Begin juni 1968 was ik in Parijs.  Net te laat om nog mijn kasseisteen te kunnen bijdragen aan de revolutie. De laatste resten van het oproer van Mei ‘68 waren zo goed als opgeruimd, maar één van de meest bekende en meest inspirerende slogans stond nog hier en daar op muren en straten gekalkt: “L’imagination au pouvoir”. “De verbeelding aan de macht”. De creatieve verbeelding die nodig is om verandering en transformatie op gang te brengen in een vastgelopen maatschappij of een persoonlijke impasse. Dit is niet het soort verbeelding waarvoor pelgrims op het meditatieve pad gewaarschuwd worden. Zo zegt John Main, grondlegger van de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie, in zijn boek “De Stille Revolutie”: “Ons engagement om dagelijks te mediteren is gewoon de wijze van leven, niet in de verbeelding en niet gebonden door beelden, maar in de werkelijkheid die G*d is. Het middel daartoe is de gedachten en de verbeelding achterlaten en de werkelijkheid van G*d binnengaan. Daarom zeggen we onze mantra: om alle gedachten en beelden te overstijgen en open te staan voor de ultieme werkelijkheid van G*d, die Liefde is, niet in beelden of illusies, hoe heilig of godsdienstig ze ook mogen zijn, maar in de werkelijkheid”. Verbeelding kan immers ook inbeelding worden, oeverloos grenzeloos fantaseren of wensvol denken dat alle grond mist. De denkbeelden en concepten in ons hoofd reiken niet verder dan ons beperkt voorstellingsvermogen. We kunnen ons wel een beeld vormen van iets of iemand, maar dat stemt nooit overeen met de werkelijkheid. Nietzsche zei het zo: “We hebben de beelden geperfectioneerd van hoe de dingen zijn, maar we zijn niet voorbij of achter het beeld geraakt”. Er is overigens niets mis met beeldvorming, zolang we ons bewust zijn van de grenzen van onze, al dan niet bewuste, verbeeldingskracht. 

Tijdens de meditatie, of wanneer we stil en in stilte vallen,  betreden we de lege, open ruimte.  De verleiding is groot om die meteen vol te proppen, op te vullen, dicht te pleisteren met beelden. Inbeeldingen, denkbeelden, droombeelden, waanbeelden. Zelfbeelden vooral ook. Voor ons nimmer slapend beelden producerend brein, dat een zusje dood heeft aan nietsdoen, is de leegte niet interessant. Als er zich geen bijzondere dingen in manifesteren wordt die lege ruimte snel vervelend. Allemaal lijden we aan horror vacui, angst voor de leegte, voor het lege blad, het lege doek, de niet ingevulde tijd. Haast dwangneurotisch proberen we het vacuüm zo snel mogelijk op te vullen met beeldmateriaal van allerlei slag. Zoals sommige beeldende kunstenaars of psychiatrische patiënten die elk leeg plekje, alle beschikbare ruimte van een blad of een doek opvullen met ornamenten en versieringen. (Zie bovenstaande illustratie van Fobiart) Dit horror vacui getuigt van onze onzekerheid, wij die niet kunnen leven met twijfels en met niet beantwoorde, laat staan niet te beantwoorden vragen. Dan nog liever een sussend schijnbeeld of een dienstig drogbeeld. Er wordt gezegd dat we geschapen zijn naar G*ds beeld en gelijkenis. Dat vooronderstelt dat we wéten wie, wat of hoe Hij is. Of is het een Zij of een Hun? Kunnen we dat ooit weten? Bij de start van onze meditatie woedt in ons hoofd vaak een storm aan beelden. Niet zozeer godsbeelden, maar vooral beelden over onszelf, de ander, de maatschappij, de wereldorde.  Een zachte beeldenstorm door middel van volgehouden meditatie brengt niet alleen de beeldzieke geest tot rust, maar toont ons ook dat beelden maar beelden zijn en niet de werkelijkheid zoals ze is. 

