motor kwam er niet, het gelijknamige boek even later wel. En toen werd ik, als door een bliksemflits bij maanloze nacht, door de pijl van de zenboogschutter getroffen.  Het donkerste uur situeerde zich ook dit keer net voor de dageraad. 

Geen idee hoe mijn astrologisch gesternte eruit zag, maar op de ochtend van 4 mei 1989 werden grote veranderingen aangekondigd, door middel van een “Grote Droom”, gevolgd door een visionaire ervaring.  Na een echtelijke ruzie sliep ik op de bank, beneden in de living.  Ik werd er bezocht door een zeer omstandige archetypische droom, waarvan ik hier alleen de belangrijkste  elementen vermeld.  “Ik sta aan het begin van een lange reis.  De nacht is maan- en sterrenloos. De straten zijn nauwelijks verlicht en moeilijk berijdbaar. Het heeft bovendien zwaar geregend en de smalle glibberige wegen lijken wel modderpoelen. Ik moet al mijn stuurvaardigheid aanwenden om mijn wagentje – een 2 PK-tje – onder controle en op de baan te houden. Hindernissen neem ik op het gevoel, want ik zie geen hand voor mijn ogen. Op een kruispunt word ik voor de keuze gesteld of ik al dan niet een uitgestippeld pad zal volgen. Ik weet niet echt wat mijn bestemming is en waarom ik ergens een huis binnenga. Daar woont een prachtige, verleidelijke vrouw met wie ik liefde maak. Tijdens het vrijen merk ik tot mijn grote verbazing dat haar clitoris een volwassen penis is! Ze is een hermafrodiet !  Dan moet ik weer vertrekken. Bij het zoeken naar mijn autootje moet ik een helling op klimmen wat me bijna niet lukt. Ik krijg daarbij hulp van diezelfde vrouwman.”

Voor je me verdenkt van “vieze goestjes” nog dit. De hermafrodiet is een sleutelbegrip in de alchemie. Zijn verschijning vormt het hoogtepunt van het Grote Werk. Dit dubbelslachtig wezen verenigt in zich alle tegendelen. Hijzij is de oorspronkelijke Platonische mens waarin het vrouwelijke en het mannelijke nog niet gescheiden zijn. Het verschijnen van de hermafrodiet duidt erop dat de alchemist herboren wordt als uniek individu met een eigen emotioneel-gevoelsmatige en geestelijk-spirituele identiteit. Volgens Jung, die diepgaand de alchemie bestudeerde, anticipeert de hermafrodiet op de verdere ontwikkeling en uitbreiding van het bewustzijn.  Volgens hem vormt hijzij niet het eindpunt van het Opus; dat merkwaardige wezen staat immers te ver af van onze normale belevingswereld. In een latere fase van het alchemistisch proces volgt dan de geboorte van de homunculus, het mensje, dat uit de materie verlost moet worden. Pas dan wordt het Levenselixir of de Steen der Wijzen gevonden. 

Het vroege ochtendlicht wekte me.  Liggend op mijn rug, contemplerend over deze droom, voelde ik plotsklaps mijn voorhoofd eindeloos uitdeinen, tot ver voorbij de begrenzing van mijn schedel. Alsof het heelal op mijn schouders stond i.p.v. mijn hoofd. Vóór mijn geestesoog opende zich de onmetelijke hemel waarin een reuzenarend met wijd gespreide vleugels roerloos stil hing. Uit de vier windrichtingen kwamen onnoemelijk veel zwarte vogeltjes aanvliegen om onder de vleugels van de arend  te schuilen. In een tweede fase veranderde de arend in een bol, een sfeer, een planeet, die volledig uit die vogels was samengesteld. Na enige tijd begon de roerloze planeet om haar as in klokwijzerzin te roteren. In een derde fase veranderde de planeet in een kosmische spiraal die door het heelal wentelde. Ook die spiraal bestond volledig uit vogels. Alle aspecten verwezen naar het element Lucht – hemel, planeet, kosmische spiraal, vogels – en dus naar Geest. De veranderingen zouden zich in dit gebied voltrekken, vermoedde ik.

Het was duidelijk dat ik me op dit punt in mijn leven in de eerste fase van het visioen bevond: die van stilstand, stagnatie.  Ik kon alleen maar hopen dat ooit, net zoals in het visioen, de impasse zou doorbroken worden, dat iets in beweging zou komen. Dat zou blijkbaar gepaard gaan met het verzamelen van alle verspreide brokstukken van mijn gefragmenteerd leven en van mijn versplinterde ziel (de vele vogels).  Wat de symboliek betreft : “arend” staat voor Grote Geest of G*d; “bol” voor het Zelf en “spiraal” voor de zielenreis van binnen naar buiten, voor groei, verdieping, expansie en kosmische energie. Niet veel later, toen mijn leven inderdaad met een rotvaart weer op gang kwam, deed zich een opvallende synchroniciteit voor. Op een ochtend aan de ontbijttafel botste ik in “Café des Arts” – de kunstbijlage bij de krant “De Morgen” – op de bespreking van een jeugdboek van Ted Hugues (echtgenoot van Sylvia Plath). Titel : “Hoe mus de vogels redde”.  Ik verslikte me haast in mijn slappe koffie toen ik de bijbehorende kaftillustratie zag: een wervelende spiraal van duizenden vogels met arend bij het begin ervan. Precies zoals in het visioen. (zie illustratie: Andrew Davidson) Er stond iets te gebeuren, zoveel was duidelijk. 

Op 1 september van dat jaar ’89 sleepte ik me, uitgeblust en afgepeigerd, na een zoveelste zinloze werkdag en na het avondeten met vrouw en kinderen, twee hoog naar mijn werkkamerdie ik mijn “Veilige der Veiligen” noem. Ik wou er alleen zijn om mijn wonden te likken. Eenmaal op mijn kamer was ik tot niets méér in staat dan om me op mijn rug en met gespreide armen op het tapijt uit te strekken.  Het pathetisch beeld van een door het leven knock out geslagen en uitgetelde bokser.  Opgave en overgave in de zoveelste ronde. Ja, enig theatraal zelfmedelijden was me niet vreemd in die dagen. Terwijl ik daar lag te somberen, flitste deze gedachte me door het hoofd : “Eigenlijk is ademen het enige wat ik nog kan opbrengen”. Iets in mij attendeerde me op een boek, dat ik op mijn 23ste had gekocht, een boek waarin iets over ademen gezegd wordt, meende ik mij te herinneren.  Uit eerdere lectuur wist ik dat “ademhaling” een cruciale factor was bij meditatie en tot rust komen.  Ik krabbelde overeind en haalde het eerder genoemde boek “Concentratie en Meditatie” van Christmas Humphreys, dat ik zeventien jaar eerder gekocht had, uit mijn boekenkast.  Het boek had toentertijd niets in beweging gezet; zou het me nu mijn tweede adem geven?  Willekeurig sloeg ik het open en kwam terecht bij het korte hoofdstuk XII over “Zen-meditatie”.  Mijn ademhaling versnelde toen ik de twee openingszinnen las : “Zen is uniek. Het tart alle classificatie en maakt beschrijven haast onmogelijk”. Mijn hart skipte een beat ! Bliksemflits bij maanloze nacht.  Zou dit “unieke en onvatbare zen” the cure voor mijn midlife blues kunnen zijn?

Snel las ik het hoofdstukje door : een epifanie ! Ik krabbelde overeind en begon meteen met een paar minuten zazen of “muurstaren”, op een geïmproviseerd wankel torentje van kussens die ik, tot verbazing van mijn echtgenote, van de zitbank plukte. Om dit momentum duidelijk te markeren stopte ik diezelfde avond nog met roken. In “De Slegte”  kocht ik  “Teach Yourself Japanese” en begon mezelf, met het oog op een trip naar het land waar zen vandaan kwam, elementair Japans  te leren:  “Soko ni hon ga arimasu”.  Ik  dacht toen nog dat je voor zen alleen in Japan terecht kon.  Wist ik veel dat het zen-zaadje reeds in ’t Westen geplant was.  Al snel kwam ik erachter dat  “het”  reeds wortel had geschoten in de U.S.A., in Europa en zelfs in België. Kort daarna verraste mijn zoon van 14 me met een affiche die hij van het prikbord van de plaatselijke Delhaize-winkel had gescheurd.  Daarop stond de foto van Zenmeester Taisen Deshimaru, van wie ik reeds een vijftal boeken gelezen had, en een adres: “Dojo van Gent, Vrouwebroersstraat 9, Gent“.   Er was dus in het Gentse Patershol een dojo waar in groep zazen kon beoefend worden! Ik had sterk het gevoel dat alles spontaan en in supersneltreinvaart naar me toe kwam, dat de goden me bij het nekvel grepen en me met de neus op de feiten drukten, dat de mogelijkheden me letterlijk thuis en op schoot werden gebracht. En dat ik daaraan gevolg moest geven.  

