Toen me gevraagd werd om een persoonlijke getuigenis te geven over het pad van zen dat ik ging, moest ik meteen denken aan de woorden van Herman van Veen: “Echte helden getuigen zelden”. Aangezien ik verre van een “echte held” ben, vond ik dat ik gevolg moest geven aan die oproep.  Telkens weer word ik zelf getroffen door getuigenissen, ook al ligt de leefwereld van de getuigen soms ver van me af. Spreken of schrijven vanuit het hart raakt immers altijd. Er zit ook een herkenbaar patroon in al die verhalen: vallen en opstaan, donkere nachten waaruit een nieuwe dag geboren wordt, levenscrisissen die nieuwe kansen baren. Bij mij was het niet anders. 

Mijn getuigenis zou ik deze ondertitel kunnen geven:  “Het pad van meditatie als levensweg”, een pad dat ik al meer dan dertig jaar ga. Hoe kwam meditatie in mijn leven? Ik hoorde er voor ’t eerst over via The Beatles, mijn absolute jeugdidolen. Niet via de vele priester-leraars uit mijn collegetijd, die daar – heel merkwaardig – totaal niet mee vertrouwd waren, hoewel er ook binnen de christelijke traditie altijd al meditatiemethodes bestaan hebben. In 1967 – ik was toen achttien – gingen de Beatles een tijdlang in de leer bij de beroemde Indiase goeroe Maharishi Mahesh Yogi, die hen inwijdde in de Transcendente Meditatie (zie foto). Via de vier Liverpoedels raakte ik ook geïnteresseerd in Oosterse spiritualiteit, evenwel zonder tot enige beoefening over te gaan.  In die tijd was ik immers niet bepaald met meditatieve dingen bezig. Als geboomde baby  was ik een zoon van Mei ’68. Begin juni van dat sleuteljaar was ik in Parijs.  Ik kwam net te laat om Quartier Latin te helpen opbreken en met kasseien barricaden op te gooien tegen het verfoeide establishment.  De laatste resten van het oproer waren zo goed als opgeruimd, maar enkele van de meest bekende en meest inspirerende slogans stonden nog hier en daar op muren en straten gekalkt: “L’imagination au pouvoir!” “De verbeelding aan de macht”. En ook nog : “Défendu de défendre” of “Verboden te verbieden”. Twee slogans die mijn levensmotto werden.  Of de mooiste van alle : “Sous les pavés, la plage” : “ Onder de plaveien wacht het strand”. In oktober ’68 trok ik naar de Universiteit Gent om er psychologie te studeren. Een half jaar later brak de studentencontestatie er los, met woelige betogingen, gestencilde pamfletten, bezettingen van de aula’s en het rectoraat, nachtelijke volksvergaderingen, etc.  Er hing een pre-revolutionaire sfeer in de lucht. We dachten echt dat de Grote Wereldrevolutie ieder moment kon losbarsten en die kon ik niet links laten liggen… “Dit was maar een begin, we gingen door met de strijd !” 

In die dagen bestudeerde ik tegelijkertijd Marx en Jung, twee radicaal  tegenovergestelde en moeilijk te verenigen denkers. Karl Marx, gericht op de analyse van de economische verhoudingen en op maatschappelijke verandering.  Carl Jung, gericht op de analyse van de binnenwereld, het onbewuste en op innerlijke groei. Naderhand had ik almaar meer moeite om me te verzoenen met de stugge dogmatiek binnen de links marxistische beweging. Ook in het virulente atheïsme en de allergie voor alles wat met spiritualiteit, mystiek en religie te maken had, kon ik mij niet vinden. Van kindsbeen af had ik immers ervaringen die me leerden dat er méér was tussen hemel en aarde dan zelfs Shakespeare kon bevroeden, méér dan de strikt materiële alledaagse werkelijkheid. Binnen radicaal-links zag ik ook een totale afwezigheid van zelfreflectie. Ik distantieerde me van het linkse activisme, maar bleef het rode hart wel op de linker plaats dragen. Er is de bekende boutade : “Wie jong is en niet links, heeft geen hart; wie oud is en niet rechts heeft geen verstand”. Dat gaat alleszins niet op voor mij. Inmiddels ben ik oud en met overgave ben ik er nog altijd eentje zonder verstand.  Ik blijf immers onvoorwaardelijk solidair met de underdogs, de minderbedeelden, de verschoppelingen, de kanslozen en ik bleef erg kritisch tegenover machthebbers. Wat ik nu belijd is een soort “spiritueel socialisme”.  