Religies zijn op grote schaal scheppers van beelden, en ik heb het dan alleen nog maar over de materiële en niet over de theologische beelden. Denken we maar aan de exotische overvloed aan goden en godinnen in het hindoeïsme. Ook het christendom – en het katholicisme in het bijzonder – bracht een ongemeen grote beeldenrijkdom voort, waarvan de gekruisigde Jezus de meest universele is. Waar het minst beelden van gemaakt zijn is merkwaardig genoeg G*d zelf. G*d als Vader, als de Schepper uit Genesis, als oude man met de lange baard gezeten op zijn hemelse troon, en dan hebben we het zowat gehad. Het lijkt een makkie om afscheid te nemen van dit soort godsbeelden, maar dat is lang niet voor iedereen zo.  Enige tijd geleden hoorde ik Andries Knevel, het gezicht van de Evangelische Omroep, vertellen hoeveel ophef hij in Nederland gemaakt had toen hij zegde dat hij vraagtekens had bij het beeld van de Schepper die de wereld in zes dagen gemaakt had. En dan zijn er de beelden van Jezus: als Kerstekindje, Goede Herder, Lam Gods, Gekruisigde, Christus Koning of Pantocrator. Maar ook van Zijn ouders, zijn apostelen en de ontelbare heiligen die daar tijdens de voorbije tweeduizend jaar op volgden, zijn onnoemelijk veel beelden gemaakt. Een kleine vijfhonderd jaar geleden maakte de Lutherse Beeldenstorm daar één grote puinhoop van. Hebben wij, mediteerders, niet ook een calvinistisch trekje? Want zijn niet àlle religieuze beelden in het licht van onze beeldloze meditatie afgodsbeelden, en niet alleen die welke tot een andere “kerk” of een ander “geloof” behoren?

Van iconoclasme gesproken. In de zen-boeddhistische traditie zit men nooit verlegen om schokkende uitspraken en anekdotes. Die moeten de leerling niet alleen wakker schudden uit het lethargisch kloosterleven met zijn eindeloze dagen stille meditatie, maar ook uit de illusie dat beelden werkelijkheid zijn. “Als je de Boeddha onderweg tegenkomt, dood hem dan !”, zei de beroemde Chinese zenmeester Linji of Rinzaï (9de eeuw). Daarmee wordt de boeddha bedoeld die je in je verbeelding ziet, die je naar eigen godsvrucht en (on)vermogen geboetseerd hebt. Je idee of denkbeeld van de boeddha, kan immers nooit de Boeddha zijn. Of wat dacht je van dit verhaal? Het is putje winter en het vriest nu al weken stenen uit de barre kloostergrond. De zen-monniken, die de helft van de dag roerloos stilzitten in zazen (zitmeditatie), vriezen haast aan hun zitkussen vast en ijspegels groeien aan hun druipneus.Ze lijken  bevroren ijssculpturen, als ze het inmiddels al niet geworden zijn.  De tempel kan niet meer opgewarmd worden, want het laatste houtblok van de stapel vloog drie dagen geleden door de schoorsteen. Maar dan heeft de abt een oplossing. Tot hun groot afgrijzen zien de monniken hoe hun meester het eeuwenoude en zeer kostbare houten beeld van de Boeddha, dat centraal in de zendojo op het altaar staat, in stukken hakt en het in de fik steekt, opdat zijn leerlingen zich even zouden kunnen opwarmen. Neen, in dit verhaal gaat het niet in de eerste plaats om het mededogen van de zenmeester voor zijn verkleumde onderkoelde leerlingen, maar om onthechting van beelden, hoe kostbaar die ook zijn, ook de meest heilige. (Kunnen we ons een christelijk abt of priester inbeelden die een groot kruis of enkele heiligenbeelden in de kachel stopt om zijn klooster of kerk warm te houden?)  Van heel andere orde was de vernietiging door de fundamentalistische Taliban in maart 2001 van de twee 1500 jaar oude, monumentale, in de rotswand uitgehouwen boeddhabeelden in Bamyan, Afghanistan. Werelderfgoed. Die volgens hen heidense afgodsbeelden hadden geen plaats in hun religieus wereldbeeld. In dit geval werden de beelden niet “gestormd” met het oog op een vrijer, ruimer bewustzijn zoals bij de zenmeester, maar integendeel om een beperkte en beperkende interpretatie van de islam te bevestigen. Hetzelfde geldt voor de 16de– eeuwse calvinistische Beeldenstorm in onze contreien.