Gedurende tien maanden oefende ik dagelijks thuis tot ik 20 minuten in halve lotushouding, roerloos maar helaas niet pijnloos, kon zitten. Ik dacht, éénmaal ik 20 minuten aankan, dan ook, mits de pijn te verbijten, tweemaal 30 minuten. Een meditatie-sessie bestond immers uit tweemaal een half uur “zitten”. Op Pinkstermaandag ‘90 trok ik naar de zen-dojo en zweette er mijn allereerste uur zenmeditatie uit.  De week daarna was ik er weer.  Die allereerste keer, samen met een zevental aanwezigen, staat in mijn geheugen geëtst. Ik wist het meteen 100% zeker : dit is het ! Mijn collega’s op ’t werk reageerden verbaasd en kritisch toen ik hen ’s anderendaags vertelde over mijn dojo-bezoek en zei :  “Zenmeditatie, da’s voor de rest van mijn dagen!”  Ze konden niet begrijpen hoe ik dat, na amper één keer deelnemen, kon beweren? Had Herman het licht gezien?  Een slag van de gebedsmolen gekregen?  “Voor de rest van je dagen…” dat is natuurlijk een lange tijd, maar daar zou het op uitdraaien. Eindelijk vond ik een spirituele praktijk:  zit-meditatie ! En een groep gelijkgestemden. Alweer had ik dit niet bewust gezocht, neen, het werd mij aangereikt via een hele reeks voorbereidende tussenstappen en toevalligheden.  Mijn innerlijk leven veranderde ingrijpend en als gevolg daarvan onvermijdelijk ook mijn omgang met de anderen en mijn functioneren in de wereld.  

Daarna ging het heel snel. Ik engageerde me diep in het zen-boeddhisme, Japanse stijl. Ik wilde er alles van weten, als van een geliefde die je op een coup de foudre trakteerde. Ik verslond een berg boeken en na tien jaar telde mijn bibliotheek 500 titels over boeddhisme en zen. Om maar te zeggen hoe heftig het passievuur laaide. Ik vertaalde dharmatalks van mijn Franse zenleraars die publiceerd en voorgelezen werden in de Vlaamse en Nederlandse zendojo’s.  Ik schreef een boekje over de geschiedenis van zen in Gent (1975-2010). (Illustratie : kaftfoto met zelfportret) Jaarlijks deed ik kortere en langere retraites in binnen- en buitenland.  Naast mijn dagelijkse thuis-meditatie bezocht ik twee tot drie keer per week onze zen-dojo voor een uur meditatie en al snel begeleidde ik de bezoekers op de meditatieavonden. In 1992 werd ik tot bodhisattva en in 1994 tot zenmonnik gewijd door de Franse Meester Roland Yuno Rech, leerling van Meester Taisen Deshimaru die in 1967 zen van Japan naar Parijs bracht. De daarop volgende decennia oefende ik met gekwalificeerde zenleraars uit verschillende scholen, o.m. met de Nederlandse zenleraar Ton Lathouwers van Maha Karuna Ch’an, die mijn nieuwe leraar werd, en met vriend en zenleraar Frank De Waele van de Zen Sangha.

“Hoe eindeloos de Weg van Ontwaken ook is, ik beloof hem ten einde te gaan”. Zo luidt de laatste van de “Vier Geloften van de Bodhisattva” die ik elke ochtend reciteer bij de aanvang van zazen of zitmeditatie. Een bodhisattva is een wezen (sattva) dat naar Ontwaken (bodhi) streeft. Iemand die boeddhaschap beoogt. De weg die de bodhisattva gaat om een boeddha te worden, is er een die eonen en vele levens in beslag kan nemen. Onderweg helpt hij, naar eigen talent, godvrucht en vermogen, actief in de wereld mee om het lijden in al zijn vormen te verlichten. Hij weigert nirvana binnen te gaan zolang niet het allerlaatste grassprietje is verlost. Dat is nogal wat voor een mens met korte beentjes zoals ik. Gelukkig kan ik me in deze hoge aspiraties optrekken aan mijn Japanse dharma- en monniknaam die me bij mijn wijdingen werd gegeven : “Ei-Gyo Do-Nin”. “Ei” betekent “eeuwig”; “gyo” : “beoefening”. “Do” is “de Weg”, Tao in het Chinees. “Nin” betekent “mens, persoon, ziel, sterveling”. “Eeuwige Beoefening, Mens van de Weg”. Mijn levensopdracht : tot voorbij de dood de weg van zelfvergetelheid gaan.“Zelfvergetelheid”, een bijna antiek woord, dat voor mij wil zeggen : het neurotische “ik” overstijgen, door eigenbelang weg te filteren uit mijn gedachten, woorden en daden. 

Ontdekt iedereen zijn gepast medicijn op een cruciaal of kritiek moment in zijn of haar leven? Bij mij was dat in ieder geval zo.  Ik kan niet zeggen dat ik omstreeks mijn veertigste gericht op zoek was naar een methode voor stressbeheersing in de toen al driemaal drukke ratrace. Uiteraard kon ik zoals iedereen wel wat ontspanning gebruiken, maar ik beleefde toen eerder een zingevingscrisis. Grote levensvragen die zich aandienden, typisch voor de overgangsfase van de extraverte, expansieve eerste levenshelft, naar een meer verinnerlijkte tweede levensfase.  Meditatie overrompelde mij, beheerste in een mum van tijd mijn leven. Ik weet dat ik toen, een tijdlang, geliefden en verantwoordelijkheden heb verwaarloosd omdat ik zó door de zen gebeten en in beslag genomen was. Meditatie bleek voor mij hét middel om mijn leven in evenwicht te krijgen en het zin te geven. Hersenwetenschappers stelden inmiddels vast dat reeds na twee weken beoefening, structurele veranderingen optreden in de hersencentra voor empathie. Ook ik zag al snel resultaat. In het begin was meditatie nog een tool om mijn turbulente ziel rust en richting te geven. Dat lukte. Het schiep enige orde in de chaos, ook uitzicht uit de toenmalige uitzichtloosheid. Wat het meest in het oog sprong : getroebleerde relaties – o.m. met mijn vader – normaliseerden zich zienderogen. Dingen waarvan ik dacht dat ze voor eeuwig muurvast zaten, veranderden. In meditatie schuilt immers die geweldige kracht tot transformatie, tot het doorbréken van oude denk- en gedragspatronen die ons leven zeer onaangenaam kunnen maken. Neen, een heilige werd ik niet, zelfs geen halve, maar mijn neuroses werden wel herleid tot afmetingen waar niemand nog last van heeft. Meditatie is evenwel geen universeel geneesmiddel. Bepaalde zwakheden lijken wel onuitroeibaar; meditatie leerde me om mijn gestuntel met een begripvolle glimlach te observeren en te aanvaarden. Zoals ik als opa naar mijn puberende kleinzoon kijk. De vruchten van meditatie zijn velerlei, maar worden niet nagestreefd. Ze vallen ons te beurt. “Mushotoku” of belangeloosheid is het sleutelwoord. Maar de beoefenaar gaat ook daaraan voorbij. Zazen is “alleen maar zitten”, zen is Zijn, één met het Ene.

(Dit artikel verscheen ook in het blad La Verna, Jaargang 19, nr. 1, 2022)

Herman Meirhaeghe

ATOOM-HART

Bij mijn wekelijks bezoekje aan boekhandel De Slegte kocht ik onlangs een boek over een spirituele leraar waarmee ik al heel lang wou kennismaken : Sathya Sai Baba. In de jaren ‘90  had ik immers vrienden die zwaar into Sai Baba (1926-2011) waren, de Indiase goeroe met het woeste afrokapsel en de oranje soepjurk die miljoenen volgelingen had. Hij werd gezien als een avatar, d.w.z. een incarnatie van de Goddelijke Liefde, zoals Jezus dat was. Net als Jezus verrichtte ook hij straffe wonderen van allerlei aard. De kritische zen-boeddhist in mij had zijn twijfels, ook omdat Sai, zoals zoveel spirituele leraars, in opspraak kwam. Maar was ook Jezus niet een struikelsteen des aanstoots in zijn dagen? Hoe dan ook, Sai Baba was niet mijn kopje Darjeeling, wat niet wegnam dat ik wel eens de man en zijn “leer” wou leren kennen. Toentertijd waren boeken over hem overvloedig te vinden, dus had ik al de tijd en stelde ik de aankoop almaar uit. Toen ik een paar jaar geleden plots de aandrang voelde om nu eindelijk eens met hem kennis te maken, waren de boeken uit het winkelaanbod verdwenen. Tot onlangs dus. Iemand had duidelijk zijn/haar grote collectie Sai Baba’s van de hand gedaan en daaruit koos ik er eentje van Geesje Lunshof, een Nederlandse volgelinge : “Sai Baba, Mijn Zelf”. 