Middenin die vitalistische, tumultueuze tijd sukkelde ik in een depressie. Toen had ik daar geen zicht op en geen woord voor, maar terugkijkend kan ik het alleen maar een depressie noemen. Die zou een viertal jaren aanhouden. Dit ging o.m. gepaard met doelloze zwerftochten door de stad, dwangneurotische handelingen, faalangst, vervreemding. Ook gedachten aan suïcide. Ik herinner me nog precies hoe ik op een nacht mijn kot bij Sint-Jacobs uitsloop om, zittend in het gras en leunend tegen een plataan in het Baudelopark, mijn zwarte gedachten te herkauwen.  Een tiental meter verder stroomde de Leie… Haar donkere water lokte mij. Plots voelde ik de levenskracht van de boom bruisen tussen mijn schouders en zag ik aan de nachtelijke hemel de zilverwitte Morgenster twinkelen. Een archetypische setting, zou later blijken, want pas meer dan twintig jaar later kwam ik erachter dat de Boeddha tot Ontwaken kwam onder de Bodhiboom toen hij diezelfde Morgenster zag schitteren. Niet dat ik toen verlicht werd, maar het was in elk geval een kleine openbaring die me het gevoel gaf deel uit te maken van iets veel groters dan mijn persoonlijke problematiek. Over hoe slecht ik me voelde, praatte ik met niemand.  Het was me ook niet aan te zien; ik kon de schijn goed ophouden. Tijdens de weekends in de bruine, alternatieve kroegen,  probeerde ik mijn zorgen in een sloot van alcohol te verzuipen terwijl ik de revolutie predikte.De depressie bleef aanhouden, ook na mijn studies en het eerste paar jaar van mijn huwelijk.  De oliecrisis van 1973 maakte een einde aan de zorgeloze sixties en ik vervoegde het almaar aangroeiende legioen van stempelaars, wat mijn gevoel van waardeloosheid en mislukking nog verhevigde. Maar zoals zo vaak in het leven, volgde op het donkerste uur van de nacht de lichtende dageraad. Bij mij gebeurt dat vaak via het vinden van de juiste boeken op het juiste moment. Boeken zijn nu eenmaal van in mijn kindertijd mijn dagelijks brood.  

Begin jaren ’70 werd ik lid van de ECI-Boekenclub. Je moest elke maand een boek bestellen, maar dat viel niet mee vanwege het redelijk beperkt aanbod dat niet altijd aansloot bij mijn interesses van dat moment. In 1974 kocht ik, omdat ik er geen ander vond dat me beviel, “Meditatie en Concentratie” van de bekende Britse boeddholoog Christmas Humphreys, een klassieker. Taaie lectuur, herinner ik me, waar ik niet doorheen raakte en die geen concrete gevolgen had. Ik bedoel, ik begon niet meteen een praktijk en meditatie is natuurlijk een dagelijkse oefening.In 1979 las ik nog een klassieker in het genre, een boek van Alan Watts, een auteur wiens naam regelmatig gedropt werd in interviews met rockartiesten, schrijvers en kunstenaars.  Titel : Het Zen-Boeddhisme. Ik raakte toen niet verder dan de inleiding… Blijkbaar was de tijd – of beter, was ik er nog niet rijp voor. Het zou nog eens tien jaar duren, voor ik beide boeken opnieuw ter hand nam. 

Dat gebeurde in 1989, het jaar dat ik 40 werd en “le démon du midi” grijnzend aanklopte en mij een heuse identiteitscrisis aansmeerde. Een jaar waarin de levensstroom stremde, tot een gletsjer bevroor. Blokkering op velerlei vlak.  In een recordtijd ontviel mij een handvol passies die jarenlang mijn leven kleur, smaak en zin had gegeven. Mijn creatieve bronnen raakten opgedroogd. De roman waaraan ik schreef en die ik vóór mijn 40ste per se af wou hebben, bleef onvoltooid. Het tijdschrift dat ik bijna volledig eigenhandig volschreef, stopte halfweg de 8ste jaargang. Mijn huwelijks- en liefdesleven was in crisis. Ik vervreemdde van de vriendenkring uit “de wilde jaren”. Op ’t werk zat ik in een uitzichtloze positie. Om nog maar te zwijgen van het zingevingsverlies. Een horrorjaar dus. Ik belandde in de spreekwoordelijke midlifecrisis. Zoals Dante schrijft in zijn Divina Comedia: “In ’ t midden op de reistocht van mijn leven, zag ik mij in een donker woud verloren, daar ik van ’t goede pad was afgeweken.”  Hoewel ik me eerder in een comédie humaine dan in een Goddelijke Komedie leek te bevinden, herkende ik me helemaal in die woorden van de Florentijn. Mijn “house of cards” stortte in elkaar. Ik had het gevoel permanent met mijn kop tegen de blinde muur van een doodlopend straatje zonder einde te lopen… Tijd om me een Harley Davidson aan te schaffen en me “De (zen-)Kunst van het Motoronderhoud” eigen te maken… De motor kwam er niet, het gelijknamige boek even later wel. En toen werd ik, als door een bliksemflits bij maanloze nacht, door de pijl van de zenboogschutter getroffen.  Het donkerste uur situeerde zich ook dit keer net voor de dageraad. 