Beelden – concepten, ideeën, meningen – van of over G*d loslaten, dat lukt mij wel, en hoewel ik sedert meer dan drie decennia zen-meditatie beoefen en tot zen-monnik werd gewijd, zou ik ook de boeddha in mijn brein kunnen doden en misschien zelfs zijn beeltenis opstoken, zij het niet van harte. Maar wat met mijn geliefde Jezus? Ik zie mezelf niet meteen een van mijn Jezusbeelden in het open haardvuur gooien of er de bijl inzetten. Hoewel ik het vernietigen ervan rationeel en zelfs spiritueel zou kunnen verantwoorden en niet meteen als heiligschennis zou ervaren, zou ik het daar emotioneel moeilijk mee hebben.  Of moet ook die emotionaliteit losgelaten worden? Moet het dan werkelijk allemaal nada nada nada zijn zoals mysticus Jan van het Kruis het zegt?   In mijn persoonlijk universumpje koester ik enkele beelden van Jezus, zowel in de geest als in de stof : het Heilig Hart van Jezus, Jezus als Goede Herder en als Lam Gods en vooral de Jezus van de Heilige Wade van Turijn. Deze beelden, waar ik verknocht aan ben, zijn veelvoudig aanwezig in mijn huis. Ik aarzel niet om voor mijn omgaan met die beelden het ouderwetse woord devotie te gebruiken. Met een exotischer naam zou je dit een vorm van bhakti-yoga kunnen noemen, het pad van liefdevolle toewijding en overgave aan de Allerhoogste of aan een incarnatie van G*d, aan Jezus in dit geval. De beoefenaar kiest een persoonlijk godsbeeld waarop hij zijn devotie kan concentreren en waarmee hij een spirituele relatie aangaat. Aan het gekozen godsbeeld wordt gestalte gegeven door een beeltenis of een symbool en vormt de focus voor het innerlijke en uiterlijke leven van de beoefenaar. Indiase Wijzen zeggen dat het pad van toewijding en devotie de énige weg is wil je Verlichting of eenwording met G*d realiseren. Of dat zo is weet ik niet, maar ook Jezus zei iets gelijkaardigs toen Thomas Hem vroeg : “Hoe moeten wij dan de weg kennen?” Jezus antwoordde: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij. Als gij Mij zoudt kennen, zoudt gij ook mijn Vader kennen.”

Vijf jaar geleden gaf ik in de Abdij van Westmalle en Waasmunster voor de Vlaamse afdeling van de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie een lezing over de non-dualistische aard van hun (en mijn) beoefening. Ik omschreef deze meditatievorm als “Christelijke Advaita Meditatie”. Ook in de Christelijke Meditatie zijn de devotionele aspecten immers tot een strikt minimum beperkt. In het beste geval staat er in de meditatieruimte een Jezus-ikoon, een kaars, een enkele bloem. Geen gebeden, geen gezangen, geen rituelen, geen offerandes van bloemen. Hierin lijkt Christelijke Meditatie, wat beeldloosheid betreft, nog strenger dan de zentraditie waar sommige van deze elementen wél aanwezig zijn. Sommigen merkten op dat non-dualiteit toch wel redelijk droog, gevoelloos of bloedloos lijkt. Dat er ook nog zoiets bestaat als de devotionele kant van het spiritueel leven. Dat een devotioneel pad ook een pad op zich kan zijn. En wat met de toewijding aan Jezus? Terechte bedenkingen. In mijn lezing kwam dit inderdaad niet aan bod. Dat kon de indruk wekken dat “het devotionele” helemaal afwezig was in mijn persoonlijke praktijk, maar niets is minder waar. Het was duidelijk dat sommige beoefenaars van Christelijke Meditatie nood hadden aan een of andere vorm van “Jezus-bhakti”. Ik ben er één van

Zoals de Franse wis- en natuurkundige, maar ook filosoof, theoloog en mysticus  Blaise Pascal (1623-1662) zei : “Le coeur a ses raisons que la raison ignore”. (Vind je het ook eigenaardig dat “coeur/hart” in ’t Frans mannelijk is en “raison/rede” vrouwelijk?) Zoals we allemaal uit ervaring weten moet de rede het vaak afleggen tegenover het hart. Gelukkig maar. Om mijn toewijding aan Jezus een vorm te geven die me persoonlijk het best lag, ontwikkelde ik enkele jaren geleden een oefening waarin “bhakti” gecombineerd wordt met het pad van meditatie. Dat werd “Rabbi Jezus Yoga”, waarover je veel meer vindt op deze blog. Hoe kwam ik ertoe om deze specifieke vorm van meditatie – Rabbi Jezus Yoga – te ontwikkelen? Sedert 1989 ga ik immers het zen-boeddhistisch pad; mijn wijding tot zenmonnik in 1994 is daarvan een uitdrukking.  En sedert 2010, nadat Rabbi Jezus in 2005 na een afwezigheid van veertig jaar een even plotse als forse comeback maakte in mijn leven, beoefen ik ook “Christelijke Meditatie” in de traditie van de Wereldgemeenschap voor Christelijke Meditatie en de stijl van Fr John Main osb en Fr Laurence Freeman osb. Ik begeleid ook sedert 10 jaar een meditatiegroep van die strekking.  Die twee paden ga ik nog altijd. Was ik dan ontevreden over mijn twee meditatie-praktijken?  Helemaal niet. Alleen, na al die jaren oefenen in de non-dualistische spirit van zen en christelijke meditatie, groeide in mij een diepe behoefte om een persoonlijke band met Jezus uit te bouwen en die concreet in mijn meditatiepraktijk tot uitdrukking brengen. De ene oefening staat de andere niet in de weg. Ik ervaar het alleszins niet als problematisch om die naast elkaar te beoefenen.