Op de terugweg naar huis vond ik een zoveelste hartje. (Zie elders op deze blog : “Hartvinder”) Dit keer een rood hartje in vilt met gouden glittertjes. Opvallend was dat het symbool van het atoom erop afgedrukt stond (zie illustratie). Je weet wel, die afbeelding van een atoomkern waaromheen elektronen zich in ellipsvormige banen bewegen. In mijn uitgebreide verzameling hartjes is dit een uniek exemplaar. Meteen schoten me de woorden “Atom Heart Mother” door het hoofd, titel van het album van Pink Floyd uit 1970, je weet wel, dat met die achteromkijkende koe op de hoes. Was er een verband met mijn boek en een Indiase heilige koe?  De boodschap was me direct duidelijk : atomen zijn de bouwstenen van de schepping en dit “atoom-hart” vertelde me dat de grondstof van de schepping Gods Liefde is.  

Eenmaal thuis ging ik, zoals gewoonlijk, even vluchtig door het boek. Mijn blik haperde aan de titel van hoofdstuk 42 : ATOOM. Atoom? Wat doet dit begrip hier in een spiritueel boek? Snel las ik het korte hoofdstukje en botste op de titel van het volgende hoofdstuk 43 : LIEFDE. Net zoals bij het atoomhartje, waren de elementen “atoom” en “liefde” in dit boek verenigd ! Een voorbeeld van synchroniciteit of betekenisvol toeval. God spreekt door middel van toevalligheden en dit was er één die kon tellen. “Atoom” : Grieks, a-tomos, on-deelbaar, het kon een aliasnaam van God zijn, de Ene. En net als God kunnen atomen een oneindig aantal vormen aannemen. We zouden God ook “Individu” kunnen noemen, van het Latijnse “in-dividere”, niet-verdelen. God als de/het Niet-Verdeelde Ene. Wij stervelingen noemen onszelf graag individuen; onterecht en dat vanwege onze innerlijke verdeeldheid en ons gevoel van afgescheidenheid, van de ander en van de schepping. Zijn we niet eerder dividuen? Ons zo kenmerkend individualisme heeft immers alles met dualiteit – ik versus jij – en niets met ondeelbare eenheid – ik ben jij – te maken. Het Ware Zelf zouden we ook “Individu” kunnen noemen, maar dàt bedoelen we meestal niet als we het woord “zelf” gebruiken, gepatenteerde dubbeldenkers als we zijn.  

Een citaat uit het hoofdstuk “Atoom” in de vorm van een innerlijke dialoog van de auteur met Sai Baba: “De wereld is samengesteld uit atomen.  Mensen, dieren, voedsel, water, huizen, licht, alles is samengesteld uit atomen.  Brahman (God) heeft geen specifieke vorm. Brahman is subtieler dan het allersubtielste, groter dan het allergrootste. Hij is de eeuwige getuige en doordringt het universum in de vorm van atomen. God heeft geen vorm maar het atoom dat goddelijkheid manifesteert wel.” Citaat uit het hoofdstuk “Liefde” : “Liefde is het draagvlak van de hele schepping. Liefde is wat God en de mens verbindt. Liefde is wat het ongemanifesteerde met het gemanifesteerde verbindt. Liefde is de bindende factor in alles op aarde.  Is dat omdat de liefde zich in elk atoom bevindt en zowel levende als niet-levende materie uit atomen bestaat? Elk atoom is liefde. Is de lichtfontein (zie verder) in elk atoom ontstaan uit die liefde? Ja. En de subatomaire deeltjes, hoe zit het daarmee? Zij zijn de dragers van die liefde. De schepping rust op de atomen die als het ware gevoed worden door wat zich in het atoom bevindt. En wat zich in het atoom bevindt zijn hele universums op zich, die liefde voortbrengen.” 

Vervolgens biedt Baba in dit verband een visualisatieoefening aan. Die gaat als volgt. Elke cel, elk atoom heeft een kern. Niet de splitsbare kern uit de kernfysica, maar een bepaald punt dat hij het Atmapunt noemt. Atma(n) vertalen wij in ‘t westen als het Zelf, met hoofdletter. Niet mijn Zelf, maar Het Zelf. Ik heb immers geen Zelf, het Zelf heeft mij. Het is niet de betere versie van mijn “ik”, zoals soms gedacht wordt, maar het goddelijke in mezelf, de godsvonk in mijn hart. Dat Atmapunt is een soort omgekeerd “zwart gat”. Volgens de algemene relativiteitstheorie is een zwart gat een gebied in de astronomische ruimte waaruit niets – geen deeltjes en zelfs geen licht – kan ontsnappen. Het Atmapunt – of mag ik zeggen ‘Atomapunt – is een zwart gat dat precies het tegendeel doet : uit ieder atoom spuit een fontein naar buiten van Licht en Liefde, van Christusbewustzijn, zo je wil. Ook ons hart heeft een Atmapunt, zegt Sai Baba, en het hart op zich is het Atmapunt van ons hele lichaam. Alle spirituele tradities zijn het er over eens dat  het Zelf, bij manier van spreken, niet in ons brein logeert, maar in ons hart. Het is goed om ons te focussen op ons hart, welke onze spirituele praktijk of meditatieoefening ook is.  Laat bij het ‘zitten’ je hoofd zakken tot in je hart. Kieper het restafval uit je bovenkamer in de afvoerpijp naar de oven van je hart dat het verbrandt en omzet in Licht en Liefde.

Herman Meirhaeghe

DRIVING HOME FOR CHRISTMAS

Ken je nog deze song uit 1986 van wijlen Chris Rea? Ongetwijfeld zal die ook dit jaar met Kerst op de playlist van radioprogramma’s staan. Een evergreen zoals hulst in wintertijd. De ruiten van zijn wagen aangeslagen van kerst-ge-mis en verlangen. In weerwil van mezelf word ik altijd week van zijn raspstem “It’s gonna take some time, but I’ll get there; top to toe in tailbacks; oh I got red lights all around; but soon there’ll be a freeway, yeah; get my feet on holy ground”. Zijn jullie in deze kersttijd ook onderweg naar “heilige grond”? Of beperkt het kerstgebeuren zich tot een warm, maar ontkerstend familiefeest? Stierf het Kind de kribbedood, bedolven onder de vele kerstcadeautjes en de kerstkaartjes? Is het Innerlijk Licht nog zichtbaar onder de overkill aan veelkleurige lichtjes in de feestelijke etalages en de winkelstraten van de stad? Is de Stille Nacht nog hoorbaar achter het gejingel van bellen all the way. Kerstkalkoen, kerststronk, kerstboom, kerstkrans, kerstfilms, kerstmarkt, kerstman die langs gevels klautert, roodneusrendier Rudolph (van de gloeiwijn misschien?) uit het Hoge Noorden die verloren loopt in betonland, ook dat is Kerstmis, maar voor mij mag het iets méér zijn. Of beter, iets minder. 

Met enig heimwee denk ik terug aan mijn kindertijd in de jaren ’50. Aan het begin van de advent bouwde vader in een hoek van mijn speelkot, op een wankele tafel die twee wereldoorlogen had overleefd, een berglandschap: het decor waarin de kerstfiguranten werden uitgestald.  Dat rotsgebergte maakte hij van de binnenzijde van grote papieren zakken waarin dierenvoer gezeten had. Met dit stevig bruin papier kon je makkelijk bergen en dalen boetseren. Her en der legden we plukken sneeuwwitte watten, plakken mos die we van het dak haalden en hulsttakjes van de grote struik die naast de toegangspoort stond van een boerderij in de buurt. In een rotsholte, die een grot moest voorstellen, plaatste ik dan het stenen mini kribbetje met Jezeke op knalgeel stro, vader Jozef, moeder Maria, de melkwitte os en de kiezelgrijze ezel.  In de buurt van de grot hield een drietal in schapenvachten gehulde herdertjes – één goed herdertje droeg een lammetje in de nek –  “vol trouwe de wacht”.  Hogerop, in de verte, stonden Balthazar, Melchior en Gaspar geduldig te surplacen tot Dertiendag of  Driekoningen. Vader maakte ook een staartster die hij aan een draad boven de grot ophing. Daaronder hing een blauwe engel met een witte banderol waarop in rode letters geschreven stond: “Gloria In Excelsis Deo”.  Eer aan God in den Hoge. Daar bad ik mijn weesgegroetjes, liefst in de vrieskou. Dan voelde ik me immers dichter bij de Jezus uit het kerstliedje : Hoe leit dit kindeke hier in de kou; Ziet eens hoe alle zijn ledekens beven”. Mijn bibberen was bidden. Het was me uiteraard verboden om er mijn gekleurde spiraalvormige kaarsjes aan te steken. Ik deed het toch, met als gevolg dat half Bethlehem in de fik stond. Brandende devotie? Die kleine postuurkes bezit ik nog altijd. Ik stal ze elk jaar met Kerstmis uit op mijn werkkamer.