Geen idee hoe mijn astrologisch gesternte eruit zag, maar op de ochtend van 4 mei 1989 werden grote veranderingen aangekondigd, door middel van een “Grote Droom”, gevolgd door een visionaire ervaring.  Na een echtelijke ruzie sliep ik op de bank, beneden in de living.  Ik werd er bezocht door een zeer omstandige archetypische droom, waarvan ik hier alleen de belangrijkste  elementen vermeld.  “Ik sta aan het begin van een lange reis.  De nacht is maan- en sterrenloos. De straten zijn nauwelijks verlicht en moeilijk berijdbaar. Het heeft bovendien zwaar geregend en de smalle glibberige wegen lijken wel modderpoelen. Ik moet al mijn stuurvaardigheid aanwenden om mijn wagentje – een 2 PK-tje – onder controle en op de baan te houden. Hindernissen neem ik op het gevoel, want ik zie geen hand voor mijn ogen. Op een kruispunt word ik voor de keuze gesteld of ik al dan niet een uitgestippeld pad zal volgen. Ik weet niet echt wat mijn bestemming is en waarom ik ergens een huis binnenga. Daar woont een prachtige, verleidelijke vrouw met wie ik liefde maak. Tijdens het vrijen merk ik tot mijn grote verbazing dat haar clitoris een volwassen penis is! Ze is een hermafrodiet !  Dan moet ik weer vertrekken. Bij het zoeken naar mijn autootje moet ik een helling op klimmen wat me bijna niet lukt. Ik krijg daarbij hulp van diezelfde vrouwman.”

Voor je me verdenkt van “vieze goestjes” nog dit. De hermafrodiet is een sleutelbegrip in de alchemie. Zijn verschijning vormt het hoogtepunt van het Grote Werk. Dit dubbelslachtig wezen verenigt in zich alle tegendelen. Hijzij is de oorspronkelijke Platonische mens waarin het vrouwelijke en het mannelijke nog niet gescheiden zijn. Het verschijnen van de hermafrodiet duidt erop dat de alchemist herboren wordt als uniek individu met een eigen emotioneel-gevoelsmatige en geestelijk-spirituele identiteit. Volgens Jung, die diepgaand de alchemie bestudeerde, anticipeert de hermafrodiet op de verdere ontwikkeling en uitbreiding van het bewustzijn.  Volgens hem vormt hijzij niet het eindpunt van het Opus; dat merkwaardige wezen staat immers te ver af van onze normale belevingswereld. In een latere fase van het alchemistisch proces volgt dan de geboorte van de homunculus, het mensje, dat uit de materie verlost moet worden. Pas dan wordt het Levenselixir of de Steen der Wijzen gevonden. 

Het vroege ochtendlicht wekte me.  Liggend op mijn rug, contemplerend over deze droom, voelde ik plotsklaps mijn voorhoofd eindeloos uitdeinen, tot ver voorbij de begrenzing van mijn schedel. Alsof het heelal op mijn schouders stond i.p.v. mijn hoofd. Vóór mijn geestesoog opende zich de onmetelijke hemel waarin een reuzenarend met wijd gespreide vleugels roerloos stil hing. Uit de vier windrichtingen kwamen onnoemelijk veel zwarte vogeltjes aanvliegen om onder de vleugels van de arend  te schuilen. In een tweede fase veranderde de arend in een bol, een sfeer, een planeet, die volledig uit die vogels was samengesteld. Na enige tijd begon de roerloze planeet om haar as in klokwijzerzin te roteren. In een derde fase veranderde de planeet in een kosmische spiraal die door het heelal wentelde. Ook die spiraal bestond volledig uit vogels. Alle aspecten verwezen naar het element Lucht – hemel, planeet, kosmische spiraal, vogels – en dus naar Geest. De veranderingen zouden zich in dit gebied voltrekken, vermoedde ik.