Het lijkt erop dat ook de ziel, net als ons organisch-fysiologisch systeem dat chemische en fysische processen in balans houdt, automatisch een evenwicht nastreeft. Een soort ingebouwde zelfregulering, “homeostasis” heet dat. Ik zag dit bij mezelf ook op spiritueel vlak gebeuren. C. G. Jung spreekt in dit verband over “enantiodromie”, een duur woord voor het verschijnsel waarbij de overvloed van de ene werkzame kracht onvermijdelijk haar tegendeel oproept en voortbrengt, om zo tot een dynamisch evenwicht te komen. In mensentaal : je valt van ’t een uiterste in ’t andere en in ’t beste geval vind je het dragende midden. Het klassieke yin-yang-symbool is daar een voorbeeld van. Bij mij manifesteerde dit zich door de onverwachte terugkeer van Jezus na een overdosis non-dualiteit. Hij riep me en mijn zenpraktijk had me geleerd om zonder aarzelen en onvoorwaardelijk “ja” en “hier ben ik” te zeggen. Meteen voelde ik de behoefte om een vorm van bhakti of liefdevolle toewijding te ontwikkelen rond de figuur van Rabbi Jezus. Ik  slaagde er nooit in met Shakyamoeni Boeddha een persoonlijke relatie aan te gaan en een intieme band met hem te smeden In het zen-boeddhisme is dat ook niet de bedoeling.   Daar ligt de nadruk niet op een persoonlijke band met de Boeddha en laat een persoonlijke relatie met een goeroe of godheid nu net de basis van het bhakti-pad zijn. Uiteraard voel ik diep respect voor de Boeddha en offer ik wierook en brand ik kaarsjes voor de Ontwaakte, maar close met hem werd ik nooit. Om de een of andere reden lukte dat niet. Met Jezus dus wel. In een mum van tijd, eigenlijk van bij de start, voelde ik een intense en wederzijdse gevoelsband met de Nazoreeër. Die liefdevolle toewijding bestaat niet alleen uit het offeren van wierook, kaarsen, bloemen, voedsel, enz. Het is ook wars van sentimentaliteit. Het gaat om “imitatio” of navolging. Je met de meester vereenzelvigen door zijn denken, spreken en handelen na te bootsen.

Elders op deze blog had ik het al vaker over het pad van dromen dat ik ga en het bijbehorende droomwerk. De beeldenweelde in dromen staat in scherp contrast met de beeldarme tot beeldloze armoede van geest tijdens de meditatie. Ik weet dat je kan verloren lopen in de innerlijke wereld van je persoonlijke psychologie. Mijn zenleraars raadden me dan ook meer dan eens aan om met mijn droomwerk te stoppen en me volledig te focussen op het pad van meditatie.  Ze hadden gelijk, maar toch heb ik hun raad nooit opgevolgd.  Dromen en meditatie waren en blijven de twee pijlers van mijn innerlijk leven en die lopen mekaar niet voor de voeten. De beeldenrijkdom en de beeldarmoede mogen naast elkaar bestaan, zoals een Romaans kerkje naast een gotische kathedraal. Ik reserveer mijn meditatietijd voor beeldloos vertoeven in zijn maar laat de devotionele aandrang – en het droomwerk – kruipen waar het niet gaan kan. Zou G*d erom treuren? Dieu a ses raisons que le phénomène humain ignore.

Herman Meirhaeghe

Een gedachte over “EEN ZACHTE BEELDENSTORM

Geef een reactie op pascalversavel Reactie annuleren