Hebben jullie ook het kerststalletje met bijbehoren weer uit de kast gehaald? Ikke wel. Hoewel, een klassiek stalletje is het niet, gewoon vijf beeldjes in halfdoorschijnend melkglas. Die staan op een ronde spiegel op het dressoir. Het Kind centraal in de kribbe. In een cirkel er omheen: Maria, Jozef en de Drie Wijzen, die wat vroeger gearriveerd zijn dan voorzien. Hun geschenken symboliseren de levensopdracht van de boreling : goud voor  innerlijk koningschap; wierook voor spiritueel leraarschap; mirre voor de genezer. 

Ik had altijd al moeite om de verwachtingsvolle aanlooptijd naar Kerstmis dag na dag spiritueel te beleven. Tot ik twee jaar geleden plots een inval had om een en ander vorm te geven. Aan het kersttafereel voegde ik een atypisch element toe : een “gouden” beeldje van zo’n typisch Chinese, kale, taoïstische zwerver met lange baard en pelgrimsstaf. Of is het een woestijnheilige, een heremiet die zijn grot verliet – voorgesteld door een zandroos uit de mineralenverzameling van wijlen mijn vrouw – en onderweg is naar Kerstmis. Die “mens van de Weg” ben ik zelf, driving home for Christmas. Met ruim 30 groene keitjes – het lijken wel doopsuikerbonen voor de pasgeborene – legde ik een slingerpad aan, van aan zijn grot tot bij  kribbe. In de Vastentijd maak ik een gelijkaardig pad naar Pasen met 40 van diezelfde groene keitjes. Tijdens de advent mediteer ik niet meer op mijn werkkamer, maar neem ik plaats in de living vóór het dressoir met deze installatie. Bij het begin van mijn ochtendmeditatie – het is dan nog donker in huis – steek ik een theelichtje aan dat doorheen de vijf figuren straalt, als worden ze van binnenuit verlicht. Elke dag schuif ik de pelgrim één keitje richting Kerstmis. “Adventus”, Latijn, betekent : “aankomst”, maar ook “nadering”. Dag na dag nadert hij zijn bestemming; op 25 december zal hij aankomen bij het Kind van Licht. Mijn geschenk?  De lege, beschikbare kribbe van mijn hart. 

Meditatie is een tijd van wachten. De mantra die we bij de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie gebruiken is “maranatha”. Dit Aramees bijbelwoord betekent: “Kom Heer Jezus” of “Onze Heer is gekomen”. AIs dit niet een advents- en wacht-woord bij uitstek is? Mediteren is nu een half uurtje op heilige grond zitten wachten, samen met die jonge vrouw, die ook in verwachting is. Beiden in blijde verwachting van de Blijde Boodschap.

Herman Meirhaeghe

HARTVINDER

I’ve lost my heart again, just how, I don’t recall,
You found my heart and then, it wasn’t mine at all.

Frank Sinatra

“Proficiat ! Je hebt het hart van een twintigjarige”, zei de dokter me toen hij de resultaten van een uitgebreid en grondig routineonderzoek bekeek. Ik was toen 57 jaar en sprong als een jonge hengst een gat in de ozonlaag. Niet dat onsterfelijkheid binnen handbereik lag, maar dit liet op zijn minst een redelijk gezonde levensavond verhopen. Geen drie jaar later faalde datzelfde hart in één week tijd tot tweemaal toe. De jonge hengst werd een kameel die zich door het oog van de naald wurmde en voortaan zou leven met een uitnodiging voor een rijstpapbanket in het Koninkrijk Gods op zak. Na een vlotte revalidatie ging ik weer werken, in Brussel. De eerste dag vergezelde ik tijdens de middagpauze een collega naar de Innovation in de Nieuwstraat. Bij de afdeling juwelen en parfums vond ik op de grond een hartje, in rode zijde. Mijn oog had er duidelijk oog voor vanwege mijn recente hartinfarcten. Van kindsbeen af ben ik alert voor synchronistische voorvallen, serendipiteit of “gelukkig toeval” zoals dat toen heette en dit was er zo eentje. Bovendien leken de namen “Innovation” en “Nieuwstraat,” een belofte van vernieuwing in zich te dragen. Een nieuwe richting van mijn levenspad na de confrontatie met mijn eindigheid?  

Jaren eerder had ik al eens een betekenisvol hartje gevonden, tijdens mijn vision quest. In de jaren 1990 exploreerde ik immers, naast het zen-pad, ook het pad van natuurreligie en sjamanisme, via de lectuur van onnoemelijk veel boeken, maar ook in de praktijk : zweethutten, natuurrituelen, medicijnwandelingen, zielenreizen, werken met krachtdieren en spirituele gidsen, ayahuasca, enz. Bij de oorspronkelijke Amerikanen ontdekte ik een waarachtige natuurspiritualiteit, die een direct contact nastreefde met de immanente Grote Geest – Wakan Tanka – die alles omvat en doordringt. Want daar gaat het me altijd om: een rechtstreekse lijn met G*d of met de Geest of met “The Force”, zonder bemiddelaars, makelaars, voorsprekers of go betweens. In die context ondernam ik in de zomer van 1996 een vision quest. Tijdens zo’n queeste trek je je gedurende vier dagen en nachten uit de wereld terug op een plek in de natuur, alleen, in stilte, met enkel een paar essentiële spullen, een kruikje water, maar zonder mondvoorraad. Vier dagen van vasten, bidden, mediteren en wachten op een “visioen”. Dat kan een Grote Droom zijn, een visionaire ervaring of een verrassende, veelbetekenende ontmoeting met een dier, een plant, een steen of een natuurverschijnsel. Je “visioen” inspireert je tot nieuwe inzichten, een nieuwe zielsbestemming.  Je onderneemt een vision quest wanneer je op een levenskruispunt bent aanbeland. Toen en daar was het mijn afspraak met Grote Geest om mijn spiritueel leven een nieuwe wending te geven na een niet pijnloos adieu aan de zenschool waar ik ooit debuteerde.  

Bij de start van de vierdaagse werd ik door de begeleiders naar een plekje in een woud op de flank van een heuvel gebracht dat ik gedurende vier dagen niet mocht verlaten. Ik zou er alleen maar wachten op een boodschap, op een teken. Meteen al deed zich iets opvallends voor. De paar vierkante meter waar ik zou vertoeven had de volmaakte vorm van een hart. Niet zomaar de vage contouren van iets wat op een hart lijkt, maar zo eentje die kinderen op voetpaden en muren tekenen of verliefden in bomen kerven. Die hartvorm was niet door mensenhanden in die vorm aangeplant of gesnoeid, maar op natuurlijke wijze ontstaan door de bomen en struiken die het plekje omzoomden. Dit was op zich al een “visioen” ! Ik noemde het mijn “Hartplekje”. Ik zou dus mijn vision quest doorbrengen, geborgen in het hart van dit woud. 

Het was hoogzomer, maar de weergoden en de donderwezens hadden het anders begrepen : het regende onafgebroken oude wijvenstelen en pijpenventen. Daardoor kon ik geen kant uit en was ik verplicht om eindeloze uren onder mijn zeiltje te blijven liggen of zitten. Ik moest er goed op letten dat mijn kleren en mijn slaapzak niet doorweekt raakten of anders zat mijn quest er voortijdig op…  Even de benen strekken zat er vanwege de zondvloed nauwelijks in. De klok rond mediteren – zazen – was al wat ik kon doen. Deze omstandigheden beperkten sterk de kansen om significante ontmoetingen te hebben met wouddieren of vogels. Ik begon al te wanhopen, dit avontuur zou op niets uitdraaien… Op de laatste dag van mijn queeste zat ik, om toch iets om handen te hebben, met een takje doelloos te pulken in een modderplasje net buiten mijn beschuttend zeiltje. Ik duwde het takje almaar dieper in de zompige bosgrond tot ik, zo’n 10 centimeter diep, op iets hards stootte. Nieuwsgierig wroette ik met mijn vingers in de aarde tot ik de steen of de kei voelde.  Ik haalde ‘m boven en spoelde ‘m af in de gietende regen. Er kwam een donkerrood hartvormig steentje (4 x 2 cm) te voorschijn (zie foto). In het hart van mijn Hartplekje vond ik een hartje ! Miljoenen jaren geleden ciseleerde Moeder Aarde  steen tot een hartje en nu kreeg ik het hier op het einde van de 20ste eeuw cadeau. Tranen van verrukking mengden zich met de regen. Meteen wist ik : dit is het ! De synchroniciteit tussen hartplekje en hartsteentje maakte duidelijk dat dit het “visioen” was dat me werd geschonken. Gedurende jaren droeg ik het hartje in een lederen buideltje, gevuld met de heilige kruiden salie en tabak, om de nek, op mijn hart. Naderhand kreeg het een voorname plaats op mijn altaartje in mijn meditatiekamer. Bij speciale ondernemingen, zoals retraites, vergezelt het me.  Dat hartsteentje  staat natuurlijk voor Lliefde met een grote en kleine L, voor de Weg van het Hart die ik zou blijven gaan, voor Groot Mededogen en Compassie, voor het Heilig Hart van Jezus ook, zo bleek later. Zoals de Yaqui sjamaan Don Juan Matus aan Castaneda zei, moet men zich bij het zoeken of vinden van een pad maar één vraag stellen : “Heeft dit pad een hart?”  Niet toevallig heette de nieuwe zen-school waar ik een paar maanden later bij aansloot Maha Karuna of Groot Mededogen.  