Het was duidelijk dat ik me op dit punt in mijn leven in de eerste fase van het visioen bevond: die van stilstand, stagnatie.  Ik kon alleen maar hopen dat ooit, net zoals in het visioen, de impasse zou doorbroken worden, dat iets in beweging zou komen. Dat zou blijkbaar gepaard gaan met het verzamelen van alle verspreide brokstukken van mijn gefragmenteerd leven en van mijn versplinterde ziel (de vele vogels).  Wat de symboliek betreft : “arend” staat voor Grote Geest of G*d; “bol” voor het Zelf en “spiraal” voor de zielenreis van binnen naar buiten, voor groei, verdieping, expansie en kosmische energie. Niet veel later, toen mijn leven inderdaad met een rotvaart weer op gang kwam, deed zich een opvallende synchroniciteit voor. Op een ochtend aan de ontbijttafel botste ik in “Café des Arts” – de kunstbijlage bij de krant “De Morgen” – op de bespreking van een jeugdboek van Ted Hugues (echtgenoot van Sylvia Plath). Titel : “Hoe mus de vogels redde”.  Ik verslikte me haast in mijn slappe koffie toen ik de bijbehorende kaftillustratie zag: een wervelende spiraal van duizenden vogels met arend bij het begin ervan. Precies zoals in het visioen. (zie illustratie: Andrew Davidson) Er stond iets te gebeuren, zoveel was duidelijk. 

Op 1 september van dat jaar ’89 sleepte ik me, uitgeblust en afgepeigerd, na een zoveelste zinloze werkdag en na het avondeten met vrouw en kinderen, twee hoog naar mijn werkkamerdie ik mijn “Veilige der Veiligen” noem. Ik wou er alleen zijn om mijn wonden te likken. Eenmaal op mijn kamer was ik tot niets méér in staat dan om me op mijn rug en met gespreide armen op het tapijt uit te strekken.  Het pathetisch beeld van een door het leven knock out geslagen en uitgetelde bokser.  Opgave en overgave in de zoveelste ronde. Ja, enig theatraal zelfmedelijden was me niet vreemd in die dagen. Terwijl ik daar lag te somberen, flitste deze gedachte me door het hoofd : “Eigenlijk is ademen het enige wat ik nog kan opbrengen”. Iets in mij attendeerde me op een boek, dat ik op mijn 23ste had gekocht, een boek waarin iets over ademen gezegd wordt, meende ik mij te herinneren.  Uit eerdere lectuur wist ik dat “ademhaling” een cruciale factor was bij meditatie en tot rust komen.  Ik krabbelde overeind en haalde het eerder genoemde boek “Concentratie en Meditatie” van Christmas Humphreys, dat ik zeventien jaar eerder gekocht had, uit mijn boekenkast.  Het boek had toentertijd niets in beweging gezet; zou het me nu mijn tweede adem geven?  Willekeurig sloeg ik het open en kwam terecht bij het korte hoofdstuk XII over “Zen-meditatie”.  Mijn ademhaling versnelde toen ik de twee openingszinnen las : “Zen is uniek. Het tart alle classificatie en maakt beschrijven haast onmogelijk”. Mijn hart skipte een beat ! Bliksemflits bij maanloze nacht.  Zou dit “unieke en onvatbare zen” the cure voor mijn midlife blues kunnen zijn?