Zomer 2009 kruiste Annemie Tollenaere mijn levenspad.  In onze zen-dojo vond ik een flyer waarin ze haar plan aankondigde om in Gent “Interreligieuze Stille Meditatie” te organiseren.  Zij realiseerde de droom die ik zelf al jaren koesterde. Diezelfde dag nog  zocht ik contact met haar. Zij had om een medewerker gebeden en blijkbaar was ik de gezondene. We sloegen de handen in elkaar, zij vanuit de christelijke  mantra-meditatie in de geest en de stijl van Fr John Main en Fr Laurence Freeman, ik als zen-boeddhistisch monnik. Vanaf september kwamen we maandelijks bijeen in het Augustijnenklooster op een boogscheut van La Verna. Door mijn hartproblemen moest ik echter in maart 2010 afhaken, maar na mijn herstel kon ik Annemie in het najaar weer bijstaan bij de begeleiding van de bijeenkomsten waar mensen van allerlei religieuze strekkingen in stilte kwamen mediteren. Eén van hen was Monica; elke keer deelde ze zelfgemaakte hartjes in plastic uit aan de aanwezigen. Dat leek haar missie te zijn : haar hart uitdelen of delen vanuit haar hart. Die hartjes waren de eerste exemplaren van mijn almaar groeiende collectie. Monica’s voorbeeld volgend brak ik kort daarna tijdens een meditatie-retraite bij het afscheidsmoment een aan de krea-tafel geboetseerd hart van klei in stukjes en deelde die communiegewijs uit aan de deelnemers. 

Tussen Annemie en mezelf groeide al snel een diepe spirituele vriendschap. Toen ik haar een keer vertelde over mijn vision quest-hartje, zei ze dat ze in diezelfde zomer van ‘96 een  gelijkaardig stenen hart gevonden had, in Spanje. Wandelend op de met ontelbare keien bezaaide stranden van San Juan de Los Terreros (Sint-Jan van de Gronden?), op de grens van Murcia en Andalousië, zag ze hoe een straal van de ochtendzon een natte glanzende steen trof die hem van de andere onderscheidde. Hij bleek de vorm van een hart te hebben. (zie illustratie) Ook zij was een hartvinder. Hààr hart was van hetzelfde soort gesteente en had dezelfde kleur als dat van mij. Een ongepolijst, geteisterd hartje uit de schoot van Moeder Aarde en een gladgeschuurd hartje dat door de zee werd gebaard. Aarde en Water verenigd. Merkwaardig: in hààr hartsteen zit een deuk, een holte, waarin mijn hartje precies past. Alsof ze ooit één waren geweest en mekaar nu teruggevonden hadden.  

Toen ik na mijn herstel weer naar buiten kon voor mijn dagelijkse 10.000 stappen – altijd op het ritme van een mantra – viel het me op dat ik op straat regelmatig “hartjes” zag liggen. Dit kon niet zonder betekenis zijn. G*d spreekt immers door middel van dergelijke betekenisvolle toevalligheden. Ik nam me voor ze op te rapen en thuis in een grote hartvormige doos te bewaren die ik bij mijn meditatieplekje plaatste.  De voorbije twaalf jaar vond ik er inmiddels enkele honderden.  En dan laat ik de ontelbare hartjes nog buiten  beschouwing die kinderen op stoepen tekenen, de graffiti en de bloedrode harten met bijbehorende positieve boodschap die een onbekende Gentenaar een tiental jaar geleden her en der in de stad op muren aanbracht. Er zijn periodes van hoog- en laagconjunctuur. Soms vind ik er verschillende op één dag, dan weer wekelijks een paar, maar toch altijd enkele per maand. Zoveel mensen die hun hart verloren… Al die dakloze harten help ik van de straat en bied ze een geborgen thuis. Mocht een lezer op zoek zijn naar zijn/haar verloren hart, dan mag die altijd contact opnemen met mijn verlorenhartenasiel. Ik tref ze aan in alle maten en gewichten, in alle kleuren en vormen en gemaakt van veelsoortig materiaal. Hartjes in zilver, brons, koper, blik, plastic, papier, karton, hout, cellofaan, katoen, wol, zelfs van suiker en verdroogd brood.  Gescheurde, gebroken en gebarsten hartjes. Verregende en half vergane hartjes. Drie springen eruit qua formaat : drie exemplaren van een halve meter doorsnede! Eén daarvan is een hart in piepschuim dat aan de vóór- en keerzijde volledig beplakt is met witte pluimpjes en veertjes (zie illustratie). Duidelijk het hart van een engel. Een goddelijke wind blies het tot op de drempel van mijn voordeur !  Zou er een spoedbesteldienst bestaan die ook harten aan huis levert? 

Die hartjes zie ik als knipoogjes van Jezus of van G*d. Mijn hart springt altijd even op als ik er weer eentje zie liggen. Bij elke vondst doe ik twee dingen : ik maak bewust verbinding vanuit mijn hart met het Heilig Hart van Jezus én ik wens de persoon die het verloor of dumpte “licht, liefde en alle goeds” toe. Mijn vondsten noteer ik ook in mijn dagboek met een heilswens voor de verliezer. Ik stel me voor dat elk gevonden hartje een gekwetst hart is; een hart zonder verwondingen bestaat immers niet. Een hartje oprapen is ook telkens een diepe buiging maken voor het nietige, het verworpene, en er zorg voor dragen. Dit alles werd dus een soort van spirituele praktijk. Zo verplicht ik me ertoe om  hartjes altijd en in àlle omstandigheden op te rapen. Niet zelden is dat redelijk genant, zoals wanneer ik er eentje vlak voor de voeten van iemand opraap of uit de smurrie opvis. En met zo’n buitenmaats, spuuglelijk plastic hart onder de arm langs de straat lopen ondersteunt niet meteen mijn credibility. Dit is een oefening in onvoorwaardelijkheid.  G*d kan zich immers op elk gepast of ongepast moment aandienen en  dan wil ik zonder aarzelen aan Zijn suggesties of Zijn roep gevolg kunnen geven. 

Een ouwe zonderling die op straat hartjes raapt en verzamelt… Zou dit ziektebeeld opgenomen zijn in de fameuze DSM, dat omstreden  Amerikaans classificatiesysteem voor psychische aandoeningen?Zoiets als het “Gevonden Hart Syndroom”? Of zou het gewoon een ongeneeslijk geval van heartfulness zijn? Voor de nuchtere medemens mag dat zorgwekkend lijken, maar zie het als iets kinderlijks.  Zei Rabbi Jezus niet dat we moeten worden als kinderen : onbevangen, niet geremd door menselijk opzicht of vooropgezette ideeën. Cynische commentaar op zoveel kinderlijkheid is begrijpelijk, maar helpt dat jezelf of de wereld een stap vooruit? Het viel me trouwens op dat ik zelden of nooit hartjes vind in kerken, kloosters en kapellen, maar op straat en meestal in de goot, tussen het zwerfvuil.  Jezus, G*d, laat zich dus niet per se op gewijde plaatsen vinden, maar ook op straat, in de afvoergoot. “Welke weg je ook kiest, kies er altijd een met een hart”. Welnu, mijn hartjes liggen letterlijk op de weg en zo heiligen ze alle straten van de stad tot “wegen van het hart”. 

Als hartvinder leek het onvermijdelijk dat ik uit zou komen bij het Heilig Hart van Jezus. En inderdaad, ik begon zowaar, schoorvoetend, een eigen soort Heilig Hart mystiek te ontwikkelen. Jezus, met wie ik sedert mijn adolescentie geen levende band meer had, maakte immers een verrassende comeback. Na dertig jaar engagement in het zen-boeddhisme lag dat niet voor de hand. Hij werd incontournable toen Hij zich, totaal onverwacht, manifesteerde tijdens een sjamanistische vierdaagse waar toen de alhier nog vrij onbekende toverdrank ayahuasca in een spirituele setting  geschonken ende gedronken werd. Uiteraard had ik eerder verwacht de Boeddha of een bodhisattva te zien verschijnen. Wegens te intiem wil ik over dit visioen niet in detail te treden, maar ik kan wel zeggen dat het de belangrijkste ervaring en ontmoeting van mijn leven was. Desondanks verbaasde ik mezelf met die Heilig Hart-mystiek. Aanvankelijk vond ik dit maar een bedenkelijke evolutie. Het deed me denken aan het plaasteren borstbeeld van het “‘t Heilig Herte” dat bij mijn vooroorlogse grootmoeder op de schoorsteenmantel stond of met gelijksoortige, zoeterige prenten die in Bokrijk, het Museum van Folklore of op een rommelmarkt thuishoren. Was dat soort devotionele kitsch niet beneden mijn spirituele non-dualistische stand? Ik wou hier liever niets mee te maken hebben, laat staan ermee naar buiten komen. En zie, toch schrijf ik er hier over en staat er nu zo’n buste van het Heilig Hart van Jezus op mijn werkkamer. De Nazoreeër met het ontblote hart op de schoorsteenmantel kijkt de gouden Boeddha aan de overzijde van de kamer bovenop mijn boekenkast recht in het gezicht.  Zo zitten ze van aangezicht tot aangezicht, de ene wijzend op zijn hart als getuige van zijn Liefde, de ander met de rechterhand de aarde aanrakend als getuige van zijn Ontwaken. Uiteraard zie ik de rode draad tussen mijn vision quest-hartje, mijn hartfalen, de straathartjes en het Heilig Hart van Jezus. Soms denk ik: “Zou er geen opwaardering of aggiornamento mogelijk zijn van de H.- Hart mystiek?” Kan het uit het volksdevotiehoekje gehaald worden om er een hedendaagse invulling aan te geven? Als men het over “De Weg van het Hart” heeft, vindt men dat vanzelfsprekend; waarom zou Heilig Hart-devotie daarvan geen uitdrukking kunnen zijn? Jezus als belichaming van die Weg van het Hart. “Ge zijt niet mee met uw tijd”, zegt men me soms. “Inderdaad”, antwoord ik dan, “maar wel met de eeuwigheid”.

Is er een orgaan dat meer bezongen werd dan het hart ? Er zijn spreekwoordelijke bibliotheken volgeschreven met spirituele, religieuze en filosofische teksten over “leven vanuit je hart”, “de weg van het hart”, enz. Ik ga daar niets aan toevoegen. Om het simpel te houden : iedereen weet wat “harteloosheid” is. Leven vanuit het hart is het tegendeel daarvan. Voor mij betekent het eenvoudigweg leven naar de universele Gulden Regel : “Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden” of “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook de ander niet”. Deze negatief of positief geformuleerde uitspraken treft men vanaf de Oudheid aan in het Verre Oosten (China, India) en het Nabije Oosten (Perzië, het Oude Egypte), in het antieke Griekenland en in de Bijbelse tradities. Leven vanuit het hart is niet zozeer handelen vanuit het denken, het voelen of het waarnemen, maar ook vanuit je intuitie of je innerlijke wijsheid, die in je hart woont. “Le coeur a ses raisons – of beter ‘ses intuitions’ – que la raison ne connaît point.” Intuïtie stemt niet per se overeen met het vandaag de dag veelgehoorde “het voelt goed voor mij”. Aan dat individualistisch cliché ontbreekt vaak voeling met en inzicht  in het grotere geheel. De vraag is : voelt het ook goed voor je ziel, voor de ander, voor de planeet en al haar schepselen? Leven vanuit het hart is ook leven vanuit actieve acceptatie (“alles mag er zijn”) van alles wat zich nu/hier aandient. Liefde en mededogen als motivatie, als doel én als de weg erheen. De paden die ik tot nu volgde – dat van zen,  sjamanisme en de christelijke mystiek – zijn onbetwistbaar paden van het hart. Dat wordt mij bij elke vondst van een hartje langs de straten van deze Harteveldestad weer bevestigd. Dat maakt van deze hartvinder ook een pad-vinder. 

“And a good heart, these days, is hard to find,

So  please be gentle with this heart of mine”

(Maria Mc Kee / Feargal Sharkey)

Herman Meirhaeghe

TEKENS VAN LEVEN & LIEFDE

Listen to the butterfly,

Whose days but number three

Listen to the butterfly

Don’t listen to me

(Leonard Cohen, Listen to the Hummingbird)

Zes dagen na Allerzielen 2014 overleed mijn vrouw Gerda, met wie ik 48 jaar samen was. Ze was net 65 geworden toen ze de diagnose “keelkanker” kreeg. Vier maanden later voer ze naar de Andere Oever, waar ze hoopte eindelijk haar vader te ontmoeten die tien dagen vóór haar geboorte uit het leven stapte en een hoogzwangere vrouw met twee kleuters achterliet. Gerda was geen  boreling in geschenkverpakking, maar een extra zorg voor haar moeder, die zich danig verraden voelde. Haar hele verdere leven zou ze haar man nooit meer ter sprake brengen. Pas op haar veertiende vernam Gerda, via een buurman die zijn mond voorbij praatte, dat haar vader zelfmoord had gepleegd. Zijn dood liet bij haar een niet te vullen leegte achter, een niet te genezen gemis, een niet te stelpen wonde. Om nog te zwijgen over de stigmatisering binnen de familie en de dorpsgemeenschap. En dan haar eeuwige vraag: of zij de oorzaak was van vaders wanhoopsdaad?  Was haar geboorte – en het mondje teveel dat gevoed moest worden nu “de zaken” zo slecht gingen – een verantwoordelijkheid die hij niet langer kon dragen?  Ik wil hier geen hommage brengen aan mijn echtgenote, eerder een schets van haar finale levensjaren en van haar dood. Die zijn immers een treffend voorbeeld van een spontane spirituele transformatie via een compleet onverwachte ontmoeting met de/het Ene. Zoals alle verhalen toont ook dat van haar aan hoe onvoorspelbaar het leven is en alle richtingen kan uitgaan. Toevallige ontmoetingen, onvermoede gebeurtenissen kunnen het begin zijn van een belangrijke ontwikkeling. Wanneer we de kansen grijpen die zich aandienen, gebeurt er altijd iets waardevols. Verder deel ik met jullie enkele zinvolle toevalligheden in verband met haar die mijn alleweekse doordedaagse leven een haast magische glans geven, die zelfs voorbij de grens van leven en dood blijft glimmeren.

Gerda koos er meteen voor geen behandeling te ondergaan en haar aandoening thuis bij mij uit te zieken om, wanneer de pijn en de beperkingen ondraaglijk en de situatie onleefbaar werden, via “de goede dood” over te gaan. Vele jaren vóór ze het fatale verdict kreeg, zegde ze al dat ze geen ziekenhuisparcours wou afleggen, mocht ze ooit een dodelijke ziekte krijgen.  Dat nam ik nooit echt au sérieux. In betere tijden is het immers makkelijk en vrijblijvend om zoiets te stellen. Maar toen ze ziek werd, hield ze voet bij stuk. Ze weigerde resoluut elke therapie en koos voor euthanasie. Ik kon haar alleen maar steunen. De vier laatste maanden bracht ze in volmaakt evenwicht en diepe rust door. Ze overleed thuis, zoals ze het gewenst had. Gerda was helemaal verzoend en tevreden met wat haar relatief korte levenstijd haar geboden had. Die houding lag niet voor de hand na een leven in soms wankel evenwicht als gevolg van een erg traumatiserende kindertijd en jeugd.  De innerlijke kracht, de onverstoorbare gemoedsrust, de waardigheid, het onwankelbaar evenwicht waarmee ze de diagnose aanhoorde, haar weigering om behandeld te worden en haar onwrikbare keuze voor zelfbeschikking, de gelijkmoedigheid waarmee ze de gestage aftakeling onderging, haar laatste dag, uur, seconde die ze heel bewust en omringd door haar geliefden beleefde, dit alles kan ik alleen maar zien als de vrucht van haar laattijdig spiritueel leven. 

Weet dat Gerda de nuchterheid zelf was, totaal niet geïnteresseerd in religie of spiritualiteit. Dat was mijn winkel, zei ze altijd. Het katholiek geloof uit haar jeugd was allang voltooid verleden tijd en in een kerk kwam ze nooit meer, tenzij voor “grote momenten” zoals begrafenisdiensten of het doopsel en de plechtige communies van onze kinderen. Ze bood een luisterend oor wanneer ik over mijn zen-pad en andere spirituele ondernemingen vertelde, liet me mijn dingen doen, maar ook niet meer dan dat.  Ons gezin vormde overigens een bont allegaartje aan overtuigingen. Vader zen-boeddhist, oudste zoon overtuigd atheïst strekking Richard Dawkins en Tjenne Vermeersch; jongste zoon werd op zijn 14de, in toen nog onverdachte tijden, moslim en moeder was, euh…,  zelfs niet agnostisch, maar gewoon onverschillig. 