Snel las ik het hoofdstukje door : een epifanie ! Ik krabbelde overeind en begon meteen met een paar minuten zazen of “muurstaren”, op een geïmproviseerd wankel torentje van kussens die ik, tot verbazing van mijn echtgenote, van de zitbank plukte. Om dit momentum duidelijk te markeren stopte ik diezelfde avond nog met roken. In “De Slegte”  kocht ik  “Teach Yourself Japanese” en begon mezelf, met het oog op een trip naar het land waar zen vandaan kwam, elementair Japans  te leren:  “Soko ni hon ga arimasu”.  Ik  dacht toen nog dat je voor zen alleen in Japan terecht kon.  Wist ik veel dat het zen-zaadje reeds in ’t Westen geplant was.  Al snel kwam ik erachter dat  “het”  reeds wortel had geschoten in de U.S.A., in Europa en zelfs in België. Kort daarna verraste mijn zoon van 14 me met een affiche die hij van het prikbord van de plaatselijke Delhaize-winkel had gescheurd.  Daarop stond de foto van Zenmeester Taisen Deshimaru, van wie ik reeds een vijftal boeken gelezen had, en een adres: “Dojo van Gent, Vrouwebroersstraat 9, Gent“.   Er was dus in het Gentse Patershol een dojo waar in groep zazen kon beoefend worden! Ik had sterk het gevoel dat alles spontaan en in supersneltreinvaart naar me toe kwam, dat de goden me bij het nekvel grepen en me met de neus op de feiten drukten, dat de mogelijkheden me letterlijk thuis en op schoot werden gebracht. En dat ik daaraan gevolg moest geven.  

Gedurende tien maanden oefende ik dagelijks thuis tot ik 20 minuten in halve lotushouding, roerloos maar helaas niet pijnloos, kon zitten. Ik dacht, éénmaal ik 20 minuten aankan, dan ook, mits de pijn te verbijten, tweemaal 30 minuten. Een meditatie-sessie bestond immers uit tweemaal een half uur “zitten”. Op Pinkstermaandag ‘90 trok ik naar de zen-dojo en zweette er mijn allereerste uur zenmeditatie uit.  De week daarna was ik er weer.  Die allereerste keer, samen met een zevental aanwezigen, staat in mijn geheugen geëtst. Ik wist het meteen 100% zeker : dit is het ! Mijn collega’s op ’t werk reageerden verbaasd en kritisch toen ik hen ’s anderendaags vertelde over mijn dojo-bezoek en zei :  “Zenmeditatie, da’s voor de rest van mijn dagen!”  Ze konden niet begrijpen hoe ik dat, na amper één keer deelnemen, kon beweren? Had Herman het licht gezien?  Een slag van de gebedsmolen gekregen?  “Voor de rest van je dagen…” dat is natuurlijk een lange tijd, maar daar zou het op uitdraaien. Eindelijk vond ik een spirituele praktijk:  zit-meditatie ! En een groep gelijkgestemden. Alweer had ik dit niet bewust gezocht, neen, het werd mij aangereikt via een hele reeks voorbereidende tussenstappen en toevalligheden.  Mijn innerlijk leven veranderde ingrijpend en als gevolg daarvan onvermijdelijk ook mijn omgang met de anderen en mijn functioneren in de wereld.  

Daarna ging het heel snel. Ik engageerde me diep in het zen-boeddhisme, Japanse stijl. Ik wilde er alles van weten, als van een geliefde die je op een coup de foudre trakteerde. Ik verslond een berg boeken en na tien jaar telde mijn bibliotheek 500 titels over boeddhisme en zen. Om maar te zeggen hoe heftig het passievuur laaide. Ik vertaalde dharmatalks van mijn Franse zenleraars die publiceerd en voorgelezen werden in de Vlaamse en Nederlandse zendojo’s.  Ik schreef een boekje over de geschiedenis van zen in Gent (1975-2010). (Illustratie : kaftfoto met zelfportret) Jaarlijks deed ik kortere en langere retraites in binnen- en buitenland.  Naast mijn dagelijkse thuis-meditatie bezocht ik twee tot drie keer per week onze zen-dojo voor een uur meditatie en al snel begeleidde ik de bezoekers op de meditatieavonden. In 1992 werd ik tot bodhisattva en in 1994 tot zenmonnik gewijd door de Franse Meester Roland Yuno Rech, leerling van Meester Taisen Deshimaru die in 1967 zen van Japan naar Parijs bracht. De daarop volgende decennia oefende ik met gekwalificeerde zenleraars uit verschillende scholen, o.m. met de Nederlandse zenleraar Ton Lathouwers van Maha Karuna Ch’an, die mijn nieuwe leraar werd, en met vriend en zenleraar Frank De Waele van de Zen Sangha.