En dan, zeven jaar vóór haar dood, overviel haar een authentieke verlichtingservaring. Ze wist niet goed wat haar was overkomen. Nooit had ze daar iets over gelezen en ze had geen idee wat dit moest voorstellen. Nadat ze hiermee enkele dagen had rondgelopen, sprak ze me aan. Ik zie het nog vóór me : ik, zittend aan de keukentafel, zij, bij het aanrecht staand. “Herman, ik moet je iets vertellen”.  Oei, dit klonk ernstig. Ik wist niet wat ik hoorde !  Ze beschreef een  eenheidservaring van de puurste soort, zo één uit de mystieke boeken die ze nooit gelezen had. Ik herkende onmiddellijk de waarachtigheid van de piekervaring die haar te beurt was gevallen. Daarna ontwikkelde ze, in alle stilte en volledig buiten mij en mijn aanbevelingen als ervaringsdeskundige om, eigenzinnig een spirituele praktijk. Dagelijks trof ik haar aan, voorovergebogen leunend op de diepvriezer in de garage, waar ze haar sigaretjes rookte. Toen ik haar vroeg wat ze daar toch altijd in die rare houding stond te doen, antwoordde ze : “bidden”. Jij? Bidden? Weesgegroetjes? Neen, dat niet. Ze vertelde dat ze in een verloren hoekje van – godbetert ! – het advertentieblad “De Streekkrant” van tussen de koopjes, de reclame en de immo een gebed had uitgeknipt: “Geloofd en geprezen zij het Heilig Hart van Jezus”. Ze vond “het” dus niet in mijn bibliotheek met die paar duizend “spirituele boeken”, maar in een ordinaire shoppingkrant ! Ook voor haar meditatie zocht ze geen inspiratie in mijn boekenkasten. Ze zou het trouwens nooit “meditatie” genoemd hebben, maar ze herhaalde wél dit kort gebed als een mantra, hoewel ze, net zomin als over verlichtingservaringen, iets van mantrameditatie afwist. Gerda ontwikkelde puur intuïtief een eigen meditatiepraktijk. Je hebt niet noodzakelijk een leraar of een traditie nodig om op Weg te gaan. Spirituele lectuur is geen must, soms volstaat een koopjeskrant. Gods wegen zijn… jawel. Gerda vertelde heel weinig over haar “oefeningen” zoals ze die noemde, maar dat hoefde ook niet. Ik zag immers hoe grote helende veranderingen zich zienderogen in haar voltrokken. In een mum van tijd vond ze een rustige vastheid en een zielenrust die ze nooit eerder gekend had.   Was het geen wedergeboorte, dan toch een grondige reset of herstart. Mijn enige bijdrage bestond erin haar een afbeelding van Jezus te bezorgen die ze na haar oefeningen weer opborg onder het kleedje bovenop de diepvriezer. Aan haar bidplekje – die vierkante meter tussen onze geparkeerde auto en de ijskast – ontbrak elke sacraliteit. Typisch mijn no nonsense vrouw.

 Met haar spirituele praktijk bemoeide ik me niet, maar ze stond er wél op dat ik bij ons dagelijks koffietafelmoment met mijn woorden navertelde wat ik die dag in Het Urantia Boek gelezen had. In juni 2012 botste ik immers in “De Slegte” op dit merkwaardig boek waar ik nog nooit van had gehoord. Een klepper van 2100 bladzijden, dun papier, waarin de schepping en de evolutie van het heelal en zijn universa, van de planeet aarde – Urantia – én van de mens uiteengezet wordt. Informatie die via channeling verkregen werd. Ik kocht het boek omwille van het omvangrijke vierde deel dat een biografie van Jezus bevat : “Het Leven en Onderricht van Jezus” (774 pagina’s !). Daarin wordt de verhaallijn gevolgd van Jezus’ leven zoals we die kennen uit de vier canonieke evangeliën, maar met invulling van de vele hiaten en leemtes, zoals o.m. zijn “verloren jaren” tussen zijn 12de en 30ste levensjaar. In het boek wordt het leven van Jezus van vóór zijn conceptie tot na zijn hemelvaart, tot in de kleinste details en bij momenten van dag tot dag en uur na uur beschreven, wat een extreme hoeveelheid fascinerende informatie oplevert. Dit Urantia Evangelie is overigens één van de drie boeken die ik zou meenemen naar mijn onbewoond eiland. (De andere twee zijn : “Herinneringen, Dromen en Gedachten” van C.G. Jung en “De Dagboeken van Etty Hillesum). Het Urantia Boek bevat niets dat in flagrante tegenspraak is met de bekende Blijde Boodschap of dat willekeurig van de fantasiepot gerukt leek te zijn. Op bijna elke bladzijde maakte ik de bedenking : “Maar ja, natùùrlijk, zó moet dat toen gegaan zijn! Logisch !!”. Dat het boek via channeling tot stand kwam maakte me niets uit. Ik was zo gegrepen door de figuur van Jezus dat ik gewoon “àlles” over Hem wou weten. Of die kennis nu bijbelwetenschappelijk verantwoord of esoterisch was vond ik onbelangrijk. Mijn enige criteria : klinkt het waarachtig en inspireert het mij. Iets kan waar zijn – wetenschappelijk, historisch – en iets kan waarachtig zijn. De toon van dit boek klonk waarachtig.  Maandenlang las ik elke dag een fragment bij wijze lectio divina vóór ik mijn dagelijkse meditaties deed. De “evangelische koffiepauzemomenten” met mijn vrouw behoren tot de mooiste herinneringen. Die laatste zeven jaar van ons huwelijk waren misschien wel de beste van de halve eeuw die we samen waren en haar heengaan, in alle rust  en dicht bij mij, was de sluitsteen daarvan. Dit was een grote troost, wat niet wegnam dat er een verscheurende rouwperiode volgde. De eerste twee à drie jaar waren heel zwaar. Daarna leek mijn leven weer in een stroomversnelling te komen. Tal van onverhoopte groeimogelijkheden boden zich aan. Ik sta er zelf van te kijken hoe er zich, op mijn leeftijd, nog nieuwe ontwikkelingen aandienen. En het vele alleen zijn biedt ook de kans om een redelijk contemplatief leven te leiden in mijn huis dat mijn kluis is, iets wat ik altijd al heb betracht. 

Die laatste namiddag van 8 november 2014. Samen in de living waar ik een eenpersoonsbedje had geïnstalleerd waar ze zich voor eeuwig te rusten zou leggen. De kinderen en de kleinkinderen hadden afscheid genomen en nu waren we onder ons tweetjes, wachtend op de dokters die het verlossende infuus zouden aanleggen waar ze zo naar verlangde. Na al die jaren restte ons nog één uur samen. Uitgebreid praten lukte niet meer, want sedert weken kon ze alleen nog moeizaam fluisteren. Ik vroeg  hoe ze zich voelde, zo dicht bij het einde. Ze wees naar haar rechterschouder en zei dat ze niet bang was omdat haar broertje Ivan sedert een paar dagen niet meer van haar zijde week. Dat broertje had ze nooit gekend, wat niet wegnam dat ze het in de loop der jaren regelmatig over hem had. Ivantje was als baby overleden anderhalf jaar voor Gerda’s geboorte. “Hij komt me halen en zal me de weg tonen”, zei ze. Dit sterfbedvisioen – ontmoetingen met overleden dierbaren die de stervende verwelkomen zijn kenmerkend daarvoor – rapporteerde ze met de haar zo eigen nuchterheid. Had ik geen vragen gesteld, dan had ze dit nooit verteld.

Dan belden de dokters aan. We namen afscheid met deze woorden : “Bedankt voor al het mooie, sorry voor al het andere, ik zie u graag”. Zelfverzekerd ging Gerda, die die ochtend haar mooiste kleren had aangetrokken en zich had opgemaakt, op het bedje liggen dat vlakbij de uitstalkast met haar verzameling mineralen stond. De naald werd in haar rechterarm ingebracht, wat niet zo vlot verliep. Ze onderging het allemaal stoïcijns.  Ik nam plaats bij haar op bed en hield haar linkerhand vast. We wisselden nog enkele lieve woorden uit en toen brak haar blik in mijn ogen. Het was kwart vóór zes. Ik fluisterde in haar oor : “Ik zie u graag en goede reis”. Dan sloot ik haar ogen, bracht een opgerold doekje onder haar kin aan opdat haar mond waardig gesloten zou blijven en kuste haar op haar voorhoofd. Haar gezicht was ontspannen, verlost. Enkele uren later werd haar lichaam opgehaald. Het spijt me dat ik haar niet nog één keer thuis liet overnachten, zodat haar ziel zachtjes afscheid kon nemen van haar zo geliefde huis. 

Gerda was erg bezorgd of ik het, praktisch gezien, wel alleen zou redden. Een handige Herman ben ik niet, laat staan de spreekwoordelijke Harry. Tijdens haar laatste maanden gaf ze me nog een spoedcursus huishoudkunde : wassen, plassen en koken. Vanuit haar bekommernis,  belde Gerda tijdens haar ziekte – buiten mijn weten om en met de uitdrukkelijke vraag om er mij niets over te vertellen – niet onze beste vrienden, maar een spirituele vriendin van mij die ze zelf maar oppervlakkig kende en met wie ze ooit slechts één gesprek voerde.  Ze verraste die persoon totaal met het verzoek “om na haar dood goed voor mij te zorgen”. De perfecte keuze, zo bleek.  Zelf hield ze de eerste weken na haar dood ook mijn zeiltje in het oog. Haar aanwezigheid liet ze opvallend blijken via haar mobieltje. Je moet weten dat haar “obsessie” met telefoons bij ons thuis legendarisch was.  Ik ben de tel verloren van het aantal vaste toestellen dat elkaar in snel tempo opvolgde, telkens met een of andere nieuwe functie. Vast toestel beneden, eentje boven en dan heb ik nog niet over het drietal draadloze telefoons. We hadden hierover wel ‘s een echtelijke aanvaring. Uiteraard was ze bij de eersten om zich een gsm aan te schaffen en een smartphone zou ze geweldig gevonden hebben.  

Jaren porde ze me aan om me ook een gsm aan te schaffen, maar dat interesseerde me niet. Na haar dood drongen mijn kinderen eropaan haar toestel te gebruiken. Nu ik alleen leefde was het voor hen een geruststelling voor mocht me iets overkomen. En zo had ik in 2014 uiteindelijk toch nog mijn eerste mobieltje.  Een smartphone hoef ik niet wat ik ben smart van nature. Door middel van haar/mijn gsm communiceerde Gerda met mij vanop de Overzijde. Wanneer ik ’s avonds tv zat te kijken, lag het mobieltje naast mij op de salontafel. Regelmatig lichtte het schermpje spontaan op, zonder dat de beltoon overging.  Soms rinkelde het, maar er was niemand aan de lijn. Dan weer floepte  het zoeklampje spontaan aan en slaagde ik er niet meteen in het te doven.  Af en toe vergrendelde het toestelletje zichzelf zonder mijn tussenkomst. “Kom je me weer plagen en een goeienavond wensen?” vroeg ik dan. Dat ging zo enkele maanden door. En op een avond gaf het mobieltje de geest, zomaar, kapot, defect. 

Dat spontaan telefoongerinkel bij een overlijden was ons overigens al eens eerder overkomen, op de ochtend dat haar moeder overleed.  We lagen nog in bed en hoorden omstreeks 5 u  de telefoon, beneden in de living. Dat zou het ziekenhuis zijn met slecht nieuws. Ik stormde de trappen af en nam de hoorn op : niemand. Bij Gerda’s broer deed zich op datzelfde moment precies hetzelfde voor.  Pas rond 8 u belde het ziekenhuis dat mijn lieve schoonmoeder overleden was.  Als ultiem teken van overleven had ze een telefoontje gepleegd. Pas op haar begrafenis – 30 jaar na de dood van jaar man – ontdekten we, puur bij toeval, het kruis-, zerk- en naamloos graf van Gerda’s vader. Nooit had ze geweten waar hij begraven was. In extremis legden we nog bloemen op de rechthoek van aarde, want een paar weken later al werd die sector van het kerkhof geruimd. Je kan het nooit zo verzinnen, maar het Toeval schikte het zo dat pal naast de laatste rustplaats van schoonmoeder iemand in een eveneens naam- en zerkloos graf begraven werd…  Alsof zij in de dood vooralsnog met haar echtgenoot werd verenigd.  

De nieuwe gsm die ik me kocht – een elementair Nokiaatje – gebruikte ze niet meer om “tekens van leven” te geven. Voortaan deed ze dat door middel van vlinders. Niet toevallig, want  “vlinder” was a.h.w. haar totem. Ze hield van “flieflotters”, zoals vlinders in ons West-Vlaams dialect genoemd werden. Prachtige onomatopee in vergelijking met het nietszeggende, Engelse “botervlieg”. Her en der in het huis had ze prachtige papieren en zijden vlinders op de muren geprikt. Op onze slaapkamer alleen al hing er een  zevental op en rond ons bed. Met vlinders bedrukte bloesjes en T-shirts, juweeltjes. Na een vakantie in Turkije raakte ze maar niet uitgepraat over een blauwe reuzenvlinder die tijdens een boottocht  langdurig op haar hand kwam zitten. Na haar dood begon ik plots op straat – neen, geen hartjes dit keer – vlinders te vinden, in alle maten en gewichten en van allerlei materiaal en kleur. Bijna altijd vind ik die onderweg naar of op het kerkhof zelf, waar ik wekelijks haar graf bezoek. De hierbij gevoegde foto’s van de haarspeld en de diadeem, die ik aantrof bij de poort van het kerkhof, zijn er twee uit mijn verzameling. 

Ontmoetingen met levende vlinders waren er ook, maar minder opvallend. Behalve die keer toen er een zeldzame koninginnepage op haar grafsteen zat. Sedert mijn kindertijd in de jaren ’50 had ik er niet één meer gezien, uitgezonderd die  keer in augustus 2003. Die dag deed ik zoekwerk in het Stadsarchief Oudenaarde, waar ik de voorbije 30 jaar ontelbare uren met vader had doorgebracht, zoekend naar onze voorouders. Tijdens de middagpauze maakte ik een wandelingetje rond de abdij van Maagdendale, waar het archief is ondergebracht; een koninginnepage kwam naar me toe gevlogen en cirkelde rond mijn hoofd. Ik wist meteen dat vader, die toen gehospitaliseerd en erg ziek was, spoedig zou sterven. Drie dagen later overleed hij.  Ook die keer had vlinder met dood te maken. Dat hoeft niet te verbazen; “psyche” betekent in klassiek Grieks immers “vlinder”. Vlinder stond voor levensadem, briesje. Onder Romeinse invloed evolueerde de betekenis en symboliseerde “vlinder” de ziel.  Men stelde zich voor dat de ziel bij overlijden, zoals het Egyptische levensbeginsel “Ka”, het lichaam verliet als een zuchtje lucht dat de vorm aannam van een vlinder.  

Ook via dromen communiceerde Gerda postuum, met mij, met haar jongste zoon met wie ze heel close was, en met zijn zoontje. De eerste maanden na haar dood droomde ik tientallen keren van haar. De meeste dromen kaderden duidelijk in het rouwverwerkingsproces. Enkele echter sprongen eruit door hun grote helderheid en levendigheid en het ontbreken van een typisch droomverhaal. Hun realiteitsgehalte was bovendien zeer hoog. In deze dromen zag ze er weer uit als in haar dertiger jaren. “In de fleur van haar leven” : een typisch kenmerk van overledenen dat ook bij nabij-de-dood-ervaringen gemeld wordt. Onmogelijk om er hier in dit kort bestek dieper op in te gaan. Toch wil ik één droom vermelden die onze geliefde schoondochter had, vijf dagen na Gerda’s dood. Ik verwerkte deze droom in de rouwrede tijdens de begrafenisdienst. “Moeke ligt op haar sterfbed in de living. We zijn allemaal aanwezig. Ze is echter niet dood, ze slaapt.  Dan wordt ze wakker, staat op en stapt tussen de planten door naar de tv-kast.  Daar ligt een voorwerp dat ze per se bij wil hebben voor de grote reis die ze zal maken: een gouden staf, bezet met diamanten en robijnen. Het dressoir ligt afgeladen vol met cadeautjes, juwelen en andere kostbaarheden. “Die zijn allemaal voor jullie”, zegt ze. Dan maakt ze zich klaar en zegt dat het nu tijd is om voor de Grote Waarheid te verschijnen”.   

In de alledaagse werkelijkheid liet Gerda eveneens boodschappen achter die me nog dierbaarder zijn danal die “magische” voorvallen.  In onze keuken hangt een maandkalender. Ze overleed begin november en toen ik eindelijk dat heilloze ‘maand-blad’ kon omslaan, werd ik verrast door deze woorden die in het datumvierkantje van mijn verjaardag in december geschreven waren : “Ik zie je graag xxxx”. Ik had het niet meteen gezien, maar ook op de bijbehorende illustratie voor december stond in haar handschrift: “Goede morgen lieve jongen xxxx”. Toen ik vier weken later het ‘maand-blad’ voor januari 2015 opsloeg, had ze op het hart dat erop stond afgebeeld geschreven: “Ik zie je nog altijd graag xxxxxxxxx”. Tekens van leven en liefde, voorbij de Poort van Herinnering, uit het Land van de Grote Waarheid.

Herman Meirhaeghe