“Hoe eindeloos de Weg van Ontwaken ook is, ik beloof hem ten einde te gaan”. Zo luidt de laatste van de “Vier Geloften van de Bodhisattva” die ik elke ochtend reciteer bij de aanvang van zazen of zitmeditatie. Een bodhisattva is een wezen (sattva) dat naar Ontwaken (bodhi) streeft. Iemand die boeddhaschap beoogt. De weg die de bodhisattva gaat om een boeddha te worden, is er een die eonen en vele levens in beslag kan nemen. Onderweg helpt hij, naar eigen talent, godvrucht en vermogen, actief in de wereld mee om het lijden in al zijn vormen te verlichten. Hij weigert nirvana binnen te gaan zolang niet het allerlaatste grassprietje is verlost. Dat is nogal wat voor een mens met korte beentjes zoals ik. Gelukkig kan ik me in deze hoge aspiraties optrekken aan mijn Japanse dharma- en monniknaam die me bij mijn wijdingen werd gegeven : “Ei-Gyo Do-Nin”. “Ei” betekent “eeuwig”; “gyo” : “beoefening”. “Do” is “de Weg”, Tao in het Chinees. “Nin” betekent “mens, persoon, ziel, sterveling”. “Eeuwige Beoefening, Mens van de Weg”. Mijn levensopdracht : tot voorbij de dood de weg van zelfvergetelheid gaan.“Zelfvergetelheid”, een bijna antiek woord, dat voor mij wil zeggen : het neurotische “ik” overstijgen, door eigenbelang weg te filteren uit mijn gedachten, woorden en daden. 

Ontdekt iedereen zijn gepast medicijn op een cruciaal of kritiek moment in zijn of haar leven? Bij mij was dat in ieder geval zo.  Ik kan niet zeggen dat ik omstreeks mijn veertigste gericht op zoek was naar een methode voor stressbeheersing in de toen al driemaal drukke ratrace. Uiteraard kon ik zoals iedereen wel wat ontspanning gebruiken, maar ik beleefde toen eerder een zingevingscrisis. Grote levensvragen die zich aandienden, typisch voor de overgangsfase van de extraverte, expansieve eerste levenshelft, naar een meer verinnerlijkte tweede levensfase.  Meditatie overrompelde mij, beheerste in een mum van tijd mijn leven. Ik weet dat ik toen, een tijdlang, geliefden en verantwoordelijkheden heb verwaarloosd omdat ik zó door de zen gebeten en in beslag genomen was. Meditatie bleek voor mij hét middel om mijn leven in evenwicht te krijgen en het zin te geven. Hersenwetenschappers stelden inmiddels vast dat reeds na twee weken beoefening, structurele veranderingen optreden in de hersencentra voor empathie. Ook ik zag al snel resultaat. In het begin was meditatie nog een tool om mijn turbulente ziel rust en richting te geven. Dat lukte. Het schiep enige orde in de chaos, ook uitzicht uit de toenmalige uitzichtloosheid. Wat het meest in het oog sprong : getroebleerde relaties – o.m. met mijn vader – normaliseerden zich zienderogen. Dingen waarvan ik dacht dat ze voor eeuwig muurvast zaten, veranderden. In meditatie schuilt immers die geweldige kracht tot transformatie, tot het doorbréken van oude denk- en gedragspatronen die ons leven zeer onaangenaam kunnen maken. Neen, een heilige werd ik niet, zelfs geen halve, maar mijn neuroses werden wel herleid tot afmetingen waar niemand nog last van heeft. Meditatie is evenwel geen universeel geneesmiddel. Bepaalde zwakheden lijken wel onuitroeibaar; meditatie leerde me om mijn gestuntel met een begripvolle glimlach te observeren en te aanvaarden. Zoals ik als opa naar mijn puberende kleinzoon kijk. De vruchten van meditatie zijn velerlei, maar worden niet nagestreefd. Ze vallen ons te beurt. “Mushotoku” of belangeloosheid is het sleutelwoord. Maar de beoefenaar gaat ook daaraan voorbij. Zazen is “alleen maar zitten”, zen is Zijn, één met het Ene.

(Dit artikel verscheen ook in het blad La Verna, Jaargang 19, nr. 1, 2022)

Herman Meirhaeghe

4 gedachtes over “MENS VAN DE WEG. Het pad van meditatie als levensweg

  1. Dag Herman,

    Wat een herkenbare tekst die volledig op jouw lijf geschreven staat.

    Een levensverhaal dat mij raakt omdat ik er de strijd van mijn vader zaliger in herken. Maar, ook mijn eigen strijd en wroeten.

    Meditatie roept veel gevoelens op.

    Een gelukkig nieuwjaar gewenst en veel goeds in Ledeberg in de kapel van de stiltes

    Maria

    Proficiat dat je zo goed schrijven kunt.

    Like

Geef een reactie op Daem Maria Reactie annuleren